is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 5, 30-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op weg naar een nieuwe tijd

2

1. Levende kennis Alle kennis moet dus noodzakelijkerwijs het menselijk element in zich sluiten, anders is zij dood en waardeloos. Objectieve kennis komt pas tot leven wanneer zij deel uitmaakt van de subjectieve ervaringskennis van het individu. Tussen mens en leerstof moet een persoonlijk contact bestaan, zodat de leerstof deel wordt van het menselijk beleven, van de innerlijke ervaring. Anders is het dorre feitenkennis, die om hem heen hangt als een nonchalant om de schouders geworpen jas: kennis die geen deel uitmaakt van zijn persoon, die geen plaats heeft in zijn levenspatroon; gedéhumaniseerde kennis, koud als een grafzerk.

Helaas, onze wereld is er vol van. Het element der beleving, het diepere verstaan, dat tot het wezen der echte geïntegreerde kennis behoort, ontbreekt eraan. Het is gedénatureerde kennis die een „corpus alieni” vormt in de groeiende persoonlijkheid van onze jonge mensen. Zij leeft niet werkelijk en belemmert daardoor de levensontplooiing. Het absorberen van dergelijke, van haar emotionele wortel beroofde kennis, vraagt overmatig veel tijd en inspanning en staat daardoor de vorining van het karakter in de weg. ’ Couranten, radio en andere technische hulpmiddelen overspoelen de wereld met feitenkennis, waarin de adem van het menselijk beleven is verstikt. Ze stichten

onrust en verwarren de menselijke geest. Ze maken de diepere zin van feiten en gebeurtenissen duister en onbegrijpelijk. Ze verzwakken de morele krachten in de mens en staan hun ontplooiing in de weg. Zulke kennis is waardeloos voor het vormen van oordelen en besluiten, ze verlamt de menselijke reactie, laat de wil stuurloos en kan nimmer van constructieve waarde zijn. Daden immers eisen meer dan levenloze kennis: zij eisen persoonlijke ervaring en innerlijke verwerking daarvan. Zij eisen een achtergrond van struikelen en weer opstaan, van teleurstelling en succes, mislukken en slagen, hoop en ontmoediging. Zonder een achtergrond van tegenstellingen is geen levenservaring bestaanbaar. Reeds Heraclitus leerde 25 eeuwen geleden dat het leven een eenheid van tegenstellingen is. De stabiliteit in de natuur vergeleek hij met een gespannen boog: een levend evenwicht van tegengestelde krachten.

2. Opvoeding en kennis in blik

Deze factor ontbreekt ten enenmale aan de kennis, welke ons heden wordt overgedragen in de vorm van maten of cijfers, van objectieve waarnemingen of onpersoonlijke feiten. Het zijn levenloze opsommingen die buiten onze subjectieve ervaringswereld staan en in steeds toenemende mate de plaats daarvan beginnen in te nemen. Immers de laatste decennia wordt meer en meer niet geïntegreerde of zelfs maar Integreerbare kennis overgedragen op steeds grotere massa’s. De hoeveelheid van die kennis die gericht is op het stoffelijke: op de techniek, op laboratoriumproeven, op het productieproces is zo omvangrijk, dat zij ternauwernood ruimte laat voor de kennis van de mens zelf: van de behoeften en verlangens die in hem leven, de krachten die hem stuwen, de drang die hem richting geeft. In opvoeding en opleiding wordt onvoldoende aandacht besteed aan de innèrlijke harmonie, die zo’n gewichtige factor is voor het mensworden. H. D. GIDEONSE en V. d. LELY

T'er znliè

In de verte dagen de verkiezingen! Ons aller vriend, Professor Romme is op zijn strijdros reeds gekiomme zingend: „’t kan ons niks verd... maar herrie! herrie! mot er kommeü

Krantenbericht: „KVP moet tot aanval overgaan. Zolang de PvdA achter de levensbeschouwelijke neutraliteit, welke zij op papier voorstaat, schuilgaat, vormt zij een onzuiver element in het staatkundige leven. Aldus prof. Rommp.”

Korte aantekeningen: „levensbeschouwelijke neutraliteit”, onzuiver geformuleerd, maar we begrijpen de bedoeling.

„Welke zij op papier voor staat”: lelijke insinuatie!

„Onzuiver element in het Nederlandse staatkundige leven” veronderstelt, dat dit Nederlandse staatkundige leven alleen gezond is bij een politieke strijd tussen godsdienstige tegenstellingen. Anders gezegd: prof. Romme zou wensen, dat de PvdA een nummertje anti-papisme weggaf. Als ik het goed begrijp, heeft men het vorige jaar niet het herstel der kerkelijke hiërarchie, maar de Aprilbeweging gevierd. Dat waren pas goede dagen!

Dan moet nog gevraagd worden of dit bitse oordeel ook voor de VVD geldt? Of het ook voor de politieke situatie in Amerika en Engeland geldt, waar blijkbaar alle politieke partijen even zoveel onzuivere elementen vormen?

„In de PvdA staat naast Van Lier van de R.K. Werkgemeenschap een Vermeer van het Humanistisch Verbond. Elk hunner strijdt om de hegemonie van zijn levensbeschouwing. De sterkste zal winnen en dat is niet Van Lier c.s. Prof. Romme noemt dit tragisch.”

Aantekeningen: prof. Romme vergat de Prot. Christelijke Werkgemeenschap. In de PvdA wordt nu juist niet gestreden om de hegemonie der levensbeschouwingen. Als men dit zou doen, vloog de PvdA uit elkaar! Maar wanneer het te gebeuren staat, zullen we prof. Romme waarschuwen, want dan moet hij zich maar opgeven bij de PvdA om zijn geloofsgenoten te helpen. Als Van Lier al niet opgewassen is tegen Vermeer, misschien prof. Romme wel. Conclusie: Een komisch misverstand kan nooit tragisch zijn!

We gaan nog meer van dat fraais horen. Geduld vrienden! Dat is het enige recept. „Wolkenverzamelaar” noemden de oude Grieken hun God Zeus. Wij zijn geneigd aan prof. Romme deze eretitel over te doen vanuit onze „levensbeschouwelijke neutraliteit”. Na zo’n ingrijpen van Romme kun je niets meer zien vanwege de mist van misverstanden, de wolken van tegenspraak. Binnenkort blijkt dan wel weer, dat hij iets heel anders bedoeld heeft. Wat mij interesseert, is dit: in de krant staat nog, dat 'er geapplaudisseerd is.

Vraag: waarom applaudisseerden ze? Hoorden zij ook, wat ik prof. Romme hoorde neuriën: „ ’t kan me niks verd... maar herrie! herrie! mot er kommeü” KORZELIGE KES

een stuk levensproza een poëtische glans (hetgeen geenszins wil zeggen, dat de auteur idealiseert en romantiseert).

Diep wordt men ontroerd door een kort samengevat „levensbericht” van Inge Scholl „Die Weisse Rosé”; in dit boekje beschrijft Inge Scholl leven en sterven van broer en zuster, die als studenten tijdens de oorlog in München tegen Hitler geagiteerd hadden en door de beulen onthoofd werden. Kinderlijk-groots als hun korte leven en hun laatste uren, is; dit eenvoudige boekje van Inge Scholl.

Nu wij het over Duitse verzetspogingen hebben, mag de duidelijke en bijna sensationeel werkende documentatieverzameling „Der lautlose Aufstand” niet worden vergeten. Onder leiding van Ricarda Huch en na haar dood van de verzetsstrijder Günther Weisenborn (wiens roman „Dokter in de Gran Chaco” in Nederland veel gelezen werd) kwam dit boek tot stand, waaruit blijkt, hóé moeilijk het de hier en daar opererende groepjes illegalen hadden, geïsoleerd als zij waren; hun moeilijkheden overtreffen die der ondergrondse strijders in andere landen. Sober en eerlijk worden ons door Weisenborn documenten, cijfers en feiten voorgelegd, en wij constateren met droefenis, dat het na-oorlogse Duitsland juist de in het verzet gesneuvelden zo bitter nodig heeft. Hadden zij dan niet

moeten strijden, tegen het beest? U ziet, hier begint een probleem, dat niet één tv/ee drie opgelost kan worden...

Van de politieke werken lijken mij „Der SS-Staat” van Eugen Kogon en „Das Reich der niederen Damonen” van Ernst Niekisch tot de bijzonder wezenlijke en blijvende publicaties te behoren. Zij getuigen van helder inzicht en de moed, gebeurtenissen en mensen onvertroebeld te zien en ondubbelzinnig te zeggen, waar het op staat. Zij kennen geen terug op de door hen ingeslagen weg, en hun analyse van toestanden, oorzaken en gevolgen kent geen compromis. (Het boek van Niekisch werd in Tijd en Taak uitvoerig besproken.)

De oogst van bijna negen jaar Duitse literatuur is niet bepaald overweldigend. Even erg is, dunkt me het feit, dat, voor zover een grote lezerskring buiten Duitsland van nieuwe Duitse literatuur kennisneemt, zij meestal niet zeer belangrijk is, hetgeen aan de keuze der vertaalde werken ligt.

Zal een zich snel herstellend Duitsland grote literaire werken van tot nu toe onbekend gebleven auteurs opleveren? Een van de interessante vragen anno 1954, die uiteraard door geen enkele discussie bevredigend kan worden beantwoord. Alleen de tijd zal het antwoord hierop geven. H. WIELEK