is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 16, 17-04-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delphia schrijft: „Bezoeken van vrienden uit andere jaarvergaderingen, de Quakerrondzendbrief aan onze kinderen en de voorlezing van de brieven van u allen hebben ons gesterkt en onze wijdingssamenkomsten en zakenvergaderingen verdiept.” En de kleine Japanse groep getuigt: „Door de verslagen van onze afgevaardigden naar de wereldconferentie zijn wij ons zeer sterk bewust geworden, dat we niet maar een zwak, alleenstaand groepje zijn, doch deel uitmaken van de grote gemeenschap der vrienden.” Ook Zuid-Afrika getuigt van de bezieling, die de afgevaardigden ter wereldconferentie uit Oxford meebrachten, terwijl Wilmington schrijft: „Door de verslagen van de conferentie beseften wij de dringende noodzaak om ons dagelijkse leven te maken tot een levend getuigenis van onze Quakerboodschap. Wij vragen ons af, of wij bereid zijn God om kracht, liefde en moed te bidden, en in navolging van Christus elke dag van ons leven tot een waagstuk te maken en zo te tonen, dat het christelijke geloof een revolutionnerende kracht is.”

Denemarken klaagt over het leed der mensheid. „Maar wij weten het heel zeker: er bestaat een geneesmiddel voor alle lijden. In ons leeft de behoefte om aan allen, die dodelijk vermoeid, innerlijk verscheurd en vol angst zijn, de kracht te verkondigen van het levende zwijgen. Wij hebben in dit zwijgen de tegenwoordigheid Gods ervaren en worden gedreven door een brandend verlangen om anderen deelgenoot te maken van die ervaring. In het zwijgen voor God, alleen, en dieper nog in het gemeenschappelijke samenzijn, ervaren wij, dat God steeds tegenwoordig is.”

De Franse vrienden schrijven: „Wij mogen niet vergeten, dat het Pinksterfeest niet alleen maar een historisch gebeuren is geweest, maar een blijvende ervaring kan zijn. De mens, die midden in deze wereld staat, ziet zich geplaatst voor de problemen van oorlog, ongerechtigheid, armoede en onverstand. Alleen het eeuwige licht van Christus stelt hem in staat in deemoed, waarachtigheid en liefde met deze problemen te worstelen.” Londen voegt hier nog aan toe: „Wij zijn geroepen om levende brieven van Christus te zijn, opdat door de liefde van onze harten anderen in vuur worden ontstoken. Dat is slechts mogelijk, wanneer onze ziel in voortdurende gemeenschap met God leeft. Wij mogen Hem niet slechts datgene aanbieden, dat voor ons geen offer is. De liefde, blijdschap en vrede van Christus zullen slechts dan in ons toenemen, wanneer we bereid zijn evenals hij het kruis te aanvaarden.”

De Quakers op Jamaica zien in de Quaker-boodschap een levende kracht, die als een lichtende fakkel moet worden uitgedragen tot in de donkerste uithoeken der wereld, terwijl New York wijst op twee waarheden, die aan George Fox werden geopenbaard: dat de zoekende ziel een rechtstreekse boodschap van God ontvangt, en dat de mens door die goddelijke leiding in staat wordt gesteld in de wereld, zoals zij is, op te treden en werkzaam te zijn.

Noord-Carolina heeft een onrustig geweten: „Wij moeten bekennen, dat wij veel te vaak reeds tevreden zijn met wat men „goed-zijn” pleegt te noemen. Wij koesteren ons traag in het besef van onze eerbaarheid. Wij zijn goed, ja, maar wat gaat daarvan uit? Door deze traagheid staan wij schuldig, want het is een oude waarheid, dat het kwaad daar het gemakkelijkst zegeviert, waar de goede mensen werkeloos blijven.”

In verband met onze watersnood lezen we: „Wij hebben duidelijk gevoeld, dat het

persooniijk mede deelhebben aan het lijden en de ontberingen van de anderen veel belangrijker is dan hulpverlening zonder meer, aangezien het degenen, die door de ramp zijn getroffen, nieuwe moed schenkt.”

Noorwegen maakt melding van de tegenstelling tussen Oost en West en ziet het als de taak der Quakers om hier bemiddelend in te grijpen. „Wij mogen nooit een oordeei vellen over iets, hetzij klein of groot, zonder ons eerst de tijd te gunnen om beide partijen te horen, voor we onze mening ten beste geven.”

Als het ware samenvattend verklaart Philadelphia ten slotte: „Zolang wij het lief en leed van onze naasten niet ervaren als dat van onszelf, zal ons de kracht blij-

ven ontbreken om God te dienen, als enkeling, als groep en als volk.”

Ten besluite vestigen wij er nog de aandacht op, dat het oorspronkelijk geenszins de bedoeling was van de Quakers om een aparte groep of sekte te vormen. Zij waren gegrepen door de Geest Gods en predikten opnieuw het oorspronkelijke christendom, waarvan zij zich een herleving wisten. Het is van belang dit niet te vergeten, omdat we onwillekeurig geneigd zijn te menen, dat zij een bijzonder soort mensen zijn, en dat wat hun is geschonken, of door hen wordt gepresteerd, voor ons niet zou zijn weggelegd. Niets zou een jammerlijker vergissing zijn.

ROB LIMBURG

MENS EN DIER

De artikelen van Moll en Bomhoff (T. en T. 2 III), voor zover deze betrekking hebben op de kunstmatige inseminatie, nopen mij het volgende ter discussie op te dienen: Als iemand een beroep kiest (kan kiezen) spreken gelukkig ideële factoren vaak een goed woord mee; zo kunnen bioloog en dierenarts in geestelijk opzicht dezelfde start hebben. Ook in praxis worstelen beiden met hetzelfde probleem „hoe handhaaf ik de eerbied voor wat leeft?” waarbij de dierenarts indien hij de algemene praktijk uitoefent altijd de economische factor in het geding moet betrekken. Dagelijks heeft hij te beslissen of hij een bepaald dier langer op het bedrijf moet handhaven of niet, hij heeft zich steeds de vraag te stellen: „hoelang houdt het dier nog slachtwaarde en is het verantwoord een langdurende behandeling te beginnen.”

Deze probleemstelling strekt zich over nog breder terrein uit, indien de dierenarts als hoofd van een Gezondheidsdienst tot taak gesteld wordt verschillende besmettelijke ziekten te bedwingen zoals tuberculose, abortus Bang en geslachtsziekten bij het rund. Hierbij moet een aantal dieren noodgedwongen ter slachtbank worden verwezen ter voorkoming van smetstofverspreiding. Tevens zit hieraan bij de laatste groep ziekten het probleem van de kunstmatige inseminatie vast. Het is in de naoorlogse jaren mogelijk gebleken de zeer schadelijke geslachtsziekten op deze wijze te voorkomen, terwijl dit op een andere manier niet was te bereiken; ongetwijfeld wordt gelijktijdig met het hanteren van de k.i. een veeteeltkundig doel nagestreefd nl. het aan de kleine, minder kapitaalkrachtige boeren bezorgen van een zo productief mogelijke veestapel. Het is nl. alleen door toepassing van de k.i. mogelijk van de zeer dure vaderdieren i.p.v. b.v. 180, 3000 nakomelingen per jaar te verwekken, waardoor de kosten per rimd belangrijk dalen.

De k.i. boogt op een ervaring van 25 jaar, waarbij wetenschapsmenseri met biologisch inzicht, en velen ervan ook met normgevoel de problemen hebben gesteld en de oplossing van de moeilijkheden bij de uitvoering hebben nagestreefd. Als voorzichtig en nogal conservatief boerenvolk zijn de Nederlanders niet eerder tot toe-

passing in de practijk overgegaan, dan nadat de problemen te overzien en de voordelen duidelijk waren. Tot deze voordelen behoort ongetwijfeld de bijdrage tot een intensievere bedrijfsvoering, die, mits voorzichtig bedreven, het concurrentievermogen op de internationale zuivelmarkt ten goede komt, wat algemeen als bittere noodzaak wordt gevoeld.

De k.i. moet op zeer verantwoorde wijze worden geleid, waarbij vooral de vraagstukken van de progenituur (bijv. opereren van gebreken) steeds de volle aandacht opeisen. Ook is men zich wel bewust weer wat verder af te wijken van: „de stier aan ’t hoofd van de kudde dwalend door veld en beemd.” Nu was dit al duizenden jaren anders en voor hen die het houden van runderen van nabij kennen is de overgang naar de k.i. niet zo’n grote stap. Er is ook geen terug naar Arcadië mogelijk. We belanden dan in de situatie waarin de boeren in Griekenland en Zuid-Italië verkeren. Thans openen zich zelfs mogelijkheden om mede met behulp van deze wetenschappelijke methode een meer lonend bestaan te scheppen in deze gebieden.

Door ons de problemen zakelijk voor ogen te stellen behoeven we ook niet te besluiten dat de k.i. een uitvloeisel is van het kapitalisme, (ze is lang voor de oorlog ontwikkeld in Rusland om in de commune die door de kolchozen werd gevormd dienst te doen) in elke socialistische maatschappij zal ongetwijfeld de ontwikkeling in dezelfde richting leiden.

Het gelukt Junck inderdaad door z’n „grauw betonnen gang,” „de kunstkoe” en „er mag niets verloren gaan” iets afstotelijks te suggereren, de practijk in Nederland is wel anders, maar daarom toch voor een niet-veehouder die gauw geneigd is het gebeuren op menselijke verhoudingen te projecteren, niet vanzelfsprekend aanvaardbaar.

Wel moeten wij ons bewust blijven te zijn gesteld als hoeder van de levende natuur die elk zedelijk probleem dat er mee annex is wikt en weegt alvorens te beslissen; iets van de priester die over leven en dood van het offerdier beslist moet er in ons zijn.

R. POST