is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 22, 29-05-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een biografisch woordenboek van het socialisme in Nederland

Het is dit jaar zestig jaar geleden, dat, in 1894 dus, de Nijmeegse onderwijzer B. Bymholt zijn „Geschiedenis der arbeidersbeweging in Nederland” schreef. Het werk verscheen in afleveringen en doordat de schrijver aan een bepaalde omvang gebonden was, kon hij deze geschiedenis niet verder beschrijven dan tot het jaar 1891, waarover hij in het voorbericht zijn spijt uitdrukte. Met de bedoeling, dit overzicht zo onpartijdig mogelijk op te stellen, had Bymholt zich zowel tot socialisten als tot hun tegenstanders gewend en hun om inlichtingen verzocht. Maar terwijl de socialisten die bereidwillig gaven, ontving hij noch van het liberale Kamerlid Heldt, de oprichter van het Alg. Nederl. Werkliedenverbond, noch van de r.k. Passtoors, de oprichter van de Nederl. r.k. Volksbond, enige reactie op dit verzoek, terwijl de anti-revolutionnaire Klaas Kater, oprichter van Patrimonium, met een bitter artikel in zijn blad reageerde. Bymholt verontschuldigt er zich dan ook over, dat zijn boek „soms niet geheel onpartijdig zal schijnen,” en inderdaad doet het dat. Hoe-

wel de arbeidersbeweging in al haar facetten hier de revue passeert, valt de volle nadruk toch op het socialisme. Een summiere inleiding over onze economischsociale geschiedenis tot de Franse tijd gaat vooraf aan de eigenlijke geschiedenis van de arbeidersbeweging, die in ons land feitelijk begint met Evert Hendrik Hartman, koffiehuishouder op de Prins Hendrikkade te Amsterdam, die in 1861 de maatschappij „Tot nut van den arbeidenden stand” oprichtte, met 21 leden. Al in 1849 was eveneens te Amsterdam al een typografenvereniging „Voorzorg en Genoegen”, opgericht, de eerste van een reeks van vakverenigingen, die weldra een belangrijk aandeel zouden nemen in de doorbraak van de socialistische denkbeelden in ons lahd. Deze vonden vooral ook onder de aanhangers van de „vrije gedachte” sympathie, vooral na de oprichting van de vereniging „De Dageraad” (1856), toen ook arbeiders toetraden als de Amsterdamse petroleumventer Klaas Ris en zijn stadgenoot Hendrik Gerhard. Beiden behoorden tot de meest op de voorgrond tredende propagandisten voor het socialisme en Gerhard was een der oprichters, in 1869, van de eerste Nederlandse sectie der Internationale, die de grondslag legde voor de georganiseerde socialistische arbeidersbeweging in ons land.

Dit alles vindt men uitvoerig, om niet te zeggen minutieus, bij Bymholt verteld. Zijn boek heeft meer weg van een kroniek dan van een geschiedverhaal; het somt van jaar tot jaar de lotgevallen van de arbeidersbeweging op, het citeert veel, het noemt veel feiten en nog meer namen, het is kortom een dor boek. Maar wie zich voor dit onderwerp interesseert, bewaart dit boek in zijn vuurrode, burgerlijk-lelijke band als een kostbare schat, omdat men nergens anders zo veel gegevens bij elkaar vindt over de beginperiode van het socialisme in Nederland als hier.

Juist over die eerste periode, de tijd vóór 1878, is maar weinig bekend. De geschiedenis van de socialistische beweging van 1878 tot 1894 is uitvoerig beschreven door W. H. Vliegen in zijn tweedelige boek „De dageraad der volksbevrijding” (1905). Ook in de boeken van Joan A. Nieuwenhuis, „Uit den tijd der voortrekkers” (1927) en „Een halve eeuw onder socialisten” (1933) vindt men vele gegevens over de jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de oprichting der SDAP. Dan zijn er nog de gedenkschriften van vooraanstaande socialisten als Domela Nieuwenhuis, Troelstra, Schaper en Wibaut, waaruit ook over andere figuren wel het een en ander te halen is. Maar wie in het boek van Bymholt de namen leest van mannen, die het spits hebben afgebeten, die met grote opofferingen en niet zelden ten koste van hun gezondheid de grondslagen hebben gelegd, waarop latere generaties konden voort-

bouwen, die constateert niet zonder een gevoel van schaamte dat we tegenover hen toch altijd nog een ereschuld in te lossen hebben. Ik denk aan Klaas Ris en Hendrik Gerhard, die ik hierboven al noemde, aan de stoere smidsgezel Willem Ansingh, de oprichter van de smedengezellenvereniging „Recht voor Allen”, in feite de eerste socialistische organisatie in ons land, aan P. J. Penning, kastelein o.a. van een café op het Waterlooplein, dat als verzamelpunt van de Amsterdamse socialisten bij de beruchte Oranjefurie in Februari 1887 door het plebs totaal werd geplunderd, aan K. A. Bos, de populaire colporteur van socialistische lectuur, voortijdig gestorven als gevolg van twee achtereenvolgende gevangenisstraffen, aan de Groninger pionier D. R. Mansholt, de grootvader van onze minister van Landbouw, aan de Twentse pionier G. Bennink, aan de ontslagen politieagent P. C. de Ruijter, de dichter van het Mariannelied en van vele andere in hun tijd laire socialistische strijdliederen. Dit zijn maar enkele van tientallen namen van Nederlandse socialisten, die werkelijk niet verdiend hebben dat hun leven en hun werk zo volkomen vergeten zijn als dat het geval is.

De geschiedenis van het socialisme in Nederland moet nog altijd geschreven worden. Het is een Nederlander geweest, de Amsterdamse hoogleraar Quack, die een standaardwerk over de socialisten heeft geschreven zoals geen enkel land er een bezit. Maar deze liberaal had ten slotte alleen een platonische waardering voor het socialisme, en de geschiedenis van de socialistische beweging in zijn eigen land interesseerde hem al evenmin als hij de omgang met zijn socialistische landgenoten, de intellectuelen niet uitgesloten, op prijs stelde. Zo moeten we ons nog altijd behelpen met de bovenstaande populairwetenschappelijke werken, die wel een belangrijk feitenmateriaal bevatten, maar van hoogst fragmentarische aard. Slechts enkele episodes zijn consciëntieus beschreven, zoals de kortstondige geschiedenis van de Amsterdamse „Vereeniging tot zedelijke beschaving van de arbeidende klasse”, die op 24 Maart 1848 een demonstratie op de Dam organiseerde en waarover de jonggestorven dr. Hans Stein, medewerker aan het Internat. Instituut voor Sociale Geschiedenis een studie heeft gewijd (Internat. Review for Social History, 11, 1937). Verder de geboorte van de SDAP, waarover dr. D. J. Wansink zijn proefschrift „Het socialisme op de tweesprong” (1939) schreef. Vervolgens de geschiedenis van de spoorwegstakingen van 1903, waarover de huidige directeur van het Instituut, prof. Rüter, zijn proefschrift (1935) heeft geschreven. En daarmee is dan althans het belangrijkste wel opgesomd. Daarnaast moeten dan nog een aantal monografieën worden genoemd over enkele belangrijke figuren, de al eerder genoemde mémoires en de gedenkschriften van de partij en haar afdelingen of van bepaalde groepen als de christen-socialisten. Het lijkt heel wat als men het alles bij elkaar ziet staan, maar pas wanneer men eens nauwkeurig kennis heeft genomen van een uitgewerkte détailstudie, begrijpt men zo ongeveer wat er nog ontbreekt.

Begin verleden jaar is te Amsterdam een Sociaal-historische Studiekring opgericht, die zich ten doel stelt in besloten kring aandacht te wijden aan onderwerpen, die de geschiedenis van het socialisme en de sociale beweging in en buiten Nederland betreffen. Dat daarbij de nadruk valt op Nederlandse onderwerpen ligt voor de hand. Voorzitter van deze kring is A. Leh-

(Vervolg van pag. 5)

wereld behouden blijven. En in ieder geval is de prijs van een militaire overwinning te hoog. Het verslag, dat na een bliksembezoek door drie Franse generaals is uitgebracht, spreekt in dit opzicht boekdelen. Er zullen zeker twee volledig bewapende divisies extra moeten worden ingezet om de communistische opmars te weerstaan. De wereldsituatie is niet zo dreigend, dat dergelijke maatregelen verantwoord zyn.

De druk, door Washington en Parijs op Londen uitgeoefend, is bijzonder zwaar. Eisenhower en Dulles hebben de grofste middelen gebruikt om Engeland tot deelname aan hun plannen te prikkelen. Dit is bijzonder vreemd, omdat zij nog lang niet de zekerheid bezitten, dat die plannen uitvoerbaar zijn.

Het is voor Londen een moeilijke situatie. Engeland kan het uiteraard nooit op een breuk laten aankomen. Misschien zal het dus ter wille van de goede vriendschap binnenkort zijn oppositie enigszins moeten prijsgeven.

Om te bewijzen, dat communisten ook geen engelen zijn, hebben de communistische vertegenwoordigers te Genève niets concreets gedaan om Eden als bemiddelaar een kans te geven.

Integendeel, de Vietminh is tot een nieuw offensief overgegaan, dat waarschijnlijk een nieuwe Franse nederlaag inleidt. De wens van de communisten gaat stellig ook niet uit naar overleg. Zij willen het bezit van geheel Indo-China, en zij zijn bereid om de oorlog daarvoor voort te zetten. ■ • H. VAN VEEN