is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 15, 10-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jaarvergadering van de AG

Getrouwe lezers zullen zich herinneren, dat men in Bentveld in de loop van het vorig jaar alarm heeft geslagen. Moet Bentveld doorgaan? was de vraag, die, vanwege zijn alarmerend karakter, ook in de grote pers doordrong en aanleiding tot allerlei geschrijf gaf.

Wij hielden een buitengewone vergadering in November, nodig voor statutenwijzigingen, en daar zeiden wij: Bentveld gaat natuurlijk wél door.

Nu hebben wij in het afgelopen weekeinde opnieuw onze jaarvergadering gehouden en nu bleek, dat sinds die alarmkreet geslaakt was, het werk inderdaad méér had aangeslagen.

De vergadering werd nu niet op Zondagmiddag, maar op Zaterdagavond gehouden. Er waren 77 leden aanwezig. Dat is veel. Wij hebben onze leden verspreid over het gehele land. Ze zijn thans 540 in getal. Als daarvan 15 pet. op de vergadering komt, dan is dat een teken van hartelijk meeleven.

Er zijn altijd drie punten op zo’n vergadering, die aandacht vragen. Het jaarverslag, de financiën en de bestuursverkiezing. Over alle drie valt iets te melden.

Het verslag over het werk gedurende 1953 getuigt van een belangrijke toename van activiteiten. Het lijkt niet veel, maar het is een hoog getal, wanneer een organisatie als de AG die niet gebonden is aan een massabeweging, in een jaar 2000 mensen binnen haar werkingssfeer krijgt. In groepjes van 25 tot 60 personen. Zij blijven allen langer of korter, maar toch minstens 24 uur. Het bleek, dat dit resultaat alleen kon bereikt worden, door een zeer intensieve en persoonlijke propaganda, door weinig „algemene” onderwerpen aan de orde te stellen en veel groepen speciaal aan te spreken. Daarbij bleek ook, dat het hoe langer hoe meer als ballast wordt gevonden, wanneer men drie lezingen gedurende het weekeinde gaat houden. Tegenwoordig zijn het er steeds twee, met veel tijd voor gesprek. Eh het bleek tevens, dat ook het voeren van een gesprek in groepsverband een voorwerp van wetenschappelijke studie wordt.

Welke onderwerpen „doen” het? Dat is niet zo precies te zeggen. Meestal komen mensen als de sprekers én het onderwerp hun aanstaat. Er is ook niet een uitgesproken voorkeur voor godsdienstige of politieke onderwerpen, wel voor zaken, die ergens het eigen bestaan wezenlijk raken.

Uit het jaarverslag bleek eveneens, dat dit werk alleen maar geschieden kan door een flinke, deskundige staf. Een geestelijke, administratieve en huishoudelijke staf. Daaruit volgt, dat het werk zich zelf volstrekt niet meer bedruipen kan. Alleen héél rijke mensen zouden het kunnen betalen, wanneer men werkelijk de kostprijs voor een weekeinde ging rekenen. Gelukkig is het thans zo, dat de overheid dit vormingswerk in internaatsverband noodzakelijk acht voor ons volksleven en ook de AG krachtig subsidieert. Zoals ze dat eveneens de volkshogescholen doet. Maar zelfs met deze subsidie komen wij er niet. Gelukkig zijn een aantal financieel sterke organisaties van de arbeidersbeweging bereid ons te helpen, bijv. de „Centrale”. En even gelukkig is het, dat deze kleine kring van leden een offervaardigheid betoont, die ons alleen steeds weer verheugt en ons incidentele pessimisme beschaamt.

Hiermede zijn wij op het punt financiën aangekomen. Daar is betrekkelijk weinig over gesproken. De penningmeester, Elfers, kon een rekening aanbieden met een tekort, dat ongeveer door de te verwachten rijkssubsidie werd gedekt. Voor het eerst in de jaren na de oorlog klonk een iets vrolijker, ofschoon helemaal geen juichend geluid, over de materiële positie van de AG.

Over de functie van de overheid als Rijke Oom zou veel te zeggen zijn. Banning, directeur van vóór 1940, heeft zo iets niet kunnen dromen. Ofschoon er toen al tekenen waren, die op een dergelijke ontwikkeling wezen. Wij kregen toen immers geld om de werklozen aan de gang te houden in zin vol werk. Zo kwam het lezingzaaltje tot stand en zo kreeg het gebouw zijn vleugelachtig aanzien. Maar het maakt toch een verschil, of men geld voor speciaal werk krijgt, dan wel of het werk als zodanig gesubsidieerd wordt. Dat daarbij nieuwe problemen opduiken, spreekt vanzelf. De overheid moet controleren. Men moet voldoen aan bepaalde eisen, in ministeriële regelingen vastgelegd. Het is waarlijk niet zo, dat een ambtenaar uit Den Haag beleefd komt vragen, hoeveel wij nu weer nodig hebben om rond te komen en dan haastig een cheque schrijft. Beleefd is hij wel als hij komt, maar hij vraagt ook veel, en het geld komt pas na deugdelijke contröle. Wat rechtvaardig, maar tijdrovend is.

De bestuursverkiezing nam niet veel tijd. Alle bestuursleden treden elk jaar af en zijn terstond herkiesbaar, voor zover zij

zich opnieuw beschikbaar stellen. Dit laatste was niet het geval met de penningmeester, A. Elfers. Het speet ons, dat wij afscheid van hem moesten nemen. Hij werd penningmeester na v. d. Kieft, en stond in 1946 voor een chaos, die uiteraard niet door de vorige penningmeester, maar door de bezetters was veroorzaakt. Rechtsherstel, financiering verbouwingen, nieuwe boekhoudkundige eisen, ga maar door. Hij, man van het vak, heeft zich daar voortreffelijk van gekweten en het was hem en ons een voldoening, dat hij, bij zijn vertrek, een niet al te sombere rekening kon aanbieden.

In zijn plaats werd het Eerste-Kamerlid P. J. Kapteyn benoemd, ditmaal een man uit het industriële leven.

Ook J. G. Suurhoff stelde zich als bestuurslid niet meer beschikbaar. Zijn ministeriële functie bleek toch een verhindering te zijn om deel te nemen aan het bestuursberaad. Hij was nog niet zo lang geleden bestuurslid geworden en had dus ook nog niet zoveel gelegenheid om aan het bestuurswerk deel te nemen. Wij wisten evenwel van zijn warme sympathie voor de AG, die hij meermalen liet blijken.

In zijn plaats koos de vergadering F. Sparreboom uit Vlaardingen, veiligheidsinspecteur bij Wilton-Fijenoord.

Tevens werd het bestuur met één lid uitgebreid. Wij meenden, dat het goed was mevrouw E. J. Wilzen-Bruins, dochter van de oprichter van ons blad en vóór haar huwelijk adjunct-directrice van Bentveld, te moeten vragen méé de verantwoordelijkheid voor het werk te willen dragen.

Twee zaken van wijder belang kwamen eveneens aan de orde.

In de eerste plaats: moeten wij, zoals voor 1940, opnieuw groepen in de verschillende delen van het land organiseren? Wij moeten het nu wel erg hebben van het landelijk verband. Vroeger bestonden er afdelingen van het Rel. Soc. Verbond, later van de Rel. Soc. Gemeenschap. Men hield openbare en besloten bijeenkomsten. Daardoor spreidde zich de discussie en straalde de invloed van ons werk verder.

Wij zijn er niet uitgekomen. Het bleek, dat men in de grote steden, met alle vele activiteiten die kerken en partij ten toon spreiden, er huiverig tegenover stond. In kleinere plaatsen achtte men het wél zin te hebben. Wij zouden het prettig vinden, wanneer men, waar behoefte aan een dergelijk contact bestaat, even een briefkaartje naar dr. A. van Biemen, Bentveld, schrijft.

Het tweede punt is: Kortehemmen. Ons gebouw en het werk in Friesland. Daar gaat het maar moeizaam. Niet omdat het de leiding aan ijver ontbreekt, integendeel. Maar waarschijnlijk, omdat de noordelijke provincies minder behoefte hebben aan een regelmatig contact op onze manier van samenkomen. Daarbij zijn ook de verkeersmiddelen een hinderpaal. Men kan bijv. van Assen vlugger en vaker naar Bentveld komen, dat 200 km ver ligt, dan naar Kortehemmen, dat 50 km van Assen ligt. Toch zou het weleens kunnen blijken, dat ons werk juist heilzaam is voor dit deel van het land, dat zo sterk aan het veranderen is. Daarom houden wij ook in Kortehemmen vol.

Ziehier de opmerkingen, die ik graag deed naar aanleiding van de jaarvergadering van die merkwaardige vereniging, die Arbeidersgemeenschap van Woodbrookers in Holland heet en die ditmaal de duidelijke belangstelling van haar leden en van die van de leiding der zusterverenigingen, de Barchembeweging en De Vonk, had.

L. H. R.