is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 16, 17-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doorbraak in België

De voor de socialisten zo gelukkige uitslag der Belgische verkiezingen is voor alles belangrijk door de doorbraakverschijnselen welke er uit blijken. Het meest interessant in dit verband is het feit, dat de toename van het aantal kiezers in het roomse Vlaanderen de socialisten veel duidelijker ten goede is gekomen dan de (katholieke) CVP.

Of hier in overtuigende mate van een bewuste doorbraak sprake is, valt te bezien. Het heeft er alle schijn van, dat de stemmenovergang naar de socialisten (en ook naar de liberalen) meer naar aanleiding van practische bezwaren tegen het roomskatholieke bewind heeft plaatsgevonden. Zulks is met name waarschijnlijk geworden door de rechtse stromingen in de CVP, die zich thans sterker dan in de eerste jaren na de oorlog weren. Nu bij deze verkiezingen emotionele zaken als de koningskwestie niet meer in het geding zijn geweest, ligt het voor de hand, dat bij de katholieke ar-

beiders de belangstelling weer veel meer op de sociale en economische kanten van de politiek der CVP is gericht.

Het is stellig overdreven om te zeggen, dat de CVP een zuiver rechtse koers had uitgezet, maar de belangenstrijd tussen de verschillende sociale groeperingen, die zich gedurende het laatste halfjaar binnen de CVP af tekende, gaf in elk geval blijk van een duidelijke tendentie in deze richting. Belangrijk en bemoedigend is, dat Vele katholieke arbeiders in België zich niet meer bij hun politieke keuze door hun confessie alleen hebben willen laten leiden. Daarmee gaat België verder voort op de weg, die zich ook in ons land steeds duidelijker af tekent. Een partij kan nu eenmaal niet vooruitstrevend, conservatief en liberaal tegelijk zijn.

Op het moment, dat wij dit schrijven, is de definitieve uitslag nog nauwelijks bekend. Laat staan, dat er reeds enig nieuws is omtrent de komende kabinetsformatie. Er zijn in dit opzicht vier mogelijkheden, nl. een coalitie van liberaal en katholiek, van liberaal en socialist, van socialist en katholiek, en van de drie partijen te zamen. De beide laatste mogelijkheden liggen het meest voor de hand. Een samengaan van liberalen en katholieken nl. zou noodzakelijkerwijs de rechtervleugel van de CVP een onverdiende kans geven. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat de leiding van de CVP zo’n koers, waardoor de greep op de arbeiders nog verder zal verslappen, ambieert.

Een samengaan van liberalen en socialisten zou alleen dan zin hebben, wanneer de socialistische partij de culturele politiek boven de sociaal-economische zou stellen. Onder het nu voorbije uitsluitende katholieke bewind n.l. is er op cultureel gebied met name ten aanzien van het onderwijs veel tot stand gekomen van wat men overdreven gezegd „clericale verlangens” kan noemen. Een links bewind van socialisten en liberalen zou deze ontwikkeling weer te niet kunnen doen.

Om verschillende redenen is dat niet erg aanlokkelijk. Ten eerste was een gedeelte dier z.g. clericale verlangens niet onterecht; vervolgens zou zulk een politiek nieuwe wapens verschaffen aan de verzwakte CVP. Als de socialisten de huidige ontwikkeling naar doorbraak willen bevorderen, dan zullen zij dit terrein niet moeten betreden. Zulks geldt te duidelijker, omdat een coalitie met de liberalen ernstige belemmeringen op sociaal en economisch terrein zou opleveren.

Gezien de beperking der mogelijkheden in zake de sociale politiek is ook een coalitie van de drie partijen voor de socialisten niet zonder meer aanlokkelijk. Blijft dus over een samengaan van socialisten met het progressieve gedeelte van de CVP. Een rooms-rode coalitie, die hoever zij momenteel nog van verwerkelijking schijnt af te zijn waarschijnlijk ernstig onder ogen wordt gezien.

H. VAN VEEN

WAT LEEFT ER ONDER DE QUAKERS?

Meestal weten we daar weinig van af. En toch is er een eenvoudige weg om erachter te komen. De Quakers zijn namelijk georganiseerd in jaarvergaderingen, die een groter of kleiner gebied omvatten, welks leden eens in het jaar plegen samen te komen, zoals de naam reeds aanduidt. Het voor ons belangwekkende is echter, dat zij de vaste gewoonte hebben om op deze jaarvergaderingen zendbrieven op te stellen, die aan de afwezige leden en belangstellenden worden toegezonden om deze een indruk te geven van wat er is behandeld en besproken, en wat er onder de deelnemers leefde.

Wanneer men dan ook deze zendbrieven uit de uiteenlopendste hoeken van de wereld eens doorbladert, krijgt men een vrij aardige indruk van wat er omgaat in hun midden, en hoe zij denken over de verschillende actuele vraagstukken, die hen bezighouden. Soms werpen deze brieven een verrassend licht op de toestanden en dingen. Wij herinneren ons een epistel van een jaarvergadering uit het hartje van Afrika, waar zich in de laatste decennia een belangrijke Quakergemeente heeft ontwikkeld. Daarin vertelden deze Negers, hoe zij afkomstig waren uit wel tien verschillende stammen, die tot voor kort elkander onophoudelijk op leven en dood in de haren zaten, zodat het eenvoudig niet mogelijk was zich in het gebied van een andere stam te wagen. Nu echter betioorde dat tot het verleden en waren zij bijeen als één groot huisgezin. Van twist en tweedracht was geen sprake meer, en de brief besloot met de verbaasde vraag, hoe het mogelijk was, dat de christenen uit de landen, die hun het evangelie des vredes hadden ge-

bracht, zelf nog werden verscheurd door tweedracht en oorlog.

Deze zendbrieven onderhouden een levendig contact tussen de verschillende Quakergroepen. Zij zijn langzamerhand te talrijk geworden om alle te worden voorgelezen, zodat men zich meestal beperkt tot een samenvatting, die het belangrijkste uit de diverse epistels overneemt en doorgeeft. Het zijn deze samenvattingen van het belangrijkste uit de diverse zendbrieven, die in beknopt bestek soms een treffend beeld geven van wat er in de Quakerwereld omgaat. Aan de hand van zulk een samenvatting, die werd gepubliceerd in het orgaan der Duitse Quakers, willen wij hier een en ander mededelen. We laten daarbij het zuiver religieuze gedeelte rusten en beperken ons tot de reacties op verschillende brandende vraagstukken van de dag.

Het rassenvraagstuk is wel een van de brandende problemen, die de Quakergemoederen bezighouden, vooral omdat de meningen daarover uiteenlopen, en de vrienden uit Zuid-Afrika er zelf meer op uit zijn om verzoenend werkzaam te zijn tussen de verschillende rassen, terwijl men elders sterker geneigd is om de nadrük te leggen op de principiële eisen van het evangelie, die in de practijk wensen te worden verwezenlijkt. Dat dit vraagstuk ook in de brieven doorklinkt, spreekt welhaast vanzelf: „De toestanden in Afrika betekenen voor ons het grootste en moeilijkste probleem sinds de afschaffing van de slavernij,” schrijft Londen, terwijl de vrienden uit Wilmington, in de Verenigde Staten, zich af vroegen, of zij wel voldoende meeleefden met de moeilijkheden op dit punt elders.

Ook het sociale vraagstuk houdt uiter-

aard de gemoederen bezig. lowa wekt op om te arbeiden voor de vrede, voor hulpwerk in te weinig ontwikkelde gebieden en voor het opheffen van maatschappelijke ongelijkheden en ongerechtigheden, terwijl Ohio zich bezorgd maakt over de spanningen tussen kapitaal en arbeid.

Pacific Yearly Meeting is niet de enige, die de schaduw van wantrouwen, internationale spanningen en vrees zwaar op de wereld voelt drukken. Daar smeekte men om moed en inzicht, ten einde werkelijk in staat te zijn te leven uit de Geest Gods, die oorlogen onmogelijk maakt. Australië liet een agressiever geluid horen: „Wij moeten het aandurven om zonder vrees door te denken en het compromis af te wijzen, in de vaste zekerheid, dat ons onooglijke leven machtig kan worden door Christus, en dat de volmaakte liefde alle vrees uitdrijft.”

Japan klaagt zijn nood over toenemende bewapening: „Hoewel er een sterk verzet tegen bewapening bestaat in ons land, hebben de voorstanders van de herbewapening toch stap voor stap terrein gewonnen, zodat er een groot verschil bestaat tussen dit jaar en het vorige. Zij, die de vrede willen handhaven, hebben met toenemende moeilijkheden te kampen.” Geen wonder, dat men het handhaven van het vredesgetuigenis beschouwde als een der brandende taken voor de Japanse Quakers.

Telkens blijkt weer uit deze brieven, hoe het besef met elkander een wereldwijde gemeenschap te vormen een sterke en bezielende kracht is, te meer waar deze gemeenschap niet slechts in abstracte bestaat, doch door wederzijdse bezoeken, zendbrieven en internationale samenkomsten tot een concreet ervaren werkelijkheid wordt. Wij citeren slechts enkele stemmen. Phila-