is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 23, 05-06-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET PROCESSIEVERBOD

Het processieverbod komt weer aan de orde. In artikel 184 van de Grondwet staat, dat de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd blijft, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. Dat woordje „thans” ziet op het jaar 1848. De algemene opvatting is, dat door deze bepaling aile uitbreiding boven het in 1848 toegelatene verboden is.

De Staatscommissie toe herziening van de Grondwet meent, dat artikel 184 in strijd is met de vrijheid van godsdienst. Dat godsdienstoefeningen slechts binnen gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd zijn, acht zij een aanzienlijke beperking van die vrijheid. Dat een processie een absolutistisch karakter draagt, zodat zij geen verkondiging van godsdienstige meningen is, maar een reeds gevallen beslissing aan anderen oplegt, ontkent de Staatscommissie. Van andersdenkenden wordt geen enkele betuiging van instemming of eerbied verwacht. De leer, dat Christus in de hostie, die in de processie wordt rondgedragen, aanwezig is, wordt door niet-roomsen niet aan-

vaard. Een processie moge niet-roomsen min of meer pijnlijk treffen, van een belemmering van hun vrijheid is geen sprake.

De Staatscommissie ziet voor de overheid alleen de taak, om verstoring van de openbare orde en rust te voorkomen.

Zij stelt dan ook voor artikel 184 aldus te lezen: „Openbare godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen worden toegelaten behoudens de bevoegdheid, een voorgenomen godsdienstoefening te verbieden, indien de openbare orde en rust dit vereisen. De wet geeft regels omtrent de uitoefening van deze bevoegdheid”.

Welke autoriteit deze bevoegdheid zal uitoefenen, wordt niet vermeld. De commissie stelt voor, deze aangelegenheid voorlopig te regelen in een additioneel artikel, waarbij zal worden bepaald, dat, in afwachting van het tot stand komen van de wettelijke regeling, de burgemeester bedoelde bevoegdheid uitoefent.

Enkele leden van de Staatscommissie hebben minderheidsnota’s ingediend.

1) Professor mr. dr. G. van den Bergh en professor mr J. P. Hooykaas stellen voor, in de wetgeving geen verschil te maken tussen godsdienstoefeningen in en buiten gebouwen en besloten plaatsen. Artikel 184 willen zij aldus lezen: „Het recht openbare godsdienstoefeningen te houden, wordt erkend”.

2) Professor mr. P. J. Oud, professor mr. A. J. Molenaar en mej. mr. H. J. D. Revers stellen voor, de bestaande toestand te handhaven zolang de wettelijke regeling als bedoeld in artikel 184, tweede lid, nog niet tot stand gekomen is.

3) Professor mr A. M. Donner, dr. A. A. L. Rutgers, dr. J. Schouten en H. W. Tiianus betreuren het, dat de Nederlandse kerken het niet eens zijn geworden, om geen verandering van de Grondwet op het stuk van de processies te verlangen, en dat de Rooms-Katholieke Kerk zich van het verzoek der andere grote kerken, om artikel 184 ongewijzigd te laten, heeft gedistancieerd. Zij hebben bezwaar tegen de gelijkstelling van godsdienstoefeningen en andere levensterreinen. De godsdienstoefening is volgens hen naar haar aard niet met andere samenkomsten te vergelijken. Zij voltrekt zich in de verhouding van God en mens en beoogt de aanwezigen te bevestigen onder het gezag van het verkondigde woord, de bediende sacramenten en de voltrokken ritus. Door dit gezag wordt aan de godsdienstoefening in zeer sterke mate een absoluüt karakter gegeven. De vraag dient dan ook gesteld, in hoeverre het met het karakter van de openbare weg in overeenstemming is, daar godsdienstoefeningen toe te laten. Zij wensen een regeling, die de zaken grondwettelijk zodanig vastlegt, dat aan wetgever of bestuur weinig meer behoeft te worden overgelaten en in welke voorts met de gerechtvaardigde aanspraken, godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen te mogen houden, evenveel rekening wordt gehouden als met de aanspraken van anderen, om met die godsdienstoefeningen op de openbare straat niet geconfronteerd te worden.

Het staat vast, dat een opheffing van het processieverbod door de Roomse Kerk gewenst wordt.

Mr. J. H. R. van Schalk schreef al in

1916: „Wij kunnen niet langer dulden, dat onze vrijheid van godsdienstoefening zo willekeurig aan banden wordt gelegd. Elke uiting van geestelijk leven in het openbaar is geoorloofd, alleen aan ons is het verboden, van onze godsdienstige gezindheid in het publiek te doen blijken. Luidruchtige verzamelingen en optochten van socialisten en anarchisten, van revoiutionnairen, ja van Jan Rap en zijn maat, zijn toegelaten en onze vreedzame en vredige, onze blijde en tot God opheffende processies worden met geweld binnen de muren van onze tempels gehouden... Hoe lang zullen wij dit tyrannieke grondwetsartikel nog moeten dulden?”

Professor mr. Struycken bepleitte in 1918 de opheffing van het processieverbod en zei „De katholieken zullen dan eindelijk hunne volledige vrijheid van godsdienstoefening deelachtig worden, waarop zij reeds veel te lang hebben moeten wachten. Een enkele gereformeerde predikant, die nog maar niet afstand kan doen van de gedachte, ais zou ons volk een protestants volk zijn, waarin de katholieke godsdienst wordt getolereerd, zal zich daaraan misschien ergeren, in het algemeen mag men vertrouwen dat ons volk aan de katholieken die vrijheid niet zal misgunnen”.

Het staat evenzeer vast, dat vele protestanten zich met alle kracht tegen de opheffing van het processieverbod zullen verzetten.

Ik denk aan professor K. H. Miskotte, die gezegd heeft, dat, als het processieverbod wordt opgeheven, er voor de protestanten slechts de keuze overblijft van burgeroorlog of emigratie. Zo fel zullen zeker niet alle protestanten reageren, maar wij moeten er toch op rekenen, dat men zich van protestantse zijde krachtig tegen de opheffing van het processieverbod verzetten zal.

De Generale Synode der Hervormde Kerk heeft aan de kerkeraden en classicale vergaderingen in een schrijven van 11 Mei bekend gemaakt, dat zij zich zo mogelijk samen met de andere protestantse kerken tot onze volksvertegenwoordiging zai richten en haar stem ook in zo breed mogelijke kringen van ons volk zal laten horen.

In socialistische kring zijn de meningen verdeeld.

Naar onze overtuiging is het wel uitermate gewenst, dat wij, zullen wij ons in zake dat vraagstuk een mening vormen, goed weten, waar het zowel in de handhaving ais in de opheffing van het processieverbod om gaat.

Wij kunnen het onmogelijk eens zijn met de velen, die de hele zaak van geringe betekenis achten.

Aiieen reeds het feit, dat Rome zo op de processies gebrand is en dat de protestanten er zo fel tegen zijn, moet ons het onjuiste van dit oppervlakkige inzicht doen verstaan.

In de beslissing, die door onze volksvertegenwoordiging genomen zal worden, zal veel en veel meer op het spel staan dan de meesten vermoeden.

Daarom willen wij het vraagstuk in zijn verschillende aspecten bespreken, ons voornemend, ons daarbij vrij te houden zowel van een oppervlakkig indifferentisme als van een even oppervlakkig antipapisme.

J. J. BUSKES Jr.

voor een betere verstandhouding kunnen worden ingeschakeld?

Ik vraag maar. Want dat woord „natuurlijk” houdt mij vast. Als dat inderdaad allemaal met „natuurlijk” bedoeld is, dan is het helemaal fout.

Uit dit alles zal duidelijk zijn, dat ik géén visum zal aanvragen (in het Engels) bij de secretaris van de Russische ambassade, die de niet onbekende naam Petrov draagt. Ik zou best eens naar Moskou willen, want ik houd van reizen. Maar niet zo. Niet representatief, niet op kosten van de patriarch, zonder dat ik weet, wat die kerkvorst daarmee bedoelt.

Intussen: het probleem ligt er dan toch maar. Het probleem van de christen hier, in het westen, die vrede wil, die bovendien ergens ongelukkig is over de verwijdering, historisch verklaarbaar, maar godsdienstig onaanvaardbaar, die er gegroeid is tussen de kerken. Het is echter niet alleen een kerkelijk, maar ook een politiek probleem. Men kan niet aan het een werken, zonder het ander in de gaten te houden. Men kan niet néén óf ja zeggen op zulk een uitnodiging zonder tegelijk een politieke positie in te nemen. Dit te miskennen is de grondfout van de Friese predikanten. Ik acht die fout ernstig.

Moet er dan maar niets gedaan worden?

Zeker wel. Het zou gans niet zinloos zijn, wanneer er van West-Europa uit, al of niet in overleg met de Wereldraad, een correspondentie kwam met de Moskouse patriarch. Waarom zouden wij niet de eersten kunnen zijn? Waarom zou de Generale Synode of de Oecumenische Raad niet een delegatie kunnen aanwijzen, die een onderzoek en een gesprek zou kunnen beginnen. Al was het alleen maar, om te bewijzen, dat bij ons de deuren niet dicht zitten.

Een patriarch, die via Hemelum aan predikanten schrijft, wekt de indruk, dat de deuren dé,é,r toch eigenlijk wél dicht zijn.

L. H. RUITENBERG