is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 9, 27-02-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zwijgen van het graf en al kan dit in bepaalde omstandigheden zijn verdienste hebben, het gaat toch altijd gepaard met een zekere beklemming. Maar het graf herinnert ons niet alleen aan zwijgen, maar ook aan de koude, die daarmee gepaard gaat. Er is een geestelijke koude, die nog heel wat erger is dan de winterse koude, die wij zo juist doorstaan hebben. De geestelijke koude, die alles in de omgeving doet bevriezen, is overal daar, waar de demon zijn kans krijgt.

Aan deze geestelijke koude is ook de kerk niet ontkomen. Men hoort vaak spreken over de kou, waarmede het kerkelijk leven vergezeld gaat. Het is deze kou, die zovele mensen schuw maakt voor het kerkelijk leven. Het is, of onze gebouwen hiervan ook het stempel dragen. Men kan niet zeggen, dat aan onze gebouwen de schoonheid ontbreekt, men kan ook lang niet altijd zeggen, dat zij onbeduidend zijn, maar wat wij er ook hopen aan te treffen, de warmte, zoeken wij er meestal tevergeefs. Het is, of de koude muren te zeer de warmte uit het hart verdreven hebben.

Vincent van Gogh vertelt ergens in zijn brieven, dat hij het met de kerk niet meer vinden kan. Lang heeft hij het geprobeerd, hij heeft zelfs als evangelist in dienst van de kerk gewerkt, maar neen, ten slotte is hem alles toch te koud, te dood. Hij heeft, zoals hij zegt, te lang in de schaduw van de kille muren geleefd. Dan vlucht hij naar het Zuiden, Parijs, dat zal hem Maar ook daar voelt hij zich niet thuis, ook Parijs laat hem eenzaam te midden van zijn vrienden. Dan gaat hij nog verder naar het Zuiden. Het zonnige Zuiden van Frankrijk, dat zal hem van de geestelijke koude moeten verlossen. Daar schildert hij zijn schilderijen, die juichen van kleur en die fonkelen van licht. Het is echter al te laat. De demon van eenzaamheid en koude schudt Vincent niet meer van zich af en in een vlaag van waanzin beneemt hij zich het leven.

De man, die zich bij de rotsgraven ophoudt, heeft zich niet van het leven beroofd. Hier heeft de herkenning plaatsgehad, die voor het ergste behoedt. O, wonderlijke herkenning! O, wonder van God, dat de mens op het juiste ogenblik de naam Jezus, Zoon van de allerhoogste God, uitspreekt. Wel spreekt hij hem zo uit, dat het op een afwijzing lijkt, het lijkt een sterk en fel verweer, maar reeds is dit het teken van de overgave. Zoals een ingesloten leger voor het laatst een wanhopige uitval doet, zo gedraagt zich de bezetene tegenover Jezus. Het is gebeurd, de nederlaag is onontkoombaar, Christus is overwinnaar.

Christus dwingt door Zijn liefde de mens tot spreken. Maar is dit niet de biecht in de eigenlijke zin van het woord? De biecht heeft bij ons geen goede naam, in de eerste plaats, omdat wij daarbij aan Rome, maar bovenal omdat wij daarbij aan dwang denken. Maar als het nu eens de liefde van Christus is, die tot spreken dwingt, zouden wij hem dan nog moeten afwijzen? Getuigt het niet van grote ondankbaarheid, wanneer wij deze toegestoken hand weigeren? Wat gebeurt er eigenlijk, als wij in de ware zin van het woord biechten?

Als wij in de ware zin van het woord biechten, bewerkt God, dat de demon een nederlaag lijdt. Dan wordt de dankbaarheid in ons geboren, die het teken is van de overwinning. Zoals het nihilisme zonder ophouden „neen” zegt, „neen” tegen de traditie, „neen” tegen de schoonheid, „neen” tegen het geloof, zo zegt de dankbaarheid „ja.” De dankbaarheid zegt „ja,” omdat Christus de overwinning behaald heeft.

A. F. L. VAN DIJK

Humeuren en hartstochten

De Spanjaardstraat in Middelburg is nog altijd een nauwe straat, zoals in de jaren twintig van de achttiende eeuw, toen er de weduwen woonden over wie mevrouw S. Greup—Roldanus een alleraardigst boek heeft geschreven: De humeuren in de straat der weduwen.*) Vier vrouwen in één straat, alle vier vrijwel terzelfder tijd weduwe geworden toen, kort na het jaar van de windhandel, kwaadaardig slopende koortsen in het bijzonder de grote herenhuizen in deze smalle straat teisterden. Vier vrouwen bleven eenzaam achter: Bernarde de Montempré, Martje van der Vlies, Digna Quickel en Aletta Cooltuyn. Mevrouw de Montempré is verreweg de deftigste onder hen en haar nieuw opgetrokken huis maakt van binnen en van buiten een vorstelijke indruk. De bewoonster is als het huis, deftig en statig, en tracht, al is ze al grootmoeder, haar uiterlijk zo jeudig te houden als de gevel van haar royaal opgetrokken woning is. De weduwe Vg,n der Vlies is in haar ouderwetse huis een oude vrouw geworden, die van het leven niets meer verwacht. De weduwe Cooltuyn daarentegen voelt zich, ofschoon moeder van een al huwbare dochter, nog jeugdig genoeg om zich af te vragen of zij de huwelijkspretendenten voor zich zelf dan wel voor deze dochter zal bestemmen, en in deze levenslust weerspiegelt ook zij het hoge, brede herenhuis dat ten tijde van haar huwelijk een grondige vernieuwing onderging. Alleen de weduwe Quickel, de mildste en wijste en verreweg de sympathiekste van de vier, neemt geen genoegen met het sombere huis dat zij moet bewonen en besluit tot een verbouwing, die er een nieuwe geest in zal brengen. Maar deze vier matrones zijn niet de enige vrouwen uit dit boek. Tegenover het Cooltuynhuis, op de hoek van het Achterom, ligt de kamerkeuken waarin de speldewerkster Stijn Strijckebol huist met haar zoontje, terwijl haar moeder Laurien Strijckebol met een kindse tante op het lage bovenkamertje hokt. Stijn en Laurien zijn geen weduwen, in de letterlijke zin van het woord; in Zeeland spreken we in zo’n geval van een stoppelweduwe. En eindelijk is er dan nog de oude kindermeid-in-ruste Uliana van Bommenee, die boven in het Cooltuynhuis al naaiende op de dood zit te wachten en van tijd tot tijd bezocht wordt door mr. Frangoys van Hoey. Hij is in dit boek d e man en telkens opnieuw duikt hij in deze bladzijden op, zoals men hem met jeugdige nonchalance langs de Middelburgse straten ziet wandelen, een bejaarde, rijzige vrijgezel, modieus gekleed en altijd een welkome gast, die zich evengoed thuis gevoelt bij mevrouw de Montempré als bij Stijn Strijckebol. Het meest verkeert hij in het huis van zijn aangetrouwde nicht Aletta Cooltuyn, omdat hij voogd is over haar kinderen, en vooral omdat hij graag met de oude, gerimpelde en gebogen Uliana praat, die hij nog als een mooi jong meisje heeft gekend en hoe gekend! Maar dat blijkt pas op het laatst, met nog vele andere zaken die de schrijfster ons wijselijk verborgen heeft gehouden, om de ontknoping des te verrassender te maken.

De titel spreekt van de humeuren van deze weduwen, maar daarachter gaan haar hartstochten schuil, die maar sporadisch

openbreken, tenzij men de doorlopende schoonmaakwoede van de weduwe Van der Vlies onder de hartstochten zou willen rekenen. De schrijfster noemt deze driften niet in de titel van haar boek, en heeft zich daarin aangepast aan de geest der achttiende eeuw, die de geest der gelijkmatigheid en der vlakheid is. Slechts nu en dan duiken ze op, maar men weet ze altijd verborgen onder de oppervlakte van deze vrouwenlevens, waaraan ze, zoals aan dit verhaal, gloed en glans verlenen.

De stofomslag, van typografisch oogpunt beschouwd verdienstelijk werk van een ongenoemde, is in tweeërlei opzicht misleidend: in de eerste plaats omdat men er een fragment van een kaart van Middelburg op vindt afgebeeld uit een veel vroegere periode dan waarin dit verhaal zich afspeelt, en in de tweede plaats omdat dit boek hier als een roman wordt aangekondigd, waarvoor het te fragmentarisch is. Deze vrouwenlevens worden niet uitgebeeld, ze worden niet meer dan geschetst. Maar die schets geeft wel een heel levendige indruk op het leven van vereenzaamde

VONKJES

Binnenkort komt er een wetsontwerp in behandeling, waarbij werken in fabrieken, op ateliers en in grote zaken voor meisjes van veertien jaar verboden zal zijn. Verreweg de meeste lezers van „Tijd en Taak” zullen dit plan toejuichen: o.i. horen meisjes (jongens wel?) van veertien jaar nog niet in het productieproces te worden ingeschakeld, maar hebben ze een milieu nodig, waarvan opvoedende leiding uitgaat. Ze zijn in een belangrijke periode van hun ontwikkeling: in het begin van de puberteit. Ze begrijpen weinig van zich zelf en het is een moeilijk ding, de weg te vinden in het leven. Juist, als ze de hulp der volwassenen zo hard nodig hebben, sluit de schooldeur zich achter velen van hen. De fabriekspoorten gaan open. Binnen enkele weken zijn de schoolkinderen „volwassen” jonge meisjes geworden. Nylons, hoge hakken, bebop zijn de uiterlijke kentekenen. Gesprekken over jongens, over het sexuele leven zijn aan de orde van de dag. Van bewust leiding ontvangen komt niet veel meer, al zijn er natuurlijk altijd voorjuffrouwen, waar een opvoedende invloed van uitgaat. Dat dit alles in elk geval wordt uitgesteld tot het meisje vijftien jaar is, is goed. Maar... het is een halve maatregel. Leerplichtwet en Arbeidswet sluiten niet op elkaar aan. Straks met Juli komen een aantal meisjes van school, die veertien jaar en zoveel maanden zijn. Een deel van hen zou meteen naar het bedrijf zijn gegaan. Dat mag nu niet meer. Wat nu? Laten we hopen, dat een aantal nog een tijd naar school gaat. De verplichting is er echter niet. En veel meisjes zijn zo blij, dat ze wettelijk niet meer hoeven, dat ze zeker van thuis gedaan zullen krijgen, dat ze „eraf” mogen! Nu maar thuis blijven en Moeder helpen? Zolang een dienstje zoeken? Geen van beide oplossingen is ideaal! Het veertienjarige