is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 24, 12-06-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat gaat die doorbraak toch langzaam...

Niet zo heel lang geleden hadden we met een gereformeerde jongere die de doorbraak geen. kwaad hart toedraagt, een gesprek over de resultaten van de Statenverkiezingen. „Weet je, ik ben er soms wel eens bang voor dat de Partij van de Arbeid de situatie-mogelijkheden niet ten volle heeft uitgebuit,” verklaarde hij, „en bovendien ben ik ervan overtuigd dat het opmarstempo van de doorbraak aanmerkelijk hoger kon liggen, als de PvdA maar over wat meer mimicrie beschikte!”

Omdat men deze redenering, zij het misschien in wat andere vorm vaker kan vernemen en bovendien omdat er ook in onze kringen mensen gevonden worden die te klagen hebben over de snelheid waarmede de doorbraakgedachte veld wint, willen we vandaag voor deze probleemstelling eens uw aandacht vragen.

Al te dikwijls wordt uit het oog verloren dat er zich in het terrein winnen van de doorbraak-theorieën een geestelijk proces voltrekt en dat daarom deze geestelijke revolutie niet in een paar maanden tijds zijn beslag kan krijgen.

Wanneer de christelijke pers juicht als er bij een bepaalde verkiezing ogenschijnlijk slechts een geringe verschuiving naar links valt waar te nemen is dat niet alleen voorbarig, het is geheel onjuist. In 1952 heeft de Partij van de Arbeid een opmerkelijke doorbraakwinst geboekt, thans was het zaak deze winst te consolideren.

Dat we daarin geslaagd zijn, en dat bovendien de doorbraakaanhang is gestegen, betekent een reuzenstap vooruit. In dat licht gunnen we gaarne onze tegenstanders de vreugde van een voortijdige hoerastemming, wij weten immers dat zij de brug nog niet over zijn!

Desondanks mag het bovenstaande geen aanleiding geven tot uitsluitend optimisme onzerzijds. Want de jongste verkiezingen hebben behalve voortgang van de doorbraak ook uitgewezen dat het met de doorbraak toch niet van een leien dakje gaat. Er moet wezenlijk wel voor iedere overwinning gestreden worden en de winstzetels komen ons niet als rijpe vruchten in de schoot vallen.

We hebben immers kunnen constateren dat een niet nader vast te stellen aantal christenen, laten we aannemen uitsluitend rooms-katholieken, die enige tijd geleden de confessionele partij hadden vaarwel gezegd, nu weer in het kerkelijk-politieke vaarwater zijn verzeild geraakt.

De vraag is gewettigd of wij als partij daar geen schuld aan zouden (kunnen) hebben. Zouden er soms factoren zijn die politiek-gelijkdenkenden in het algemeen van de PvdA afstoten en in hoeverre hadden wij als doorbraakmensen dat kunnen voorkomen? Dat bedoelde onder meer die gereformeerde jongere.

Het is voor de doorbraak-christenen nog lang geen tijd om op de lauweren te gaan rusten, aannemende ten minste dat we daarover zouden kunnen beschikken.

We zullen ons er wat meer op moeten gaan toeleggen „new-comers” in een voor hen aanvaardbare atmosfeer te leiden. En we moeten ons wat meer gaan verdiepen in de vraag hoe het komt dat velen die politiek gesproken wel één met ons zijn, nog weifelend terzijde staan.

Wat zou, om dicht bij huis te blijven, de moeilijkst bereikbare groep, de gereformeerde christenen, van een overgang weerhouden? Het spreekt vanzelf dat we bij beantwoording van deze vraag slechts spreken over die gereformeerden, die in onze

ogen progressief zijn en die met het beleid van de PvdA ten aanzien van politieke vraagstukken van alle dag wel kunnen instemmen.

Om eens wat te noemen, de Zondagsrust ligt de gereformeerden na aan het hart. Voor onze rooms-katholieke partijgenoten zal het weinig gewetensbezwaren opleveren indien de partij eens op Zondag ging congresseren, doch het merendeel der protestantse leden zou hiertegen protest (willen) aantekenen. Bovendien zouden onze tegenstanders in de protestantse politieke partijen op die manier aan een effectief wapen geholpen worden, waarvan zij een dankbaar gebruik in de bestrijding van de partij zouden maken.

Dat men wat dat betreft op onze daden let moge blijken uit het feit dat tegenstanders nu reeds naar aanleidng van de jongste 1-Meiviering informeerden „wat de PvdA het volgende jaar doet.” In 1955 valt 1 Mei op een Zondag...

Gaat men de Zondag voor partij-politieke activiteit gebruiken, dan begaat men naar onze overtuiging een dubbele fout. Tactisch en principieel. We mogen verwachten dat onze andersdenkende partijgenoten met een en ander rekening zullen houden.

Het behoeven natuurlijk niet altijd „grote” dingen te zijn die belemmerend werken. Ook een kleine hindernis kan de opmars vertragen. Een voorbeeld van zo’n „steentje des aanstoots”.

De afdeling Rotterdam van Nieuwe Koers, jongerenorganisatie van de Partij van de Arbeid, heeft, aldus lezen we in „Arbeid”, voorlichtingsorgaan van de partij, contact opgenomen met een plaatselijke „bebop”-club, die iedere Zondagavond „dans”-avonden organiseert. De Rotterdamse NK-ers delen nu, aldus de enthousiaste schrijver, wekelijks des Zondags in de bebop-pret en als een soort contra-prestatie komen de „Beboppers” zo af en toe op een vergadering van Nieuwe Koers naar een politiek praatje luisteren of nemen deel aan een hersengymnastiek. „Waarom ook niet?” vraagt Arbeid.

Wel, omdat het in geen geval op de weg ligt van een politieke jongerenorganisatie dergelijk „amusement” te bevorderen. Dit initiatief zal niet alleen jonge partijgenoten die de Zondag voor dit soort „ontspanning” te hoog achten, afstoten, het zal alle jonge mensen die zich voor deze Amerikaanse cultuuruiting te zeer respecteren, van Nieuwe Koers verwijderd houden. En dat is- toch de bedoeling niet.

Zonder dus op alle slakken zout te gaan leggen, mogen we verlangen, dat er in onze partij rekening wordt gehouden met het bovenstaande. Het zal zowel de partij zelf als de doorbraakgedachte slechts ten goede komen.

Het voornaamste wat naar onze overtuiging de progressieve gereformeerden in het bijzonder en wellicht ook de vooruitstrevende christenen in het algemeen weerhoudt is de „angst voor de toekomst”. Enige tijd geleden hebben we dit al eens in „Tijd en Taak” betoogd en de „Nieuwe Haagsche Courant” heeft ons toen in een hoofdredactioneel artikel trachten te verzekeren dat er niet bij de christenen en ook niet bij de christenjongeren sprake is van angst. We geven onze mening echter hierdoor

niet prijs, wel degelijk kan men bij politiek practisch gelijkdenkende geloofsgenoten een zekere angst waarnemen die zich manifesteert in de vraag „Hoe zal de PvdA handelen als er levensbeschouwelijke vraagstukken moeten worden opgelost?” Het zij hier uitdrukkelijk vermeld, deze vrees is ongegrond. Mochten er vraagstuk-

(Vervolg van pagina 5) van abbé Pierre, hij „verdient er niets aan”, anders dan Holy Billy, die volgens de grote pers met z’n campagne netto pl.m. 60.000 gulden per jaar opstrijkt; Amerikaanse zakelijkheid!

Ik krijg de indruk, dat hij, abbé Pierre, als „paradepaard” door de curie hier te lande ten tonele wordt gevoerd, om de minder prettige indruk uit te wissen, die de houding van het Vaticaan tegenover de „prêtres-ouvriers” heeft gemaakt. Met die „prêtres-ouvriers” bewegen we ons op een ander vlak. Niet dat der „philantropie”! Deze „prêtres-ouvriers” ruim 120 hadden door hun „participatie” (zoals de sociologische term luidt) ontdekt dat er nog veel scheef was, dat de geest slecht was in de Parijse en Franse arbeiderswereld, dat een primitief, door communistische invloed slecht geleid, maar sterk verlangen

naar sociale rechtvaardigheid onder hen leeft, dat zij toegankelijk waren voor het Evangelie. Vele „prêtres-ouvriers” zijn er zo door gegrepen, hadden zich zo „ingeleefd” in het milieu, dat ze te „rood” werden in de ogen van het Vaticaan, dat op geen enkel gebied de „leiding” uit handen geeft.

Toen werd hun bedrijf geliquideerd, althans zeer „gereduceerd”. Juist zoals precies een eeuw geleden I’abbé de Lamennais geliquideerd werd. Hij werd in „ongewijde aarde” begraven. Niemand weet meer waar z’n graf ligt. Nog altijd staat het Vaticaan in de practijk te veel aan de zijde der machtigen. Speelt de invloed van de USA-kardinaal, Spellman, die meer dan andere buitenlandse kardinalen het Vaticaan frequenteert, hier een rol?

W. MEIJER CLUWEN