is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 7, 13-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten onrechte verontwaardigd

Ik' zet mij met tegenzin tot dit artikel. Het zal handelen over de rede, die de Varasecretaris, J. B. Broeksz, op 3 Febr. voor de microfoon heeft gehouden en waarvan ik een uittreksel vond in Het Parool van de volgende dag.

De tegenzin is gelegen in de afkeer, die ik heb om zaken te behandelen, die méér dan duidelijk zijn.

Meer dan duidelijk is immers, dat de Partij van de Arbeid een nieuwe partij is, erfgenaam van een grote gedachte, uit verschillende bronnen samenvloeiend, maar geen erfgenaam zonder meer van alle instituten en strevingen, die vroeger, in de oude SDAP, zonder critiek en zelfs met vreugde werden aanvaard. Het moet duidelijk zijn, dat tussen de Partij van de Arbeid en deze instituten weliswaar een verband, maar niet meer het vooroorlogse verband bestaat. Men moet thans de verhouding nog zoeken.

De radioconsolidatie geschiedde in een tijd, toen de antithese-gedachte schijnbaar onwrikbaar vaststond en de SDAP gedwongen was ook een zuil te worden. De macht, die zulk een zuilerij met zich meebracht, was aanlokkelijk. De Vara werd, naast de andere confessionele omroepverenigingen (let wél: andere confessionele!) machtigen er scheen geen andere uitweg om althans het deel van de bevolking, dat sympathie had voor de socialistische gedachte, het zijne te geven, dan op deze wijze.

De Partij van de Arbeid is mede geboren uit een diep verzet tegen deze verzuiling. Zij is geboren uit het besef, dat de democratisch-socialistische doeleinden niet voortvloeien uit een bepaalde wereldbeschouwing, maar op grond van verschillende motieven konden worden nagestreefd. De namen van enkele groten van Nederland, met internationale faam, als van prof. G. v. d. Leeuw en ook prof. Ph. Kohnstamm en prof. H. Kraemer, zijn aan dat bevrijdend inzicht verbonden.

Nu spreekt het voor zich, dat het veel hoofdbrekens kost om de oude instituten, die innerlijk noch uiterlijk veel van de tweede wereldoorlog schijnen te hebben gemerkt behalve dan, dat ze een tijdlang stilgelegen hebben tot een goede verhouding te brengen jegens de nieuwe, na-oorlogse Partij van de Arbeid.

Op dit ogenblik zijn nu het ontwerp-Omroepwet en de Teievisienota aan de orde. In verschillende politieke partijen, ook in de Partij van de Arbeid. Nu blijkt het, dat een niet onaanzienlijk deel van de Tweede-Kamerfractie van de Partij van de Arbeid wensen heeft in' de richting van een vormgeving van het omroepbestel, die meer herinnert aan haar eigen oorsprong, dan de ministeriële voorstellen. Mag dat, of mag dat niet? Zou het niet veeleer verraad zijn aan zijn diepste bedoelen, wanneer zulks niet geschiedde en wanneer men zich rustig liet inbedden in de dubbele lits-jumeaux.

(met een paar kinderbedjes) die de heer Cals voor de „zuilen” heeft opgemaakt?

Neen, het mag niet. Het mag niet van de Vara. De Vara heft, bij monde van Broeksz, waarschuwend de vinger op. Als jullie, zegt de Vara tot het Partijbestuur, onze zin niet doen, dan gaan wij spektakel maken. Wij willen wel partijgetrouw zijn, maar zolang jullie onze zin doen.

En de Vara is machtig. De Vara vult de vrije tijd van duizenden. Hij heeft de traditionele sympathie van tienduizenden. De Vara houdt zich het recht voor, aldus lezen wij, zijn standpunt in het publiek te verdedigen.

Zo is nu de situatie: opgezet als dienend orgaan van de arbeidersbeweging, herhaaldelijk verdedigd als de organisatie, die trouw wil zijn aan de politieke partij en derhalve géén eigen politiek wil voeren, deze Vara nu wacht niet af, tot de Partij klaar is met haar moeilijke beslissing, maar zegt: doe wat wij zeggen, anders komt er lawaai!

Hier is ten voeten uit getekend, waarom „neven”-organisaties (zoals dat vroeger heette) niet alleen een hulp, maar ook een gevaar kunnen betekenen voor een zelfstandige beweging. Deze houding onthult, dat hier geen werkelijke geest van dienstbaarheid zich uit. Wij betreuren dat zeer en wij kunnen niet anders dan verwachten, dat de Kamerleden zich niet laten intimideren.

Er is nog iets, dat wij betreuren.

„Met verontwaardiging” zo lezen wij „wees de heer Broeksz erop, dat tot eind 1945 geen socialistisch strijdlied door de aether had mogen klinken.”

Ik begrijp die verontwaardiging niet. Misschien al hierom niet, omdat ik nog steeds een beetj e kriebelig word, wanneer ik op de Vara-morgens een socialistisch strijdlied moet horen. Ik begrijp niet, welk propagandistisch element erin ligt, als men om tien over acht laat zingen, dat wij socialisten de rijen moeten sluiten of dat het morgenrood gloort of een van die andere liederen, die veel leren over het verleden, maar niets over de toekomst. Ik word er door gehinderd, dat ik ’s morgens vroeg al ingelijfd word in een bepaalde poUtieke beweging, ook al ben ik die even hartelijk toegedaan als de ruim 300.000 trouwe Vara-vrienden.

Er is niets wonderlijks in, dat de democratische socialist Van der Leeuw, die een andere visie op de cultuur had, dan vroeger in de SDAP heerste, de radio-uitzendingen voorlopig geen spUtsingsallure wilde geven. Ik ben ervan overtuigd, dat hij daarmee de sympathie voor het moderne democratische socialisme versterkt, niet verzwakt heeft. Ik ben er zeker van, dat velen toen deze beweging met andere ogen zijn gaan zien. Hij, aan wie een culturele vormgeving voor ogen stond, waarbij natuurlijk het democratische socialisme zijn deel zou krijgen, kon niet hebben, dat dit deel zich apart stelde, reeds van het begin af aan. Hem past dank daarvoor en verontwaardiging is daarbij niet op zijn plaats.

Tenzij men de naam van v. d. Leeuw slechts met afkeer zich herinnert. Dat doet men in bepaalde confessionele karhpen zeker. Daar stond en staat men stoer op het standpunt, dat men het oude herstellen moet, omdat dit oude zo goed was, omdat in die oude figuur van cultuurspreiding lekker ieder op zich zelf kon blijven en men geen verantwoordelijkheid behoefde te nemen voor het denken en handelen van anderen. Daar beperkt het nationaal besef zich tot het samen zingen van het Wilhelmus en het samen opkomen in het kader van leger, vloot en luchtmacht.

Van der Leeuw zag dat anders. Hij zag wellicht op dat ogenblik nog niet op welke wijze en op welke tijd de socialistische beweging aan het nationale cultuurbeeld zijn bijdrage kon leveren. Ook dat had zijn tijd nodig. Helaas heeft hij deze tijd niet gekregen. Als minister niet en als mens niet.

Verontwaardiging op dit punt siert een modern democratisch-socialistisch orgaan dat weet uit welke bronnen de Partij van de Arbeid gevoed wordt, bepaald niet!

L. H. R.

' ''' ' '

„In een rede voor de Vara-microfoon heeft de Vara-secretaris, de heer J. B. Broeksz, gisteravond scherpe critiek uitgeoefend op het radio-heleid van- de toenmalige socialistische ministers Schermerhorn en Van der Leeuw, die hehben gepoogd na de oorlog een nationale omroep te verwezenlijken.” (Parool 4 II).

Ik hoop dat de heer Schermerhorn gelegenheid krijgt voor de Vara-microfoon de heer Broeksz van repliek te dienen en ik wilde dat de heer Broeksz de goede naam van prof. v. d. Leeuw onbesproken liet.

Prof. V. d. Leeuw is helaas dood, en kan zich niet verdedigen, maar zijn formaat was zodanig, dat de heer Broeksz zou moeten voelen dat hij van deze figuur beter deed af te blijven. Hij brandt zijn handen en verspeelt zijn reputatie. Door deze onnationale daad heeft de Vara-secretaris inderdaad bewezen dat hij tegen een nationale omroep is; hij bewees echter tevens uit het ongerijmde de aantrekkelijkheid van een nationale omroep. In hoeverre de Vara als spreekbuis der idealen van de socialistische beweging in' Nederland bruikbaar is, valt in het licht van der gelijke uitspraken opnieuw te bezien; welk onderzoek echter bemoeilijkt kan worden door het feit dat dezelfde persoon voorzitter van de Vara en voorzitter van de socialistische fractie is.

KORZELIGE KES