is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 4, 23-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN UITSTAPJE INDE TIJD

Als we soms zo’n grote moeite hebben om vele trieste regenachtige dagen dóór te komen en de afwezigheid van de zon ons zo intens drukken kan, grijpen we terug naar onze herinneringen. En wie kan ons dan beter troosten en opbeuren dan „la douce France”, aan wie we vóst beloofd hebben om haar ook dit jaar weer te bezoeken? Frankrijk met zijn onbegrensde mogelijkheden en zijn onovertrefbare schatten uit het verleden. Meestal verborgen, niet tentoongesteld.

Het verleden van een land als bijv. Mexico, gaat veel verder terug en wij hadden het grote voorrecht om in „Le musée d’art moderne” te Parijs de uitgebreide, representatieve tentoonstelling van dat land te bewonderen. Maar ól die abstractie, ól die mystiek, dat vreemde mengelmoes van exuberantie en ingetogenheid kun je niet zomaar opeens in je opnemen en verwerken. En, als je oververzadigd van indrukken weer op de Avenue Wilson staat en naar je omnibushalte kuiert, voel je je wel verrijkt, maar niet veranderd. In wezen bleef je het product van de Europese geest, gevormd door vele geslachten.

Reis je echter in de Franse provincie, dan blijf je niét jezelf, maar je gaat onder in die sfeer van speelse majesteit, die je goed doet begfrijpen wat de filosoof Bergson ons heeft trachten te leren: dat tijd en ruimte begrippen zijn, die op zich zelf niet bestaan. Het heden omsluit het verleden én de toekomst,

Zo ging ik vorig jaar en paar kerken en kathedralen bezoeken, waarvan ik allang gedroomd had. Eerst Bourges, waar je de grootsheid en

de wijdheid van de gothiek ondergaat als nergens anders. Komt het, omdat de schijnbaar eindeloze reeks der pilaren, niet onderbroken door een zijschip, zich tot 32 meter hoogte verheft, zonder'in zijn rijzige voornaamheid gestoord te worden door een kapiteel, hoe schoon ook? óf is het door de later aangebrachte absis, die, van buiten gezien, schijnt te z w e v e n boven de crypte, óf de viooltjes-paars getinte ramen, die een on wezenlijk licht doorlaten, waar je héél stil van wordt?

In ieder geval was er niemand anders in de kathedraal gedurende mijn bezoek van enkele uren in de namiddag. Alleen de verkoopster van briefkaarten en kaarsen, die zeker een oogje op de bezoekers moest houden, zat rustig achter haar stalletje en het was een genot om met haar te praten, vooral ook over de andere Franse kathedralen, die wij beiden gezien hadden.

De rondwandeling door Bourges zélf keurig aangegeven op een kaart van het bureau voor 'Vreemdelingenverkeer maakte geen storend einde aan de sfeer van gewijde rust, die in mij was neergedaald.

Wie er in al die eerwaardige oude huizen leefden, heb ik nooit begrepen en ook niet wat het levensonderhoud opleverde aan velen van hen, maar de schoonheid was er én de verstilde rust, waarvan het blijvend ontbreken ons soms zo diep kan wonden! U moet weten, dat ik in Juni en begin Juli deze reis maakte, anders zou u t e verwonderd zijn over deze indrukken! Na Bourges kwam Orléans, waar mij een dubbel verlangen heenvoerde: het brengen van een bezoek aan de Romaans-gothische basiliek van Saint-Benolt-sur-Loire én aan het zéér oude kerkje, daterend uit de tijd van Karei de Grote, te Germigny-des-Pré§ dat ook in het „département du Loiret” te vinden is. Germigny was de huiskapel van

de bekende Théophile, de schrijver van Karei de Grote. Niet alleen in tijd staan ze ver van elkaar af deze beide kerken, maar ook in geestelijke sfeer en ’t was een groot voordeel om ze op één en dezelfde dag na elkaar te mogen bezoeken. Maar eerst moest ik in Orléans overnachten. Dat betekende weer na Bourges een bruuske verplaatsing in de tijd.

In Orléans klopt het felle moderne leven. Daar is een sterk Amerikaans legercentrum gevestigd, dat het leven op straat en in de hotels tot een luchtige, haast feestelijke felheid opvoert.

Even voordat de reizigers in Orléans aankomen, vragen ze elkaar geïnteresseerd, wie van hen van te voren een plaatsje heeft kunnen vinden in de hotels en je spreekt schertsend af om, in geval van nood, maar een kamer samen te delen! Orléans wordt herbouwd, na de oorlog. In de buurt van de Place Jeanne d’Arc werden vele gebouwen zwaar getroffen, maar de stadsbouwmeester Abraham zette zijn ploegen werklieden aan de gang.

De grote, belangrijke brug over de Loire is weer hersteld en het verkeer raast er over heen naar het llefelijke Olivet aan de Loiret, dat nog niet veel veranderd heeft aan zijn vrolijke landelijkheid.

Dus van Orléans was het weer een grote sprong naar Saint-Benoit-sur-Loire I En die reuzensprong wordt gemaakt door middel van een autobusrit van anderhalf uur!

De brede Loire, hier niet overloedig met water gevuld en omzoomd door biezen, riet en berken, vormde zo nu en dan de poëtische noot in deze wat eentonige route. Opeens stond je op het dorpsachtige pleintje van Sully, vlak bij de oude basiliek en niemand van de inzittenden ze bleven allen in de bus scheen daar enige aandacht aan te schenken.

Toch is het machtig, dat Saint-Benoitcomplex.

Eigenlijk zijn het laatste jaar, bijv. de crypte en de bovenbouw van de „torenpoort” (tour-porche) niet meer toegankelijk geweest voor de bij ongeluk daar verzeilende toerist, maar de echte belangstellende kan gaarne een introductie krijgen van M. le père-abbé, die er dan zelf een vriendelijk briefje bij voegt. Een indrukwekkend geheel, die oude Romaanse Benedictijner abdij, met als centrum de basiliek, kloek en mannelijk en eerwaardig, ondanks de rijkdom aan details, die voofal de kapitelen vertonen.

Onder geleide van een jonge monnik student in de filosofie kreeg ik gelegenheid om onder te duiken in die wondere wereld van de Romaanse bouw- en beeldhouwkunst. Je wordt verplaatst in de tijd, waarin de mens, voor zijn eigen gevoel, nog niét het centrum was van het heelal, maar waarin een hogere macht het bestel van dood en leven in handen had en..., aan het einde van dat leven en na de dood kwam onherroepelijk het oordeel.

In St Benoit zien we, voor het eerst, de hernieuwing optreden van de beeldhouwkunst in steen, die bijna geheel verloren was gegaan, na de Romeinse overheersing.

Maar het meest indrukwekkend was toch de crypte, waarin de reliquieën van St. Benedictus worden bewaard. De middenpijler, waarin de vernieuwde, nu wat pompeuze reliekschrijn van verguld brons geplaatst is, wordt omringd door een half cirkelvormige zuilenkring en oh wonder deze zuilen schijnen naar voren te komen, in stille, rhythmische beweging, als ter bescherming van het heilige, dat aan hun zorgen is toevertrouwd. (Vervolg op pag. 8)

de etalages, waar alle dingen speciaal voor mij waren uitgestald en nog niets met geld van doen hadden, en aan de andere zijde de plassen neonkleur op het glimmend asfalt; ver boven me een diepe lucht met een paar sterren en een wolk die me deed denken aan de veilige warmte van een wollen deken. Ik wist ineens wat geluk was, maar ik zou het niet kunnen omschrijven. Het was er, en soms ontdek ik dat het er nog is.

Ik draai me om naar de klok: ze zijn wel ’n beetje laat, vanavond! Weer springen de letters uit de krant naar voren om iets te betogen. Ergens heeft men een resolutie aangenomen. Natuurlijk zal geen regering zich aan zo’n resolutie storen dikwijls kan dat niet, soms mag het zelfs niet —, maar iedereen is tevreden, omdat de grieven nu eens eindelijk goed geformuleerd zijn. Behoort ook dat bij de politiek: het vinden van een formulering van idealen die zich zo moeilijk laten omschrijven? Dan zou de politiek even edel en even schijnbaar nutteloos zijn als de dichtkunst. Een goede formulering laat zich niet meer verbannen, men moet erop reageren, vroeg of laat.

Er rijdt beneden door de straat een bloemenverkoper die nog voor zevenen los wil zijn. Z’n fresia’s en chrysanten klinken tegen de huizen op; een kaatsspel van exotische namen tegen de Oudhollandse trapgevel op de hoek. Ook hij schijnt in de toverkracht van de bondige formulering en de kracht van het herhalen te geloven, want hij blijft schreeuwen, hoewel hij in deze straat nog niets verkocht heeft. Terwijl ik hem nakijk, vouw ik de krant

op. Het woord „Europa” is nog zichtbaar in de headlines: het toverwoord, dat op dit ogenblik niet zo veel met de werkelijkheid te maken heeft. 0f...? Ik weet het niet, ik kan het niet weten. Zelfs wie zich alleen interesseert voor de politiek-met-eenhoofdletter, en niet voor het spel der politieke partijen, kan er weinig van begrijpen. Wie ben ik ten slotte?

Wie ben ik! lemand die lesgeeft en maar hoopt dat het percentage geslaagde leerlingen hoog zal zijn, maar die ook weet dat de wereld' doorgaat met draaien zonder dat daarbij diploma’s te pas komen. Wie ben ik? lemand die zich schamen moest, omdat hij niet actief deelneemt aan de politiek, en die op grond van gevoelsargumenten meent, dat hij zich niet behoeft te schamen. lemand die meent, niemand te zijn. lemand die vanuit een nauw zolderraam uitziet over een regenachtige straat naar de komst van zijn vrouw en de jongens.

Beneden in het huis slaat er een deur dicht, en ik hoor stemmen. Daar zijn ze al. Jammer, dat ik ze niet heb zien aankomen, ik heb te veel in de verte gestaard. Het onzichtbare proberen te zien, en het zichtbare niet waarnemen...

Ik ga naar beneden, de vertrouwde stemmen tegemoet. Ze staan nog bij de kapstok; mijn vrouw is bezig, de jongens te helpen met het uitdoen van die onhandige vochtige kleren. Ze zijn opgewonden, alsof ze van een feest komen, en ze hebben heerlijke natte, rode wangen.

Terwijl we de kamer binnengaan, valt de krant op de deurmat. Ziezo, we kunnen gelukkig weer lezen. C. MILOT