is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 15, 10-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan Eekhout

Jan Eekhout kende ik voor de oorlog alleen door enkele van zijn romans en vooral door zijn „De Neger zingt”, een bundel door hem vertaalde Negerliederen.

In de bezettingstijd kreeg ik van hem een bundel „Groot Duitsche Dichtkunst” in handen. Een griezelig boek, dat mij ervan overtuigde, dat Eekhout, half Vlaming, half Nederlander, helemaal fout was. Hij spreekt in de inleiding op dat boek over de Duitse dichter, die dieper dan ooit werd doordrongen van de betekenis van het heiiig woord vaderland. Hij beweert, dat volk en bodem verloochenen de dood van alle poëzie beduidt. Waarachtige kunst is bloed. De Nederlandse dichters moeten het voorbeeld van hun Duitse kunstbroeders volgen. De Duitse poëzie van die dagen was volgens Eekhout de stem van het Duitse volk en zijn ziel. Groot Duitsland zingt en zijn zingen is een religieuze handeling, want. het nationaai-socialisme is niet enkel een politiek, het is in zijn diepste grond een sublieme levensbeschouwing en een subliem levensgeloof. Daarom is zijn politiek honderd werven christelijker dan de politiek van de voor-oorlogse democratie. Het nationaalsocialisme wil het geluk van het volk.

Tegen de achtergrond van deze beschouwingen geeft Eekhout dan een vertolking van Duitse gedichten uit de nationaalsocialistische tijd, waarin het eeuwige Duitsiand bezongen wordt. Eén van die gedichten eindigt met de woorden: „Lachend sterf ik, opdat gij leve, Duitsland!” Er staan krankzinnige en Godslasterlijke gedichten in deze bundel: over het eeuwige Rijk met zijn Kracht en Zijn Heerlijkheid, over de Duitse goddelijke ziel, over de Duitse onsterfelijkheid. Baldur von Schirach ontbreekt niet, de waanzinnige, die tot Hitler zegt: „Ik ben Gij en Gij zijt mij, en ons allen is Duitsland, als God nabij!”

Ik had het gevoel, dat Eekhout gek geworden was, bezeten door een modem en wanstaltig heidendom.

En nu, in 1954, komt Eekhout met zijn „Vlucht naar de vijand”, door hem geschreven, om zich zelf van een innerlijke last te bevrijden.

Het boek wordt ingeleid door Anton van Duinkerken, die van dit boek zegt: „Het is een bekentenisboek van een man, die emstig gefaald heeft en die zich bewust is, ernstig gefaald te hebben.”

Van Duinkerken, van den beginne een fél bestrijder van het nationaal-socialisme, vertelt over zijn vriendschap met Eekhout sinds 1927 en tracht enigermate een psychologische verklaring te geven van diens keuze voor de NSB. Eekhout gevoeide zich als christelijk schrijver en dichter miskend, snakte naar kameraadschap, zocht die echter niet waar ze te vinden zou zijn geweest en begon in zijn teruggetrokkenheid te mokken.

Nog in 1939 verscheen Eekhouts „De Antichrist”, waarin hij zijn angst voor het totalitarisme onder woorden tracht te brengen. Het is dan ook voor Van Duinkerken een onoplosbaar raadsel, hoe een dichter, die in een gedicht de totalitaire leider uitbeeldde, zich aansluiten kon bij de nationaal-socialistische beweging: „Het enige, dat ik er met zekerheid van zeggen kan, is.

dat hij daar niet thuishoorde.”

Van Duinkerken heeft Eekhout gewaarschuwd. Hij heeft hem bezworen, de onzin te laten varen. Eekhout verwachtte echter een heilige kameraadschap van letterkundigen, gelijk er nooit één bestaan had: „Waarop die Üiusie zich vestigde, begreep ik niet. Ik begrijp het nog niet.”

In 1942 verzocht Eekhout Van Duinkerken lid van de Kultuurkamer te worden. Deze bracht hem aan het verstand, dat hij daar niet op rekenen moest en waarom niet. Dit was het laatste contact behalve een zijdelings blijk van belangsteliing van Eekhouts kant, toen Van Duinkerken gijzelaar werd. Deze heeft daar niet op gereageerd: „Na 15 Augustus 1942 Duitsgezind te blijven, beschouwde ik als een verblindheid, waartegen geen vriendenraad mogelijk was.”

In April 1946 ontving Van Duinkerken de mededeling, dat Jan Eekhout ernstig ziek lag in een militair hospitaal bij Oostende. Er volgde een afschuwelijke lijdensgang, totdat Eekhout eindelijk in Zwolle in een kamp werd ondergebracht.

5 Augustus 1947 kwam hij voor het Leeuwarder Tribunaal. Er waren drie beschuldigingen: 1. Hij was lid van de NSB tij dens de bezetting en hij bleef dat tot het einde; 2. Hij verleende hulp aan de vijand door samen te werken met dr. Van Ham, het hoofd van de afdeling boekwezen van het departement van Volksvoorlichting, en zich beschikbaar te stellen als leider van de vakgroep Letterkunde; 3. Hij maakte propaganda voor de NSB door als medewerker van nationaal-socialistische bladen nationaal-socialistische poëzie te publiceren.

Bovèndien bleek, dat Eekhout zich over literaire kunstbroeders op onverantwoordelijke wijze had uitgelaten. Of hij zich rekenschap heeft gegeven van het gevaar, staat volgens Van Duinkerken zeer te bezien. Hij gelooft dat niet, omdat Eekhout en Van Ham vrienden waren, de correspondentie een vriendschappelijk karakter droeg en Eekhout geen reden had, om te wachten, dat Van Ham zijn onbUiijke inlichtingen zou misbruiken. Dit is ook niet gebeurd.

Eekhout gaf alles toe. Hij verklaarde, in 1939 door de Russische aanval op Finland zijn hoofd verloren te hebben en sindsdien steeds meer in de war te zijn gebracht en in een droom te hebben geleefd.

1 October 1947 werd Eekhouts internering opgeheven wegens zijn zeer zwakke iichamelijke toestand. Hij bezat noch huis noch huisraad en mocht gedurende tien jaar niet publiceren. Zowel physiek als psychisch was hij een gebroken man.

Dat is in het kort de geschiedenis van Jan Eekhout.

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik, ondanks de inleiding van Van Duinkerken, de houding van Jan Eekhout niet begrijp. Ik vind die houding in de oorlogsjaren afschuwelijk. Dit niet begrijpen is het meest gunstige, wat ik kan opbrengen. Van Duinkerken verzekert, in Eekhout nooit een kwaadaardige vijand van het vaderland te hebben gezien, maar slechts een begoochelde dromer.

Wat belangrijker is: Eekhout heeft, geheel ontgoocheld door zijn ervaringen in de NSB, ingezien, op hoe ellendige wijze hij

gefaald en gedwaald heeft. De dingen, hem ten laste gelegd, heeft hij bedreven. Het is echter zeker, zegt Van Duinkerken, dat hij rouwmoedig betreurt, ze te hebben bedreven: „Voor die gesteltenis kan ik instaan.”

Ik ken Van Duinkerken al vele jaren. Daarom aanvaard ik deze verklaring. Ik weet echter, dat het velen moeilijk zal vallen, dit met mij te doen.

Het schijnt moeilijker, te geloven in de oprechtheid van het berouw van politieke deiinquenten dan in die van echtbrekers, dieven en moordenaars. Het wil mij echter voorkomen, dat wie op de christennaam prijsstelt zich zal moeten hoeden voor de bij velen levende overtuiging, dat wie in de oorlogsjaren gefaald heeft nooit meer te vertrouwen is en dat men achter de oprechtheid van het berouw van politieke delinquenten altijd een groot vraagteken moet zetten.

De ellende is, dat deze overtuiging gevoed wordt door de houding van nog veel meer anderen, die slapheid en barmhartigheid als synoniemen beschouwen en voor wie vergeving betekent misdaad niet zo erg vinden en door de vingers zien.

Men denke er verder aan, dat wat Van Duinkerken meedeelt, feiten zijn, voor een deel domme feiten, maar anderdeels de samenvatting van een lange lijdensgeschiedenis, menseiijkerwijs gesproken lang en zwaar genoeg, om er grotere vergrijpen in uit te boeten dan waarvan Eekhout beschuldigd kan worden.

Niemand kan barmhartigheid eisen. Men kan haar enkel vragen, zegt Van Duinkerken terecht. Dat men eisenderwijs barmhartigheid voor rechtvaardigheid gesteld heeft willen zien, heeft de zaak van de reclassering van politieke delinquenten veel kwaad gedaan: „Ook met het evangelie in de hand kan men geen gemest kalf laten slachten, wanneer de weergekeerde zoon een handelszaak in zwijnendraf zou willen openen. Er moet berouw zijn voor vergiffenis.”

Tot het betonen van barmhartigheid blijft echter elk mens vrij en deze vrijheid vraagt eerbiediging, wil niet alle genade haar werkkracht verliezen. Van Duinkerken besiuit zijn inleiding met dit prachtige woord: „In een vrije samenleving bezit de mens het recht om schulden te vergeven.”

Het is mijn vaste overtuiging, dat wij in Nederland van dit recht weinig gebruik maken.

Er is een kleine groep, die fel weigert, het te doen.

Er is een grote groep, die zich zeif wijs maakt, dat zij het doet maar zich gruwelijk bedot: zij vergeeft geen schulden, maar ziet schulden door de vingers, hetgeen voor waarachtige vergeving een bedenkelijke zaak is.

Zullen er zijn die vraag mag en moet in deze dagen voor Goede Vrijdag worden gesteld die inderdaad ook in het gevai van Jan Eekhout gebruik maken van het recht om schulden te vergeven?

Ik hoop het van heler harte, want alleen zij zullen Jan Eekhout en zovele anderen met hem ervan krmnen overtuigen, dat zelfs de zwakste democratie honderd keer christelijker is dan het sterkste nationaalsocialisme. Hierin staat de democratie diametraal tegenover het nationaal-socialisme, dat het zijn vijanden een nieuwe kans geeft. Van Duinkerken heeft gelijk: in een vrije samenleving bezit de mens recht om schulden te vergeven.

J. J. BUSKES Jr.

P.S. In een volgend artikel hoop ik het boek van Jan Eekhout te bespreken.