is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 26, 26-06-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding en de afsluiting op een overlijdensbericht. Radio Trinidad speelt de melodie, waarmee de KRO de Zondagavondwijding begon. Je hebt hier net als in Nederland mensen, die hun radio de hele dag laten aanstaan ter begeleiding van alle dagelijkse bezigheden. Wanneer er bezoek komt, zetten ze hem hoogstens iets zachter. Maar bij een overlijdensbericht zijn we één en al aandacht. Voor mij is zo’n uitzending belangrijk, want wanneer het een gemeentelid betreft (dat hoor ik aan de begraafplaats die genoemd wordt) heb ik vanmiddag of vanavond dienst. De uitzending wordt besteld en betaald door de familie. Soms door buren, vrienden of een vereniging. Publicatie in de kranten is meestal onmogelijk, omdat de krant te laat komt. Op de begraafplaats zal het druk zijn. En we horen de mensen tot elkaar zeggen; „Ja, ik hoorde het door de radio.”

Sinds enkele weken beginnen de uitzendingen ’s morgens om zes uur. De reclame van een grote firma maakte dit mogelijk. Deze uitbreiding bracht een nieuwigheid, die tot nu toe een succes werd: een christelijke dagopening van vijf minuten. Er wordt zeer veel naar geluisterd en je hoort telkens van mensen, die wat vroeger opstaan om dit mee te maken. Vooral de uitzending in het Negerengels (men spreekt ook wel van Surinaams of Creools) is populair. Dat is opmerkelijk, want tot nu toe waren de kerkelijke uitzendingen alleen in het Nederlands. Ds. Polanen, in Nederland welbekend, brak echter met de traditie en we zijn hem er dankbaar voor. Toch blijft de Negerengelse uitzending uitzondering en het Nederlands regel. Althans tot nu toe.

De radio geeft een merkwaardig beeld van het leven in Suriname. De muziek is meer Amerikaans en Zuidamerikaans dan in Nederland. De dansen „bewogener”. Ik weet haast niet hoe ik dit onder woorden moet brengen. „Anders” dan in Europa. Maar daarnaast valt de belangstelling op voor godsdienstige en culturele uitzendingen. Godsdienstige vooral, als er bij wordt gezongen. Op dit punt heeft het heilsleger historische rechten. Vandaar dat het een groot aantal uren per week in de aether is. Daarnaast komen de grote kerken: de Evangelische Broedergemeente, de Rooms-Katholieke Kerk, de Hervormde Gemeente en de Lutherse Gemeente. Sinds een paar maanden hebben nu ook de kleinere kerken enige zendtijd: Methodisten, Pilgrim Holiness Church en Baptisten. Op den duur zullen de niet-christelijke godsdiensten zeker ook mee gaan spreken.

Daarnaast maken de ontwikkelingsuitzendingen een goede kans. Speciaal de Radiolympus wordt veel beluisterd. Aanvankelijk was dit het werk van Nederlanders met een enkele Surinamer erbij. Nu zijn de rollen omgekeerd. Dat is dus een normale ontwikkeling.

De radio heeft hier geen fondsen. Alle medewerkers (behalve het vaste omroeppersoneel) doen hun werk gratis. Dat heeft natuurlijk zijn nadelen. Men is voor de uitzendingen afhankelijk van vrijwilligers. Nu zijn er uitstekende dilettanten. Maar er wordt ook wel eens „geliefhebberd”.

De omroepleiding is enthousiast. Critiek is gemakkelijk, maar men maakt onder de gegeven omstandigheden van het werk wat men kan.

Radio Suriname. Het is maar een zwakke en kleine zender. Maar het is een interessant „midden” tussen een nationale en een Amerikaanse omroep. En al hebben we onze bezwaren, we verlangen toch niet terug naar de Nederlandse verhoudingen op dit gebied.

Paramaribo. J. A. VAN DER MEIDEN

VERZORGDE

migratie

Er is sinds 1 October 1953 in Amsterdam een experiment aan de gang, dat uitermate interessant is en tot een uitbouw kan komen, waardoor een nieuwe vorm van jeugdwerk ontstaat. Ten vorigen jare kon de Plaatselijke Telefoondienst Amsterdam niet voldoende jonge werkkrachten uit Amsterdam alleen aantrekken en richtte zich daarom tot het Gewestelijk Arbeidsbureau met de vraag of het mogelijk was jonge werkkrachten met einddiploma ambachtsschool uit andere plaatsen aan te trekken. In samenwerking met het Rijksarbeidsbureau werden de streken met overtollige jonge werkkrachten benaderd en het resultaat was dat een dertigtal jongeren van 1 October af te werk gesteld kon worden.

Eén van de moeilijkste problemen daarbij was de huisvesting en de verzorging van deze jongens. Het GAB heeft in overleg met de PTD contact gezocht met de diverse Jeugdraden en aan deze is gevraagd of het mogelijk was gastgezinnen te vinden en de verzorging van deze jongens op zich te nemen. Zowel de Migratiedienst van de KAJ als een inmiddels daartoe ingestelde commissie voor maatschappelijk werk van de Herv. Jeugdraad is erin geslaagd zulke gastgezinnen te vinden en hebben de zorg voor de jongens op zich genomen. Deze jongens kwamen hoofdzakelijk uit Drente en Noord-Brabant. Andere jeugdorganisaties waren uitgeschakeld door het blote feit dat zich in 1953 alleen r.k. en herv. jongeren aangemeld hadden.

Deze migratie van jongens was een waagstuk en het zal dat ook steeds blijven. Immers: de meesten van deze plattelandsjongeren komen uit gesloten dorpsgemeenschappen, uit milieu’s met een volstrekt eigen karakter en uit een samenleving die nog lang zo gedesintegreerd niet is als die van de grote stad. Was het wel verantwoord om deze jongens zó los te pellen uit hun milieu, hen te ontwortelen en een assimilatieproces te laten ondergaan, dat alle kans tot mislukken biedt? De Herv. Jeugdraad, tot welke ik mij' nu verder bepaal in dit artikel, had eigenlijk weinig keus: het stond vast dat jonge werkkrachten zouden worden aangetrokken, ten minste... als er gastgezinnen gevonden konden worden. Maar toch bleef er voor de ouders van de jongens zelf de vrijheid om de betrekking te aanvaarden en zélf onderdak te zoeken. Ten einde te voorkomen dat dit laatste zou gebeuren en wellicht tot minder aangename omstandigheden zou voeren, heeft de Herv. Jeugdraad de mede-verantwoordelijkheid aanvaard in die zin, dat hij van de aanvang af gesteld heeft: alleen voor die jongens verantwoordelijkheid te kunnen en te willen aanvaarden, die door deze raad zelf in, eveneens door deze raad geselecteerde, gastgezinnen zouden kunnen worden geplaatst. Zowel het GAB als de PTD ging met deze zienswijze accoord gelukkig.

Van de zestien aldus geplaatste hervormde jongeren ging er één al vrij spoedig weer

terug, vanwege ontembaar heimwee; de andere vijftien zijn gebleven.

Voor de bovengenoemde commissie lagen de volgende taken gereed: allereerst contact houden met de jongens zelf. Voor zover daartoe bezoek aan de werkplaatsen nodig was, werd van de leiding van de PTD alle medewerking ondervonden. Verder werden er voor de periode van 1 October 1953 tot ultimo September 1954 een viertal weekends geprojecteerd, van welke er reeds drie gehouden zijn. Op deze werd er met de jongens gepraat over de verandering die deze migratie met zich medebracht voor hen zelf, voor hun verhouding tot hun eigen gezin en tot hun dorpsmilieu; over de conflictsituaties die zich voordeden in het bedrijf vanwege de volkomen andere structuur van deze plattelanders in vergelijking met de Amsterdamse jonge werkkrachten; over de moeilijkheid om door de overbezette tijd (’s avonds ook nog avondschool gedurende vier avonden in de week!) niet aan zich zelf voorbij te lopen. Bovendien hadden sport en spel alle aandacht.

Vanzelfsprekend was er ook het veelvuldige persoonlijke contact, soms naar aanleiding van wrijvingen tussen de jongens en de gastouders, soms naar aanleiding van situaties in het bedrijf. En het is nu, na driekwart jaar met deze jongens gewerkt te hebben, merkwaardig te constateren, hoe deze jongens zich hebben ontwikkeld tot een zekere zelfstandigheid, welke een voortdurend raad vragen niet uitsluit.

Verder moest er contact blijven met de gastgezinnen, maar dit kon beperkt blijven tot incidentele aanleidingen, omdat deze gezinnen op voortreffelijke manier hun taak hebben opgevat en het opnemen van deze jongens niet gezien hebben als een gelegenheid om iets bij te verdienen, maar als een mogelijkheid om de medemens te helpen.

Ook met de personeelsleiding van de PTD waren er verschillende besprekingen. En het dient gezegd dat de sociale voorzieningen van deze dienst ook voor deze jongens boven alle lof verheven zijn. Er wordt een ruime toeslag gegeven voor het kostgeld; twee maal per maand gaan de jongens op kosten van het bedrijf naar huis; opgenomen in het leerlingenstelsel wordt er aan deze jonge plattelanders bijzondere zorg besteed, die bovendien nog gelegenheid ontvangen tot sportbeoefening als rhythmische gymnastiek en zwemmen.

Met de ouders werd er schriftelijk contact gehouden, maar een onlangs gehouden „ouderdag” heeft deze verhouding tot een meer persoonlijke gemaakt. Op die dag zijn alle ouders der jongens in het nieuwe gebouw van de telefoondienst ontvangen; daar hebben zij alle gelegenheid gekregen zowel met de geestelijke verzorger als met de bedrijfsleiding over hun jongens te praten en een gemeenschappelijke maaltijd vormde een besluit van een dag, die uiterst belangrijk is geweest voor de ouders, die nu gezien hebben waar hun jongen werkt, met wie hij dagelijks omgaat en wie hem tracht geestelijk te begeleiden.

Het departement van Maatschappelijk Werk heeft zich eveneens voor dit experiment geïnteresseerd en geeft subsidie voor de maatschappelijke en culturele verzorging.

Het ziet er naar uit dat dit experiment voor dit jaar zal worden voortgezet met nog meer jongens en... met meerdere bedrijven. Er is, niet alleen in Amsterdam, maar in het gehele westen van ons land, een groot tekort aan jonge werkkrachten, die in het noordoosten en zuiden van ons land te veel zijn. Om te voorkomen dat deze laatsten geen vakopleiding krijgen en dus als ongeschoolden straks zullen rondlopen, en om