is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 19, 08-05-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de kentering der tijden geboren in onze ogen nog de ondergangen van de oude werelden die verbleken, onze lippen geplooid tot nieuwen groet.

en in ons hart een tweedracht van verlangen naar dromen van weleer, die wij verloren naar de nieuwen, wier bloesems openbreken zo moeten wij door bittre jaren zwerven, het is altijd een strijd en een ontbreken:

alles in ons beweegt zich als een vloed en somtijds zinkt het weg, alsof wij sterven.

Als een die weggevoerd wordt op een schip naar vreemde zeee, in wier bewogen baren hij meenge kolk verwacht, menige klip; en aan d'oever, hem lang vertrouwd geweest

staan de gespelen van zijn jonge jaren, schoon en met edele gebaren sprekend, hij aamt den geur van hun bekranste haren, hun klederen zijn licht als voor een feest maar al hun doen drijft hem een droom voorbij

omdat zijn hart zich niet meer tot hen rekent, en een geluk hem wacht aan de overzij: o makkers, zijn ook wij niet zó gezind die nog gevate’ op ongemeten mijlen scheiden van dat nieuw land waarheen wij ijlen, en die het oude niet meer bindt?

Wij hebben de geluiden van weleer

uit ons geplukt als uit een bos de bloemen: zij waren schoon, maar niet in hen was meer ons eigen hart, onze eigen wereld levend. Toen het nu leeg en stil was in onze oren rees daar omhoog uit diepste diepte een zoemen en dit, voelden wij, zou ons gans behoren:

een nieuwe plant van zang bloeit jong en teer en van onzek’re lippen nog, harst bevend een binnenst lied: de stem van ons begeer.

HENRIËTTE ROLAND HOLST-v. d. SCHALK uit „De nieuwe geboort" (1903)

BLOEIENDE MEIDOORN

Macht en dienst

Eindelijk heb ik gelegenheid in te gaan op wat mr. Burger in De Radiogids van 11 April schrijft.

In „Wending” (Maart 1954) had ik enige opmerkingen over het voorgestelde radiobestel gemaakt onder de titel „De werkelijkheid aangedaan” en daarin betoogd, dat de omroepverenigingen, geroepen tot culturele dienst, met elkaar een grote macht in het politieke leven uitoefenen. Ik merkte op, dat minister Rutten niet tot het indienen van een radiowet kon komen en dat minister Cals het advies van de radioraad naast zich neerlegde en in grote lijnen de wensen van de omroepverenigingen volgde, De omroepverenigingen hebben Kamerleden aan zich gebonden, zelfs twee omroepverenigingen hebben een Tweede-Kamerlid tot voorzitter, waaronder de fractievoorzitter van de grootste partij, Deze voorzit-

ters genieten uiteraard van hun omroepverenigingen een salaris.

Nu is mr. Burger daarop met grote felheid afgestoven. Ik heb zo het vermoeden. dat het hem niet onwelgevallig was, naar aanleiding van mijn opmerkingeh te kunnen zeggen, wat hij ervan dacht. Hij stelt een reeks vragen, recht op de man af, die de mededeling inhouden, dat z.i. hier helemaal niets verkeerds gebeurd is. Hij betrekt de opmerking geheel op zich zelf (ofschoon ik over de omroepverenigingen in het algemeen gesproken heb) en zegt, dat hij tot voorzitter van de Vara gekozen werd, ondanks dat men wist, hoe tijdrovend het Kamerlidmaatschap was. Hij zegt verder,'dat het voor de fractie van de PvdA geen belemmering was hem tot voorzitter te kiezen, ondanks het feit, dat men toch wist, dat hij ook de Vara als voorzitter

leidde. En ten slotte deelt hij mee, dat niemand kan zeggen dat hij de belangen van de Vara als fractievoorzitter heeft bepleit.

En wat de salariëring betreft: waarom wordt hier over het kopen van macht gesuggereerd, terwijl het vraagstuk van de nevenfuncties van Kamerleden (vakbondsbestuurder, journalist, rijksbemiddelaar, voorzitter van een Grondkamer) hier niet tevens bij betrokken wordt.

Hier liggen dus twee problemen. Die van de verstrengeling van binnen- en buitenparlementaire macht én die van de persoonlijke beslissingen van Kamerleden.

Nu moet ik beginnen met op te merken, dat ik over de omroepverenigingen schreef, niet over de Vara. Een feit is het, dat juist de omroepverenigingen alles doen, om zich invloed te verschaffen in de fracties. De NCRV' heeft tot hoofdbestuursleden zowel de a.r. mr. Roos jen (voorzitter) als de c.h.- heer Krol. De KRO heeft onlangs nog, toen ze met enige schrik ontdekte, dat ze geen man in de fractie had, de heer J. M. Peters, specialist voor culturele zaken, in zijn bestuur opgenomen. De Avro en de VPRO hebben zulke verbindingen niet. Tegen deze tendens ging mijn opmerking, niet tegen de gestes van de fracties, die hier in zekere zin buiten staan. Ik wilde met deze opmerking betogen, dat de* radio, die een