is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 27, 03-07-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT ZEGT Rome ?

Het bezwaar tegen de processie, zo zeiden wij in een vorig artikel, is, dat Rome in de processie de cultus op straat brengt en zo van de straat een kerk maakt. Christus wordt als Triomfator langs de straten gedragen, om Hem in zijn koninklijke rechten te herstellen.

Wat wordt nu van roomse zijde tegen dit bezwaar ingebracht?

In de eucharistie is Christus volgens Rome aanwezig in de grootsheid van zijn offer, waarmee Hij het kwade in de wereld overwint. In de eucharistie is Christus zowel met zijn mensheid als met het allerdiepste geheim van zijn godheid aanwezig. Hem behoort heel de aarde!

Weinu, pater Jelsma zegt („Het processieverbod”, Vrij Nederland, 3 Nov. 1953): „Met deze Christus, waarin wij aldus geloven,, willen wij graag naar buiten treden, procedere, om Hem in zegepraal van zijn godmenselijke aanwezigheid onder ons ook buiten de besloten kerkruimte te erkennen, danken en aanbidden.”

Pater Jelsma erkent dan ook, dat de sacramentsprocessie voor de rooms-katholieken een stuk cultus is, een openbare eredienst: „Voor ons geldt inderdaad de formulering: de publieke ruimte wordt een kathedraal rondom het allerheiligste.”

Wij zijn dankbaar voor deze erkenning. Pater Jelsma zegt echter meer. Dit: „Het lijkt mij nu een vrij nuchtere en eenvoudige zaak, te constateren dat wat in deze aangelegenheid voor ons geldt, niet geldt voor iemand, die ons geloof niet deelt. Voor hem kan de processie niet meer zijn dan een aanschouwelijke verkondiging.” Pater Jelsma kent onze bezwaren wel. Hij stelt althans de volgende vragen: „Is het waar, dat men ook reeds voor de niet-katholiek een beslissing genomen heeft, zodat hij op enigerlei wijze gedwongen wordt en zijn vrijheid wordt aangetast? Wordt ook hij, tegen zijn zin in, als rechtmatige straatgebruiker, binnen die denkbeeldige kathedraal gezet? Wordt de publieke ruimte voor hem een kathedraal, door het simpele feit, dat sommigen er een kathedraal in zien (door hun geloof) en laten merken, dat zij er een kathedraal in zien?” Hij beantwoordt deze vragen ontkennend en licht zijn antwoord toe, door de vraag te beantwoorden, wat er gebeurt in de ogen van iemand, die niet tot de Katholieke Kerk behoort, wanneer hij een katholieke processie langs de publieke weg voorbij ziet trekken. In een bepaalde formatie loopt een groep mensen op straat met enig uiterlijk vertoon, en één van hen, de priester, draagt in een zgn. monstrans een rond stukje brood met zich mee. De priester, en zij die met hem aan deze processie deelnemen, geloven dat onder de uiterlijke schijn van dat kleine stukje brood hun God en hun Verlosser aanwezig is en zij willen deze God en Verlosser vieren en huldigen in zijn koningschap over de wereld. Dat zij zo iets geloven omtrent dat kleine stukje brood, is hun zaak. Wat gebeurt er in de ogen van de niet-katholiek nu nog meer? Niets. Niemand neemt een beslissing voor hem. Hij beslist juist zelf, dat hij niet gelooft wat de deelnemers aan de processie geloven en

dat hij daarom niet aanbidt, wat zij aanbidden en niet neerknielt. De publieke ruimte blijft voor hem dezelfde publieke ruimte. Alleen lopen er nu een aantal mensen in rond, die er schijnbaar meer in zien dan hij. En hij zal toch niet voor hen willen beslissen, wat zij in deze publieke ruimte wel mogen zien en wat zij er niet in mogen zien?

Pater Jelsma vergeve het mij, wanneer ik dit een gewrongen redenering noem, die het wezen van de zaak niet raakt. Natuurlijk wordt voor mij de publieke ruimte geen roomse kathedraal, wanneer ik op straat een processie ontmoet. Maar de bedoeling van de processie is niet aileen, dat de rooms-katholieken, maar ook dat dé nietrooms-katholieken er een roomse kathedraal in zullen zien. In Trente heeft Rome gezegd, dat in de processie de waarheid als overwinnares over de leugen en de ketterij zal triumferen, opdat haar tegenstanders in de aanschouwing van zulk een glans en zulk een vreugde der ganse kerk óf in het besef van zwakte hun mond houden óf door schaamte aangegrepen en verward zich eindelijk bekeren.

Een processie is niet enkel een expressie van het subjectieve geloof van de roomskatholieken. Zij is ook een demonstratie en een proclamatie van iets objectiefs. Daarom is de processie agressief. Wanneer men haar uitsluitend als een geloofsexpressie ziet, subjectiveert men haar. Dat is eenzijdig. Rome wil in de processie besiag leggen op het publieke leven voor Christus, die dan ook als Triumfator langs de straten gedragen wordt. Het is niet waar, dat volgens Rome niet-rooms-katholieken zich van een processie niets behoeven aan te trekken.

Wat gebeurt er in de ogen van een nietrooms-kathoiiek, als er een processie gehouden wordt? Niets, zegt pater Jelsma. Was het maar waar. Er gebeurt in zijn ogen iets, dat niet op straat mag gebeuren.

omdat de straat niet alleen van pater Jelsma maar ook van mij is. De eucharistie is naar mijn overtuiging afgoderij. Dat is niet niets. Dat is voor mij iets afschuwelijks. De publieke ruimte mag in een rechtsstaat niet tot een roomse kathedraal worden gemaakt, evenmin als zij in de publieke ruimte tot een protestantse kerk mag worden gemaakt. De publieke ruimte blijve publieke ruimte voor rooms-katholieken, protestanten en humanisten samen.

Eén dezer dagen heb ik in Limburg een processie meegemaakt. Het verkeer werd door de politie stilgelegd. De publieke weg werd geheel door de processie in beslag genomen. De deelnemers baden hardop tot Maria. Dat bidden tot Maria en dat ronddragen van Christus als Triumfator langs de publieke weg is voor mij niet niets. Ik kan niet zeggen; de roomsen geloven, dat Maria hun voorspraak bij Jezus is en dat in dat stukje brood Christus in zijn mensheid en godheid aanwezig is, maar ik geloof dat niet, ik aanbid niet wat zij aanbidden en ik kniel niet, ik trek mij er niets van aan, voor mij betekent dat alles niets! Ja, als het zo eenvoudig was. Zo eenvoudig is het echter niet. Als Rome het recht heeft, om op deze door protestanten veroordeelde en verafschuwde wijze beslag op het publieke leven te leggen, hebben wij als protestanten het recht, om tegen dit alles publiekelijk te protesteren en met een tegendemonstratie voor de dag te komen. Onverdraagzaam?

Achter de beschouwing van pater Jelsma schuilt een opvatting over verdraagzaamheid, die ook bij vele humanisten gevonden wordt en die ik afwijs, omdat in dit geval verdraagzaamheid een synoniem van indifferentisme is. Daarom is het nodig iets te zeggen over de verdraagzaamheid, op grond van welke men in onze dagen de opheffing van het processieverbod verdedigt.

De tegenstanders van deze opheffing worden als de onverdraagzamen en de voorstanders als de verdraagzamen beschouwd. Ik wil de stelling verdedigen, dat het veeleer omgekeerd is. Het ligt er maar aan, wat men onder verdraagzaamheid verstaat.

De verdraagzaamheid, die pater Jelsma van ons vraagt, is een verdraagzaamheid, die betekent, dat hij als rooms-katholiek de straat tot een roomse kathedraal mag maken en dat wij bij die gelegenheid ons geloof het zwijgen op moeten leggen en doen moeten of er niets gebeurt. Dat noem ik onverdraagzaam en dat wil ik graag nader adstrueren. J. J. BUSKES JR.

SPAAK NAAR PARIJS

De Belgische minister Spaak zal Mendès-France te Parijs bezoeken om te spreken over de toekomst van de EDG. Een „zeer hoge functionaris” zal namens Mendès-France een bezoek aan Adenauer brengen, eveneens in verband met de Europese zaken. Dat is het resultaat, waarmee de Benelux-landen genoegen moeten nemen. Het voorstel om te Brussel samen te komen, is door Frankrijk van de hand gewezen.

Het komt ons voor, dat dit Beneluxinitiatief hoe begrijpelijk ook nogal ongelukkig is geweest. Bij het doorgaan van de conferentie zou de jonge Franse regering al direct in moeilijkheden zijn gekomen. Hoe belangrijk ook, de EDO is voor Frankrijk niet de urgentste kwestie.

Eerst Indo-China, vervolgens ’slands economie en Noord-Afrika, daarna maar dan hopelijk in een betere sfeer de Europese defensie. De reactie van Frankrijk lag voor de hand. Zij was eigenlijk reeds in de regeringsverklaring van Mendès-France vervat. Wij vragen ons af, waarom ook de Nederlandse regering zich nochtans tot deze stap heeft laten verleiden. Was er behoefte om nog eens duidelijk de schuldige aan te wijzen voor het mislukken van de EDO? Of wilde men de Franse voorstanders van de EDO steun geven? Of ook, heeft men de Amerikaanse wapenleverantles veilig willen stellen? Het zijn voor de hand liggende vragen, die zeer bepaald opgehelderd behoren te worden. H. VAN VEEN