is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 19, 08-05-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HUIS DER STILTE

Deze film van de Oostenrijkse regisseur Pabst (van wie u vermoedelijk „Kameradschaft” en „Dreigroschenoper” kent) is om verschillende redenen opmerkelijk: om onderwerp en opzet, om strekking, en zeker om de stijl.

De veelzijdige auteur Zavattini, die voor een uitmuntend draaiboek voor „Goeie morgen, olifant!” heeft gezorgd, heeft ook het scenario voor „La maison du silence” geschreven. Van de mannen die gedurende enkele dagen de rust van een door paters Jezuïeten beheerd Italiaans retraite-huis opzoeken, leren wij er vijf kennen: een schrijver, die onbekend en arm was, toen hij trachtte alleen de kunst te dienen, en die populair en rijk werd, toen hij aan de lopende band romans over de zedelijke verdorvenheid van de moderne jeugd ging produceren (en zodoende, volgens sommigen, die verdorvenheid in de hand werkte)... een kaarsenfabrikant, die slechts door de angst voor de concurrent wordt beheerst (die toevallig zijn aanstaande schoonzoon is)... een diefje, dat op de vlucht in dat huis terecht is gekomen... een soldaat, die als vermist was opgegeven, wiens vrouw hertrouwd is en volgens de Kerk weer de

zijne moet worden, terwijl hij beseft, dat hij haar geluk niet mag vernietigen... een verzetsleider die een brug heeft opgeblazen, waarop een oude man en een kind lopen, met wie hij even in contact was geweest... en ook worden wij geconfronteerd met een jonge priester, die ontevreden is met zich zelf en terug naar de wereld wil aangezien hij als priester meent te falen...

Ach, eigenlijk wordt niets „opgelost”. De schrijver zal blijven schrijven. De kaarsenfabrikant zal vroom blijven, om zijn klan-

dizie niet te verliezen. Zal de dief voorgoed eerlijk zijn? En zal de soldaat genoegen nemen met zijn verlies? Zal de verzetsleider vrede vinden in het priesterschap? En zal de priester, nu hij weer zijn ambt gaat uitoefenen (naar aanleiding van een soortement wonder), blijven wat hij i 5...? Vragen. En dat het vragen blijven, is helemaal niet erg.

Mensen vluchten uit lawaai en zinloosheid van de wereld. Zij willen vooral tot zich zelf komen. Zij zoeken een oplossing, die eigenlijk al in hen besloten ligt.

De stilte is een wezenlijk element in deze film. Essentieel zijn ook de flash backs, de voorwerpen, dieren en bomen met hun soms symbolische kracht; ik denk aan de kaarsen en aan de gestolen horloges, aan het bos dat de vertrekkende soldaat opneemt, en aan de mieren die de verzetsman voor zich op de grond ziet omdat hij niet naar de vernietiging van de twee mensen op de brug kan kijken. Zoals in alle films van Pabst, wordt ook in „Het huis der stilte” het spel van licht en schaduw, van zwart en wit, scherp geaccentueerd.

Ook al zou deze film zonder aanduiding van de regisseursnaam worden vertoond: uit de eerste honderd meter zou onmiskenbaar blijken, dat Pabst de regisseur is. Welk feit ons dan voor de zoveelste keer duidelijk maakt, dat zoals alle kunst ook superieure filmwerken uitmunten door een bepaalde stijl, die dadelijk hun regisseur verraadt.

H. WIELEK

De verzetsleider blaast de hrug op. (Uit de film „Het huis der stilte”)

Vier werelddelen in een land

Wat treft de nieuw-ingekomene in Paramaribo het meest? De verveloosheid der huizen? De slechte staat van het plaveisel? Zo zal het misschien zijn bij een eerste vluchtige indruk. Maar straks zal men merken, hoe er overal nieuwe gebouwen oprijzen en hoe er allerwegen wordt opgeknapt en geverfd. En men zal erop wijzen, dat de stad, die in de oorlogsjaren slechts enkele kilometers asfalt telde, nu behoorlijk geasfalteerde hoofdstraten heeft, terwijl dit net zich jaarlijks uitbreidt. Ansichtkaarten van enkele jaren oud zijn totaal verouderd. Zo ziet de stad er immers niet meer uit!

Wat echter ieder opvalt en wat je op den duur steeds meer boeit, dat is de menigte van volken en rassen, die het straatbeeld beheerst. Daar zijn de Creolen, de grootste groep, op zich zelf een boeiend en ingewikkeld geheel, afstammelingen van Afrikaners en Europeanen, die zich hier met elkaar vermengden en die mensen uit alle delen van de wereld in zich opnamen: Joden, Libanezen, Chinezen. Mensen met alle huidskleuren, van blank tot zwart. Met Schotse, Duitse, Portugese, Joodse en Chinese namen.

Daarnaast de tweede groep in getalsterkte: de Hindoestanen. Zullen ze op den duur de Creolen inhalen? In elk geval vormen ze een krachtige groep, waarmee men op alle terreinen heeft te rekenen.

Op de derde plaats volgen de Javanen.

Overal vind je hun kampongs. Op het platteland, in Nickerie, maar ook vlak aan de rand van de stad, op de weg naar Leonsberg en achter in de Cultuurtuin.

Wat bieden de hoofdstraten een feestelijke aanblik alleen reeds door de verscheidenheid in dracht. De Javaanse vrouwen: sierlijk en beweeglijk in hun mooie sarongs. De Hindoestaanse vrouwen, iets meer verwesterd, maar toch opvallend door him mooie witte sluiertjes. De Creoolse vrouwen zijn westers gekleed. De koto wordt alleen bij bijzondere gelegenheden gedragen. Maar de volksvrouwen dragen toch nog vrij algemeen de bijbehorende hoofddoek.

Minder groot zijn de verschillen bij de mannen. Een enkele Hindoestaan draagt nog de typische volksdracht. De Javaanse mannen dragen echter nog vrij algemeen hun zwart-fluwelen mutsen. Vooral een Javaanse familie op zijn Zondags verleent de straat een bijzonder kleurig beeld. Ik sprak hier van „Javanen”. Eigenlijk zou ik officieel van „Indonesiërs” moeten spreken. Het is dan ook geen onvriendelijkheid, wanneer ik onwillekeurig nog de oude aanduiding gebruik. Maar die is hier dan ook diep ingeworteld.

Intussen is het straatbeeld nog niet compleet. Voor een winkel staat een groepje Bosnegers. Zij zijn voor zaken in de stad. Vrolijke, vriendelijke mensen. Een Indiaans meisje gaat onopvallend en stil haar weg. Haar ouders wonen buiten de stad, maar

ze is opgevoed bij een stadsfamilie.

Chinezen en Europeanen kom je overal tegen. Natuurlijk het meest in het stadscentrum en in een paar buitenwijken. Onder de Europeanen vormen de Nederlanders de hoofdgroep, maar je ontmoet hier toch ook, Duitse, Engelse en Portugese families. En zelfs enkele Wit-Russen.

Sommige grote zaken zijn in handen van Libanezen. Zij vormen een vrij-streng gesloten groep, hoewel ze allen rooms zijn. Is het een wonder, dat Nederlanders, die na jaren in het vaderland terugkeren, wel eens klagen over het „saaie” straatbeeld? In Paramaribo is het immers altijd weer een feest, om op straat alleen maar naar de mensen te kijken?

Of die verscheidenheid dan geen conflicten oplevert? Ik geloof, dat men kan zeggen, dat het over het algemeen heel goed gaat. Natuurlijk vallen er weleens scheldwoorden. Onder kinderen en ook weleens onder volwassenen. De aanduiding „koelie” voor een Hindoestaan klinkt misschien onvriendelijker dan hij wordt bedoeld en bakra, mulat en neger zijn geen scheldwoorden, maar ze hebben in een heetlopende discussie weleens een minder vriendelijke klank. Maar de beschaafde Surinamer staat hier boven, en hij is veeleer trots op de goede verstandhouding tussen de verschillende volksgroepen. Een donkere Creoolse jongen staat in een overvolle bus op voor een Hindoestaanse en