is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 27, 03-07-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een tehuis op je tochten

Kort geleden heeft de NJHC haar vijf en twintigjarig bestaan herdacht. Ook in de pers is aan dat jubileum aandacht geschonken. Naar mijn gevoel onvoldoende. In het algemeen gesproken laat men het licht der publiciteit veel te weinig schijnen over het mooie en belangrijke jeugdherbergwerk. Daarom grijp ik dit voorbije jubileum aan, om er nog iets over te vertellen.

Een kleine twintig jaar geleden, toen ik de minimumleeftijd van een jeugdig individueel trekker had bereikt, maakte ik mijn eerste trektocht. Een belevenis om niet te vergeten. De eerste overnachting vond plaats in de jeugdherberg „De Kikker” te Abcoude. Een houten huisje dat slechts zestien slaapplaatsen telde. Het waren geen bedden, maar op de vloer getimmerde kribben. Alles was even primitief, maar desondanks erg gezellig. Het toeval wilde dat mijn eerste kennismaking met een jeugdherberg tevens het einde van „De Kikker” betekende. De NJHC begon reeds een wijdere vlucht te nemen, zodat de met zoveel moeite en idealisme gebakerde „eerstelingen” vervangen konden worden door betere en ruimere tehuizen.

De leiding in een jeugdherberg berust bij een vader en moeder. De Kikker had alleen maar een moeder. Op die laatste levensavond hebben we van oude kano’s een groot afscheidskampvuur gemaakt.

In het schijnsel van de gretige vlammen kon ik de gezichten van de trekkers en treksters goed opnemen. Langs het gezicht van Ans, zoals de moeder genoemd werd, zag ik tranen rollen. Het waarom van die tranen, kon ik in mijn jongensachtigheid nog niet begrijpen. De opheffing van ~de Kikker” betekende immers de opening van een

splinternieuwe jeugdherberg te Blaricum. De Kikker had zijn dienst gedaan. Nu, na twintig jaar, weet ik dat zelfs de vooruitgang, de vervulling van grote idealen, een brok tragiek met zich draagt. Het aantal jeugdherbergen heeft zich gestaag over ons land uitgebreid. Voor duizenden trekkers is het een heerlijke gedachte, te weten dat overal in den lande een huis open staat waar men welkom is.

Van mijn twee kwartjes zakgeld, die ik kreeg, spaarde ik de helft. En het is haast ongelofelijk, maar van ongeveer vijftien gulden genoot ik, voor de oorlog, dank zij het bestaan van de NJHC, veertien volle dagen vacantie. De NJHC heeft het mogelijk gemaakt dat de jongens en meisjes uit de arbeidersklasse ook eens ECHT met vacantie konden gaan. Déze belangrijke sociale functie mogen we niet te licht achten. Toch is de NJHC veel meer dan een goedkope logeer-gelegenheid. De NJHC leidt met grote zorg en liefdevolle drang haar junioren en senioren, in jeugdherberg-taal, jitten en itten genaamd, de natuur in. Door het jeugdherberg-werk ontstaat het zo broodnodige internationale jeugdcontact.

Enkele weken voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog vertoefde ik op doorreis naar België in de jeugdherberg van Vught. We waren die avond met nog een twintigtal andere trekkers genoeglijk bij elkaar. Het was een uiterst gevarieerd gezelschap. Het bestond uit zes Engelsen, vier Duitsers, twee Fransen, vier Denen, één Belg en acht Nederlanders. In de vooravond waren we met vader en moeder naar de kermis geweest. Een ietwat vreemde bezigheid voor trekkers.

In onze korte broeken en gekleurde hem-

den moeten we daar tussen die pontificaal geklede Brabanders wel een bijzondere indruk gemaakt hebben. Het was in ieder geval erg plesant. Toen we weer in de jeugdherberg waren teruggekeerd hebben we op de gebruikelijke wijze ons samenzijn gevierd. Een spel, een volksdans en vooral veel gemeenschapszang. Onder de trekkers is altijd wel een pianist aanwezig die de zang begeleiden kan. Of anders is een gitaar of blokfluit voor dat doel even goed. En virtuozen op draagbare instrumenten zijn er altijd onder trekkers te vinden. Die avond echter was de enige Belg tevens de enige onder de aanwezigen die een instrument bespeelde. Dus zette hij zich achter de piano.

Voordat we ons, na zang en spel, ter ruste begaven, stelde de Belg voor ter ere van de buitenlandse gasten de volksliederen te spelen. Dat hebben we gedaan. Het Wilhelmus besloot de rij. De volksliederen van alle aanwezigen waren ten gehore gebracht, alleen het Belgische niet. Daarom drongen we bij onze pianist aan om ook de Brabangonne te spelen. Doch dit weigerde hij pertinent. De goedlachse Vlaming bleek een vurig Flamingant te zijn en daarom verzocht hij in plaats van de Brabangonne, de Vlaamse Leeuw te mogen spelen.

In dit internationale wereldje van Vught, vlak voor het uitbreken van die grote internationale wereldbrand, een kameraadschappelijk samenzijn van jongeren die enkele maanden nadien misschien tegenover elkaar in de loopgraven zouden staan. Toch hebben in een Nederlandse jeugdherberg Duitse, Franse en Engelse jongens te zamen liederen van vreugde en verwachting gezongen.

Maar aan het „Brabangonne-geval” hebben we toch ook kunnen zien dat er in het streven naar Internationale toenadering, allerlei historische en irrationele weerstanden schuilen, die men in de eerste geestdrift niet uit het oog mag verliezen. Want het zijn weerstanden die wel te overwinnen maar niet weg te moffelen zijn.

Voor zover ik weet is de NJHC een van de weinige organisaties die in de opzet van haar werk, de spanning tussen het nationale en internationale in balans heeft weten te houden. Hiermede heeft zij in belangrijke mate de vrede gediend. De Wateler-vredesprijs die de NJHC, als ik het goed heb, in ’39 is toegekend, komt haar dan ook volkomen toe. Daar is ook de zelfwerkzaamheid, het zelfontdekken van schoonheid, waarheid en leven, dat jonge mensen in hun trekkerstijd van de NJHC meekrijgen. Wat de jeugdherberg in het jongerenleven betekent en betekenen kan, is niet in een paar kolommen te beschrijven. Elke jeugdherberg ligt in een andere streek en aan elke jeugdherberg zijn weer andere herinneringen verbonden. Zoals bijv. aan Hilvarenbeek. Hilvarenbeek is een klein dorp in Brabant, gelijk zovele dorpen. Alleen een kerk zoals Hilvarenbeek heeft, vindt men in geen enkel ander dorp of plek.

Verder heeft ’t dorp een stuk of wat herbergen en een jeugdherberg, ’s Avonds als het werk gedaan is, plegen de jongeren op de hoeken van het grote dorpsplein min of meer luidruchtig samen te scholen. Ach wat is er anders in zo’n negorij te doen?

Juist toen de jeugd zich op de hoeken van het plein verzameld had, kwamen er twee meisjes in sportieve trekkerskleding het dorp in fietsen. In plaats van een rok, droegen de meisjes een short. De blote knieën van de meisjes hebben zeker bij de dorpsjeugd gewerkt als een rode lap op een stier. De troep is aan het joelen, jouwen, duwen en smijten gegaan. ’Twee kleine meisjes kwamen met builen en schrammen, onder

DE VOGEL

Een grijze wolkenvacht gleed langs de Papanddjan neer en zakte in ’t dal, waar ’k op een ruig plateau

onder de thuja’s toefde aan ’t smalle pad dat door de ritslende dlang-dlang naar de sawah’s viel.

Nog scheen de zon op de beboste voet der Tjikoraj. Een koele wind woei al door ’t loof. Toen schoot

een vogel door het licht heen op een tak en floot boven mijn hoofd. Zijn hoog en lichtdoorstraalde lied

klonk zó dichtbij en zó onwerklijk toch en sterrever,

dat het mij was of alles eeuwig werd en ’k lang geleden zat te luistren naar hetzelfde lied.

Toen kroop de nevel voor de zon; de vogel streek in ’t gras en zweeg. En door mijn grijze haar

woei kil de wind.

JOHAN TOOT

Tjisoeroepan