is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 9, 27-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid

4

Het achtste hoofdstuk van het r.k. rapport over de massajeugd, dat wij in een drietal voorafgaande artikelen hebben besproken, bevat de algemene en concrete adviezen, die op grond van de bestudering van het materiaal door de rapporteurs worden uitgebracht aan de minister van O. K. en W. Het behoeft ons niet te verbazen, dat dit rapport in dit slothoofdstuk zijn advies baseert op een rekening willen houden met de „concrete sociaal-psychologische achtergrond,” die in sommige gebieden nog valt te ontdekken, en waaronder dan vooral verstaan wordt de „gezonde traditie”. Dat spreekt voor het rooms-katholieke Zuiden van ons land vanzelf, en ongetwijfeld is deze factor van groot belang voor de volwassenwording van de jeugd. In hoeverre juist deze factor ook een belemmering in kan houden voor de uitgroei, blijve nu verder buiten bespreking; het is een feit dat hier in elk geval een element ligt dat waarde heeft.

Als algemene adviezen worden dan gegeven: inschakeling van meer en betere leiding; vorming en aanstelling van deskvmdige krachten; meer aandacht besteden aan het research-werk. Met deze adviezen zal iedereen, die enigermate met het massajeugdwerk bekend is, volmondig instemmen. Er is slechts één „maar” aan verbonden: dan zal de subsidie aanzienlijk verhoogd moeten worden! Dat op grond van deze algemene adviezen onder de meer concrete vervolgens aan de orde komen: gezinsopvoeding, woningverbetering, meer clubhuizen en meer speelruimten, aanpassing van de school aan de levenssfeer, enz., enz., is te verwachten en om niet te uitvoerig te worden ga ik op deze zaken hier nu niet verder in. Liever maak ik nog twee opmerkingen, één van zeer concrete aard, en één het algemene aspect van wat er nu verder te doen is rakende.

Wat het eerste betreft: op blz. 366 van het rapport staat cursief gedrukt de volgende zin: „Wij bepleiten, speciaal op zielzorgelijk terrein (maar niet uitsluitend) een beïnvloeding door personen, die zelf deelgenoten wensen te zijn van het leven dezer mensen.” Het zal geen verwondering wekken als ik zeg dat dit een uitnemende gedachte is, die ook voor de andere confessionele groeperingen ten volle geldigheid bezit. Maar... is dat t.a.v. de r.k. zielzorgers mogelijk? Heeft wat er geschied is in Frankrijk met de priesters-werklieden hier niet een barrière opgeworpen, door de r.k. Kerk zélf gewild? Wanneer de aangehaalde zin geen ijdele hoop zal wekken, dan zal dit toch niet anders kunnen dan doordat de r.k. geestelijken volstrekt incognito arbeiden? Zeker daar waar de onkerkelijkheid groot is en de weerstand tegen al wat godsdienstig is dusdanig, dat zelfs de kledij al weerzin opwekt. Hoe wil Rome dit realiseren bijv. in woonwijken in Den Bosch waarover dit rapport zulke ontstellende dingen mededeelt? Het klinkt zo prachtig: deelgenoot wensen te zijn van het leven dezer mensen. Maar is dat mogelijk als er in de gewone zichtbaarheid al reeds de afstand tot uitdrukking komt? Terecht wordt in de omgeving van de aangehaalde zin gesproken van verzet en wantrouwen en van het feit dat de gedragingen en opvattingen van „deze mensen” niet worden bepaald door objec-

tieve normen; de sterke subjectieve gerichtheid met het weinig genuanceerde gevoelsleven, dat bij de ongeschoolde fabrieksarbeiders (sters) te constateren valt, zal ongetwijfeld een afweerhouding aannemen tegenover de geijkte naar-buiten-treding van de kerkelijke levenssfeer. Wordt hier dan niet iets gewenst, dat wellicht onuitvoerbaar is, gezien de ervaring in Frankrijk? En... is het dan niet enerzijds een slag in de lucht en anderzijds, als men het niet volledig doet, een tot mislukking gedoemde poging?

En wat het algemene aspect betreft: het probleem van de massajeugd is niet los te stellen van school en maatschappij. Ook dit rapport bewijst dat weer ten duidelijkste. De spanningen die er bestaan tussen de schoolsfeer, de sfeer in het clubhuis, de sfeer in het huiselijke milieu en de sfeer in de arbeidswereld, treden wel zo duidelijk aan de dag, dat iedere clubhuisleider telkens weer opnieuw er tegenop loopt en soms nauwelijks weet, wat hij doen moet. Moeten wij nu maar blijven door tobben? Mogen wij waar we mogelijkheden menen te zien, gaan beginnen op incidentele wijze en dan maar zien wat ervan komt en hoe het zal groeien? Wanneer we de beide thans uitgebrachte rapporten met elkaar vergelijken en dan vooral deze vergelijking laten doorlichten door de practische ervaring in deze arbeid opgedaan, dan kunnen we er niet aan ontkomen met grote stelligheid uit te spreken: het sociale en het paedagogische aspect van het massajeugdwerk is niet uiteen te leggen; als men ergens wil gaan

beginnen, dan zal dat alleen mogen wanneer men reeds voor de aan vang de lijnen heeft uitgestippeld waarlangs de groei zal moeten geschieden en deze groei zal zich moeten betrekken op het paedagogische en het sociale aspect, op school en maatschappij. Maar dat heeft dan tevens zijn beslissende invloed op wat wij onder research hebben te verstaan. Wanneer deze alleen fundamenteel zou zijn en blijven, zou ze ongetwijfeld voortreffelijke resultaten kunnen afwerpen, maar... wanneer daarmede niet gepaard gaat ook het practische experiment, waarbij de bovengenoemde aspecten volledig in rekening worden gebracht, blijft het nog alles uitsluitend theoretisch. Dit alles zal kapitalen kosten; maar niemand zal aan de insiders het recht kunnen ontzeggen om te menen dat de kapitalen, beschikbaar gesteld voor het practische én theoretische researchwerk op dit gebied, een aanzienlijke besparing betekenen op de uitgaven, die anders zullen moeten worden fedaan voor reclassering en dergelijke! aat men toch inzien dat jeugdzorg een zaak is van sterke preventieve werking, die allereerst de jeugd ten goede zal komen, maar die daarnevens de staats- en gemeentefinanciën zal verlichten.

Met spanning wachten wij af welke de beslissingen zullen zijn, die toch te een of andere tijd mede op grond van de beide ingediende rapporten zullen moeten vallen. Mogen deze besluiten niet al te lang op zich laten wachten en blijk geven van... eendrachtigheid. A. A. W.

Demonen

2

„De grootste gebeurtenissen zijn onze stilste uren,” zegt Nietzsche. Er zijn veel stille uren in dit leven geweest, ja, misschien mag men wel zeggen, dat hij altijd zwijgend tegenover het raadsel van zijn leven gestaan heeft. Zwijgen is vanzelfsprekend, wanneer wij van één of andere grote gebeurtenis getuige zijn. Ik herinner me, welke indruk het maakte, toen ik voor het eerst van mijn leven een gletscher zag. Dat is nog niet zo heel lang geleden. De eerste maal zag ik hem van veraf, als een lange witte tong, die zich onheilspellend uitstrekt naar het dal. Later meer van dichtbij, als een gebergte van sneeuw en ijs, zo woest en eenzaam, dat het menselijk leven erbij vergeleken niet meer was dan een schroefje uit een geweldige machine. Op zo’n ogenblik zwijgt men, werkelijke schoonheid maakt de mens stil, voor de werkelijke schoonheid heeft men geen catalogus nodig.

Er is echter ook een vorm van zwijgen, die als een druk werkt. Door hun zwijgen leggen sommigen zo’n druk op hun omgeving, dat men er radeloos van wordt. Er zijn huwelijken, waarbij het zwijgen van

één van beiden zo hardnekkig is, dat men zijn toevlucht tot anderen neemt om hieraan te ontkomen. Voor sommigen is zwijgen de gemakkelijkste weg. En dan kiest men de gemakkelijkste weg zonder oog te hebben voor de verzoeking, die hierin ligt opgesloten. Wij behoeven slechts aan Saul te denken. Het leven van deze mens is bedorven door een zwaarmoedig zwijgen. Op dit leven kon niets anders volgen dan een eenzame dood en inderdaad is Saul een zeer eenzame dood gestorven.

In het leven van Saul huisde een demon, die hem tot een steeds dieper, steeds onheilspellender zwijgen dwong. Dit zwijgen is een grote haat tegen alles, wat aan waarheid en schoonheid in de wereld leeft. Het wordt alleen dan verbroken, wanneer de haat naar een uitweg zoekt. Dan klinkt de vernietiging, dan kondigt de verwoesting zich aan, dan sist het kwaad: „Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God?”

Het is veelzeggend, dat de bezetene, waarover Lucas spreekt, zich in de omgeving van de rotsgraven ophoudt. Het zwijgen is