is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 14, 03-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een privédiergaarde in de duinen bij Overveen

Dat was de kop boven een artikel, dat aan het begin van dit jaar in Trouw gepubliceerd werd. Die privédiergaarde behoort aan een jong meisje. Trouw zegt: „Dat jonge meisje is Lia Speel, dochter van een vader, die haar alles kan geven wat haar hartje begeert en dat komt goed uit, want dat hartje begeert heel wat.”

Ik vind Trouw uit journalistiek oogpunt beschouwd, een voortreffelijke krant, maar uit christelijk oogpunt vind ik het toch een bedenkelijke geschiedenis, dat een christelijk dagblad zo schrijft, want ik meen nog altijd, dat de Bijbel ons leert, dat het helemaal niet zo goed is, dat het hart van een mens zo begerig is, en dat het nog veel minder goed is, dat een mens alles krijgt wat zijn hart begeert.

Hoe dit zij, het hartje van Lia'Speel begeert heel veel. Lia wil niets minder dan van alle uitheemse diersoorten en dan liefst de zeldzame die op aarde voorkomen, een paar te bezitten. Zij heeft er honderden, meest vogels nog, maar zij is al hard bezig, een flinke privédiergaarde van grote viervoeters op te bouwen. Trouw vertelt, wat zij zoal bij elkaar gebracht

heeft: drie yaks, twee kamelen, een paar zeboe’s, twintig alpaca’s, twee lama’s, een paar bizons, een paar zebra’s en wat schapen uit de Kaukasus.

De waarde van al deze dieren met elkaar durft Trouw niet te schatten: „Het moet in de tonnen lopen.” Maar Lia Speel rekent niet met tonnen. Zij rekent met dieren, zoals een postzegelverzamelaar rekent met postzegels. Haar vogelfarm is geweldig; kakatoe’s, papegaaien, fazanten, zwemvogels, struisvogels, pauwen, ganzen, parkieten, paradijsvogels en zo maar voort, ’s Winters zitten de meeste vogels in een van de kassen, waarin in de zomer de druiven, de perziken en de andere vruchten gekweekt worden, nodig, omdat de uit de wildernis komende dieren aan lekkere gerechten gewend zijn.

Voor de verzorging van al haar dieren heeft Lia Speel drie dames in haar dienst. De verslaggever van Trouw heeft ook een paar apen gezien, maar die deden verlegen, toen hij in hun domein binnendrong. Zij zien ook nooit een vreemde, zei Lia Speel ter verontschuldiging. Neen, zegt de man van Trouw, zij zien nooit een vreemde, deze

bewoners van de Overveense diergaarde. Lia Speel wil dat niet. Het is haar privébezit!

Twee foto’s verluchten het artikel; een foto van Lia, die een kameel een emmer melk laat leegslobberen, en nog een foto van Lia, die de lama’s voert met suikerklontjes.

De lezers van Trouw zullen het wel een gezellig artikel hebben gevonden.

Ik vind het een verschrikkelijk artikel en ik vind het onbegrijpelijk, dat een christelijk dagblad zo’n reportage opneemt.

Een jong meisje, dochter van een rijke vader, die haar alles kan geven en ook inderdaad geeft, wat haar hartje begeert, en dat komt goed uit, want het hartje begeert heel wat.

En Lia weigert bezoek: het is alles haar privébezit!

Ik zou wel eens willen weten, wat Ria Jansen uit de Govert Flinckstraat in mijn wijkgemeente over Lia Speel denkt. Die Ria heeft ook een hartje, dat heel wat begeert. Maar haar vader werkt in de DUW en kan haar niet alles geven, wat haar hartje begeert. Hij kan haar zelfs niets geven van wat haar hartje begeert. Ria werkt op een atelier en zij moet iedere Zaterdag bijna haar hele weekloon aan moeder afdragen. Anders komen zij er thuis niet. Ria heeft helemaal geen privébezit. Niet eens een zolderkamertje, want dat moet ze nog delen met twee jongere zusjes.

Toch heb ik met Lia Speel uit de duinen in Overveen meer meelij dan met Ria Jansen uit de Govert Flinckstraat in Amsterdam. Omdat ik nu eenmaal niet geloof, dat een jong meisje, dat alles krijgt wat haar hartje begeert, gelukkiger is dan een jong meisje, dat misschien per week een rijksdaalder zakgeld krijgt, maar verder de zorgen van het gezin mee moet dragen. Omdat ik nu eenmaal meen, dat het nooit Gods bedoeling kan zijn, dat een kind een diergaarde, die in de tonnen loopt, als privébezit heeft, waarvan zij op haar eentje geniet, zonder anderen in haar genot te laten delen.

Zo’n privédiergaarde van een jong meisje is een uitwas van onze maatschappij. Vader zorgt ervoor, dat de tonnen voor deze privédiergaarde beschikbaar zijn. Vraag niet, hoe groot zijn inkomen en zijn vermogen zijn.

Ik heb meelij met een meisje, dat op deze wijze alles krijgt wat haar hartje begeert, en deze privédiergaarde als maatschappelijk verschijnsel het privébezit van een kind vind ik decadent en weerzinwekkend.

Zo is onze maatschappij blijkbaar nog altijd, ondanks alle strijd voor menselijkheid en gerechtigheid.

Dat zelfs een christelijk dagblad als Trouw zo’n reportage zonder enige kanttekening of een enkel woord van critiek publiceert, is een symptoom van de hardheid van onze harten.

Zo’n privédiergaarde, die tonnen kost, zo’n privébezit van een jong meisje, is een rotte plek in onze wereld.

En zulke rotte plekken moeten worden uitgesneden, niet alleen ter wille van al de Ria’s Jansen, die niet meer dan een rijksdaalder zakgeld per week krijgen, maar ook en voor ter wille van al de Ria’s Speel, die alles krijgen, wat hun hartje begeert.

Zolang er echter zulke rotte plekken in onze maatschappij bestaan, moet Ria Jansen uit de Govert Flinckstraat toch maar niet jaloers wezen op Lia Speel in Overveen en moet een christelijk dagblad van zo’n rotte plek niet een gezellige reportage voor zijn lezers maken.

J. J. BUSKES Jr

Scène uit: ~Goeie morgen, olifant!”

vers, voelt niets voor déze gast. Pas wanneer de onderwijzer een van de zeer weinige keren dat-ie kwaad wordt heeft gedreigd: „Dan maar naar het communistische wijkbestuur ermee!”, belooft zij onderdak aan het goede dier.

Dat het na de stad in rep en roer te hebben gebracht uiteindelijk toch door de Dierentuin wordt gekocht en dat voor dit geld papa-onderwijzer en zijn gezin de huurschulden kunnen betalen en schoenen voor de kinderen kunnen kopen, verheugt ons. Maar zullen zij het voorgoed... goed hebben? Weg is de grappige olifant, weg

de sympathieke sprookjesprins, weg zijn geld ... Maar de hoop ... de hoop blijft. De hoop op een stukje land. En op een staking van al die meesters en schooljuffrouwen. Zullen zij eindelijk gaan staken? Zij vergaderen, doen verontwaardigd ... en wanneer de film eindigt, staan ze er even beroerd voor als toen de film begon. Een druk gesticulerende en redenerende onderwijzer Garetti, kind naast zijn kinderen, verdwijnend in het grijze Rome; het laatste beeld van deze film.

Heel deze film is een weemoedige glimlach. Een glimlach om de onrechtvaardigheid in onze wereld, waar men, om niet onder te gaan, zijn toevlucht moet zoeken bij dieren, kinderen, onzakelijke prinsen en dromen. En natuurlijk is het de man, die zich de weelde van fantasie kan veroorloven. De vrouw heeft het te druk met de zorgen van iedere minuut. Nee, in de vlek op de muur kan zij geen paard zien...

Al schijnt de film met zijn sociale nood, ruziënde huisbaas, kwaje buren, Sabu-prins, buigende diplomaten en onverschillige politie-agenten soms onevenwichtig: al met al staat „Goeie morgen, olifant!” toch ergens in de buurt van De Sica’s „Umberto D.” en „Wonder van Milaan”. H. WIELEK