is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 25, 19-06-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardbeien of oogsten van suikerbieten onmogelijk lager kan worden aangeslagen dan het schrijven van een rapport, een tijdschriftartikel, het doen van voorbereidend werk op een tekenkamer, etc., toch is het waarschijnlijk niet toevallig dat de werkers met de handen zich afvragen waarom de kinderen van de hoofdarbeiders om mij daarbij nu maar te bepalen, in Amsterdam in ’t algemeen in de betere woonwijken leven dan de kinders van de werkers met zwaar gereedschap. En dus als ze de moeite van denken kunnen opbrengen, en dat kunnen ouders meestal vrij goed, him kinderen niet naar een ambachtsschool sturen. En niet naar een werkplaats ook al belooft de werkgever een goede opleiding. Maar naar een school die als poort wordt beschouwd naar een zorgenvrijere toekomst.

Ja, als de handwerker inderdaad en in feite werd gewaardeerd om de diensten die hij, naast alle andere werkers, de gemeenschap bewees. Dan zou de waardering van ’t werk ook een andere kunnen gaan worden. Nu herinner ik mij nog een jonge leraar aan een ambachtsschool, die zich heftig beklaagde (ja ik weet dat ’t verkeerd was!) dat z’n familie en kennissen uit de ƒ 6000— ƒ 20.000 groep hem hielden voor een „werkman met een hoed op”, want zo ligt ’t met de wérkelijke waardering van handwerk.

Ja, als de handwerker inderdaad werd beschouwd als een onmisbare leverancier van diensten, en niet als een hinderlijke kostenfactor in het productieproces. Als de jonge man wordt opgenomen in een bedrijf omdat hij een welkome aanwinst is, en niet wordt beschouwd als een „goedkope kracht” voor de goedkopere karweitjes. Al gaat dat dan tegenwoordig niet zo glad meer, de gedachte is nog steeds dominerend. Maar een mens is niet, is nooit, bestemd om als „goedkoop” te worden beschouwd. Ook de corveeër verricht onmisbare diensten, en heeft dus recht op een hem meestal onthouden althans in guldens onthouden erkenning.

Er is een onmiskenbare discriminatie van de handenarbeid aan te wijzen. Zie naar de woonwijken, de eigendommen, de vrije-tijdvulling, de geïsoleerdheid, die het leven bepalen van de handwerker.

En er is een min of meer stille revolutie tegen gaande. Eerst de uitslag van de verkiezingen, die soms glashelder aan de bovengenoemde factoren verbonden schijnt. Maar ook: men stuurt de kinderen niet meer naar vakscholen. Dit is het duidelijkste als men op het gehalte van de leerlingen van de scholen in de grote steden let. Men wordt geen verpleegster meer. Geen dienstbode. Als ’t kan geen handwerker. Slechts met allerlei aanlokkelijkheden lukt ’t de arbeiders te vinden. Helaas zeggen sommige captains of industry is er zoveel werk, dat de arbeiders eisen kunnen stellen. Zie eens hoe moeilijk het is werkers te vinden voor de ambtelijke bureau’s en gemeentelijke en rijkswerkplaatsen. Want de particuliere werkgever overweegt weerstrevende dat ’t prettiger is méér winst te maken met beter betaald personeel, dan zich te houden aan de loon vaststellingen (onzichtbare loonsverhogingen door allerlei uitkeringen in natura, etc.), en koopt dus de arbeidsmarkt leeg. Tot er weer eens de ziekte, die crisis heet, uitbreekt en daarbij werkloosheid.

Maar nu werken de omstandigheden en de stille revolutie nog samen.

Ook het moderne productieproces werkt in dezelfde richting als we naar de USA zien. Daar leerplicht tot de 18-jarige leeftijd in de meeste staten. In andere in elk geval tot 16 jaar. De goedkope jeugdige arbeiders zijn daar dus verdwenen. Verder een verhouding van beloning arbeider: topleiding als 1 : 4, in ons land nog 1 : 8. Alles

natuurlijk zéér globaal bekeken. De wereld verandert. Door allerlei factoren.

Maar het doet nog steeds wat kleffig aan, om de hoogheid van de arbeid, van de handenarbeid speciaal, in ons land te horen verkondigen zonder daarbij tegelijk protest aan te tekenen tegen de discriminatie van deze handenarbeid, en zonder tegelijk te komen met uit verontwaardiging geboren voorstellen om daar een einde aan te maken. OpKiat de domme goede ouders weer gewoon de gezonde ingevingen van hart en hoofd kunnen volgen en hun kinderen die opleiding geven, die ze volgens hun gaven én volgens hun menswaarde kunnen volgen en waardoor ze volgens die gaven en die menswaarde aan de wereld die diensten kimnen leveren die als belangrijk worden genoemd en gewaardeerd ... in guldens en in achting. E. M. BUTER

Parijs

naar een nieuwe koers

De val van het Franse kabinet-Laniel is dan eindelijk een feit geworden. De straffe koers waartoe minister Bidault te Genève meende te moeten overgaan, heeft de deur dicht gedaan. Dit beleid was zozeer in strijd met de werkelijkheid, dat de steun „uit gebrek aan beter”, welke hij tot nog toe genoten heeft, wel weg moest vallen.

Een en ander is behalve door de verdergaande verliezen in Indo-China o.m. bevorderd door twee andere gebeurtenissen. Namelijk de onrust in Noord-Afrika, dat aan de vooravond van een burgeroorlog staat, en de kennelijke beduchtheid van het Amerikaanse volk om aan de Indochinese oorlog deel te nemen. Hoe impopulair zo’n interventie is, blijkt uit een recente peiling der openbare mening. Circa 70 % der Amerikanen voelt niets voor dat avontuur.

Genève heeft snel op de val van Laniel-Bidault-Pleven gereageerd. De Russische delegatie heeft nu voorzichtig laten merken wel tot enige concessies bereid te zijn. Wij mogen nl. gerust aannemen, dat deze bereidheid niet het gevolg is van de druk, door Eden uitgeoefend. Op deze wijze hebben de commimistische onderhandelaars nu hun bijdrage gegeven aan de eerste nieuwe candidaat-premier, Mendès-France. Er is een vingerwijzing gegeven, dat een gematigder Franse regering wellicht meer succes zal kunnen boeken.

De kansen van Mendès-France zijn overigens klein. Op het moment dat wij dit schrijven, is het nog niet helemaal zeker of hij de steun van de socialisten zal krijgen. En het is juist deze steun, welke hem mogelijk moet maken de noodzakelijke 314 stemmen te behalen.

Tijdens het debat, dat leidde tot de nederlaag van Laniel, riep deze zijn opponent Mitterand toe: „Waar is de meerderheid die u nodig hebt?” Een terechte vraag, overigens niet meer terecht dan de daarop volgende wedervraag: „En waar is dan uw meerderheid?”

Of er een andere meerderheid kan worden verkregen, hangt nl. maar in zeer be-

perkte mate af van de steun, welke de partijen willen geven.

Vrijwel alle fracties tellen voor- en tegenstanders van het huidige beleid in Indo-China, voor- en tegenstanders van de Noordafrikaanse politiek, voor- en tegenstanders van de EDG enz.

Er is weinig lijn in te bespeuren. De enige fractie met een restant aan discipline is de socialistische. Wij hebben overigens in de dagbladen kunnen lezen, hoe verdeeld de socialisten bijv. zijn ten aanzien van de EDG.

Deze neiging tot het innemen van een individuele houding maakt het vinden van een nieuwe meerderheid zo buitengewoon moeilijk. Het is wel mogelijk op verschillende onderdelen een voldoende grote eensgezindheid te krijgen, maar deze bestaat op het ogenblik niet voor een beleid, dat de voornaamste internationale problemen dekt.

Tenzij er zo iets als een wonder gebeurt, zal de huidige crisis een langdurige worden. Met het gevaar, dat ten slotte toch de oude figuren naar voren komen, en het spel der middelmatigheid op de oude wijze wordt voortgezet.

Wij mogen ons bij een beoordeling van deze moeilijke gang van zaken niet zonder meer door de uiterlijke schijn laten leiden. Het is zeker zo, dat een deel der afgevaardigden zijn houding bepaalt uit overwegingen van dorpspolitiek. Maar dat is in elk parlement zo. Het merendeel der Franse volksvertegenwoordigers is zich echter terdege bewust van de enorme vraagstukken, waarvoor Frankrijk wordt gesteld. Misschien is de besluiteloosheid een blijk van zwakte, het is echter zeker geen bewijs van te weinig inzicht en diepgang.

Een en ander neemt niet weg, dat iedereen opgelucht zal zijn als de Fransen er in slagen een kabinet te formeren, dat in staat is de dringendste internationale problemen tot een oplossing te brengen. Het is duidedelijk, dat de katholieke bewindslieden, die tot nog toe buitenlandse zaken hebben beheerd, daartoe niet in staat zijn.

Dat brengt ons ten slotte op een voor Europa zeer actueel punt, nl.de katholieke invloed op het internationale beleid. De beduchtheid daarvoor neemt terecht allerwegen toe. Er is verzet; in Frankrijk, maar ook in West-Duitsland. Adenauer heeft het eveneens zwaar te stellen met zijn oppositie, die niet alleen van de sociaaldemocraten, maar ook van de liberale coalitiegenoten komt. Met name is de hardnekkigheid, waarmee elk contact met de communistische landen wordt afgewezen, een punt van ernstige bezorgdheid. Is, aldus vragen velen zich af, het communisme in Europa wel zo agressief als wordt gesuggereerd?

Is het niet veeleer zo, dat de communisten door hun wantrouwen en vrees voor een aanval de tanden laten zien?

Hoe deze vragen ook beantwoord moeten worden, zij leven zeer sterk en zullen derhalve veel aandacht vragen in de komende maanden.

H. VAN VEEN