is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 7, 13-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenmin. Dit blad heeft nl. (16 dezer) enkele prominenten „uit verschillende levenskring” over dit boekje en de zware taal van Trouw aan het woord gelaten. Zo een hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk, die niet van vrijzinnigheid of goddeloosheid behoeft te worden verdacht, nevens een hoogleraar van de VU, die daar evenmin van kan worden beschuldigd. Naast een hervormd predikant, dichter tevens, een gereformeerd evangelisatie-predikant. Ook een vooraanstaande vrouw in het oecumenisch werk, die, vergissen wij ons niet, tot de Gereformeerde Kerken heeft behoord, plus een literator, die éven (te)veel stoom af blaast tegen de christelijkheid als de hoofdredacteur van Trouw tegen de goddeloosheid en de ontheiligers, en dan nog een tekenaar plus een pater, die in Vrij Nederland kind aan huis zijn.

Wat kwam er nu uit de bus?

Bij niemand dezer prominenten, uitgezonderd de gereformeerde predikant en de idem hoogleraar, bijval voor Trouw. Naar ons gevoel maar men kan er ook anders over oordelen gaf de dominee zijn bezwaren verstandig en van zijn hoek uit volkomen aanvaardbaar weer en deed de hoogleraar dit zo, dat hij voor de „vrolijkheid” van zijn geloof allerminst aantrekkelijke propaganda maakte. Aan hem heeft de Trouw-se hoofdredacteur in elk geval een „begrijpend en ondersteunend” medestander, want „de heidenen, die ons erfdeel hebben ontnomen” (vide Ps. 73) zijn rechtstreekse voorzaten van Jean Effel en allen, die in zijn boekje iets vonden, dat hun een ogenblik van glimlach bezorgde. De pater kon uit de aard der zaak luchtig over het geval heenlopen. Voor hem geldt nu eenmaal, dat zijn geloofsgenoten slechts in ruwe trekken zullen weten, waarover het gaat met dat simpele leven van Adam en Eva, omdat men in zijn kring wel iets uit de Bijbel wéét, maar de Bijbel niet léést. Dan is distantie van „het heilige” mogelijk en maakt het katholiek levensgevoel, dat ook nog wel iets met levenskunst te maken heeft, dat het allemaal niet erg zwaar wordt opgenomen.

De hervormde predikant en zijn theologische hoogleraar zien in het geheel van dit aldus uitgebeelde simpele leven geen enkele steen des aanstoots, noch ook een rots der ergernis, evenmin als zij, die in de oecumenische beweging op vele fronten en in heel de wereld, haar taak en arbeid een leven lang gevonden heeft. Met andere woorden: wil men weten, wat nu de verschillen zijn tussen hervormd, gereformeerd en rooms katholiek levensgevoel, dan zijn deze kleine bijdragen over een klein boekje uitermate leerzaam. Ook om te weten, dat er een vreugde is over tekeningen en bijschriften, duidelijk geïnspireerd op de nadrukkelijkheid, waarmede sommige christenen met heel veel hypochondrie de wereld willen duidelijk maken, dat hun gelóóf ook werkelijk een zaligheid is.

En waar het óns nu om te doen is?

Aan visuele hulpmiddelen als dit hebben wij waarlijk geen behoefte. Zij doen geen enkel goed, maar óók geen enkel kwaad. Wie eigen overtuiging of geloofsbezit moet beschermen door dit soort kinderlijke lectuur uit de wereld te houden of te bannen, moet er wel van overtuigd zijn, dat zulk bezit en overtuiging vrij gemakkelijk zijn aan te tasten. Waarom anders die angst?

De schrijver in Trouw had moeten doen wat Jean Effel Adam liet doen: in de hals van de slang een knoop leggen, om Eva te waarschuwen, dat het beest niet te vertrouwen is... ‘Maar dat wds het misschien nu juist: die knóóp!

N. G. J. VAN SCHOUWENBURG

Naar aanleiding van een vrijspraak

Het schijnt voor onze partij pers een moeilijk ding te zijn te zwijgen over de inhoud van een vonnis of arrest, waartegen nog een rechtsmiddel openstaat, een goede gewoonte, die bijv. door de N. R. Crt steeds in acht wordt genomen. Nu geef ik toe, dat het voor socialisten een niet gemakkelijk te verteren brok is, deze vrijspraak tegen Van Tienen en Wolthuis, van wie men met de klompen aan voelt, dat hun aspiraties uitgaan naar een nieuw type van nationaalsocialisme. Wanneer men dan echter de rechterlijke macht enig verwijt maakt, ziet men voorbij, dat het Amsterdamse Hof niet anders had te doen dan uit te maken of de NESB al dan niet een voortzetting is van de verboden NSB en de volle laag van onze critiek behoort dan gericht te worden op diegenen, die in de jaren 1945 en 1946 meenden aan dit ontoereikende criterium van onze Londense wetgevers voldoende te hebben om voor de toekomst een herrij zing van fascistische of nationaal-socialistische partijen te kunnen beteugelen!

Het is inderdaad onbegrijpelijk, dat de Nederlandse regering in gebreke is gebleven om deze materie afdoende te regelen. Wilde men soms wachten, totdat men het partijwezen een wettelijke basis had gegeven, waarover kort na de bevrijding veel is gesproken en gedacht? Welnu: men kon weten dat, wanneer van een dergelijke regeling ooit iets terecht zou komen, dit een gedokter van jaren kon worden. En inmiddels zou er toch wel een en ander kunnen gebeuren!

Wat echter verzuimd is, kan worden ingehaald en mijns inziens zou de PvdA Jiet zich tot een eer moeten rekenen daarbij het initiatief te nemen.

Twee facetten van het vraagstuk, dat op de achtergrond van de politieke activiteit van oude of nieuwe fascisten staat, verdienen hierbij de aandacht.

In de eerste plaats de politieke activiteit van de oud-politieke delinquenten. Mefl kan deze oud-politieke delinquenten verdelen in drie categorieën, die min of meer scherp van elkaar gescheiden zijn.

De eerste categorie omvat hen, die zó geschrokken zijn van hetgeen hun bij de bevrijding is overkomen, dat zij zich heilig voorgenomen hebben nooit meer aan politiek te doen, een standpunt, dat tegenstanders van het nationaal-socialisme het voordeel biedt, dat zij op het politieke front niet meer met deze lieden behoeft te rekenen, doch dat anderzijds op sociaal-psychologische gronden buitengewoon bedenkelijk is, omdat deze categorie daardoor bewust afstand doet van de mogelijkheid ooit weer volledig staatsburger te worden.

Heel klein is hiernaast de tweede categorie, nl. van hen, die resoluut een streep onder het verleden hebben gezet en daarvan geen ressentimenten hebben overgehouden, noch tegen de politiek als zodanig, noch tegen de democratische partijen.

De derde categorie ten slotte bestaat uit de onverbeterlijken. Zij zijn het, die steeds weer zullen proberen om op de een of andere wijze hun nationaal-socialistische, wil men: hun reactionnaire activiteit voort te zetten. Het spreekt vanzelf, dat een barrière, die bestaat in het criterium: al of niet voortzetting van de NSB voor hen geen barrière is. Ook al zou de NESB inderdaad als een voortzetting moeten worden beschouwd van de NSB, dan nog is het een klein kunstje om het daarheen te leiden, dat men niet met de Londense wetgeving in strijd komt. Met andere woorden: er staat de gewezen politieke delinquenten eigenlijk niets in de weg om hun activiteiten weer te beginnen.

Nu moet worden toegegeven, dat het niet gemakkelijk is een formulering te vinden, waardoor aan deze lieden politieke activiteit in nationaal-socialistische richting wordt belet, juist omdat hier niet beslissend is. wat ze zeggen voor te staan, maar datgene, wat hun wezenlijk tot nationaalsocialisten of fascisten stempelt. Ik geloof, dat dan ook de enige radicale oplossing in dezen is, dat aan gewezen politieke delinquenten verboden wordt in andere partijen politiek werkzaam te zijn dan in die, welke heden ten dage in het Nederlandse parlement zijn vertegenwoordigd. Zoals gezegd: niet het feit, dat ex-nationaal-socialisten aan politiek doen, is fout. Integendeel: dat moet in beginsel worden toegejuicht. Fout is slechts, dat ze wederom een „apartheidspolitiek” gaan voeren, dat ze er wederom toe overgaan eigen groeperingen op te richten en daarin de leiding nemen, hetgeen betekent, dat ze zich anti-thetisch tegenover de traditionele partijen stellen.

Er is stellig geen enkele behoefte aan nieuwe, zelfstandige politieke activiteit van de oud-politieke delinquenten en slechts door hun politieke belangstelling te leiden in de richting van de bestaande partijen, kan dit vraagstuk een bevredigende oplossing krijgen.

In de tweede plaats moet men er op bedacht zijn, dat ook nieuwelingen in de politiek dan wel teleurgestelden uit de bestaande partijen aan een politiek willen gaan doen, die in wezen nationaal-socialistisch is. Dit vraagstuk ligt veel moeilijker dan dat van de oud-politieke delinquenten, mede omdat hierbij de grondslagen van onze politieke democratie en ons partijwezen zijn gemoeid.

Nu meen ik, dat wij onze democratie in het algemeen veel te veel willen zien als een sluitend systeem, geschreven voor alle tijden en alle landen. Wanneer wij ons politiek systeem niet zien als een abstract gelijkheidsprincipe, maar als we meer het oog richten op de wijze. Waarop de democratie functionneert, dan zullen we ontdekken, dat democratie in dit tijdsgewricht en in dit land wil zeggen, dat dié politieke en geestelijke stromingen tot hun recht kun-