is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 31, 07-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LATE OPMERKINGEN ACHTERAE

Soms ben ik somber over de invloed van kranten. Hoe weinig feiten weet het gros van het krantenlezend publiek! En lange betogen, die aan de oordeelsvorming moeten bijdragen, worden slechts door enkelen gelezen.

Maar een enkele keer blijkt zo’n krant toch grote invloed te hebben. Ik denk aan het bezoek van president en madame Coty. Vraag willekeurig wie in Nederland wat hij weet van dit bezoek, en hij zal prompt zeggen: Ie dat het bezoek geslaagd is; 2e dat de president zéér verrast is geweest over de hartelijke ontvangst van de bevolking; 3e dat de president grote be-wondering had voor onze vooruitgang; 4e dat hij zo’n alleraardigste en zeer welsprekende man was; 5e dat mevrouw Coty een enige echt-Franse huismoeder is voor wie die drukke taak wel erg vermoeiend moet zijn geweest; 6e ...; 7e ... moogt u zelf invullen met andere zinnen uit uw dagblad. De dagbladen, ondersteund door radio, televisie en bioscoop, hebben een bepaalde indruk van dit bezoek gegeven en wij geloven nu allemaal, dat het erg belangrijk was, en wij mogen, alweer op instigatie van de dagbladen, vermoeden, dat het bezoek ook politiek van grote betekenis was.

Boven alles zweefde de strenge tucht van het Protocol, dat vrijwel niemand schijnt te kennen en door iedereen gevreesd wordt.

President Coty en ook de Koningin hebben zich er lekker niet steeds aan gehouden en dat w’erd ook in alle kleuren en geuren meegedeeld om de menselijke toon te accentueren.

Zo is ’t dus, met dat bezoek, en niemand spreekt ’t tegen: geslaagd.

Nu heb ik ook geen behoefte om dat te doen. Bij zulk een wolk van getuigen wordt de enkeling stil. En bovendien heeft een afwijkende mening weinig zin, omdat de feiten toch verhuld blijven en de indrukken in de loop der tijden zich toch vervormen.

Ik maak alleen een paar opmerkingen, om me zelf te bewijzen, dat ik toch niet ondergedompeld ben in de generale suggestie.

Ten eerste: waarom stonden al die mensen aan de kant van de weg, waar de stoet langs kwam? Was het om iets anders, dan omdat er een schouwspel met veel kleur in hoog tempo plaatsgreep? Glanzende auto’s, verblindende uniformen, machthebbers.

Stramme politie en joelige kinderen. De prettige ruzies om de vaste plaats, de opwinding van de verwachte gebeurtenissen. De anderen, die belachelijker zijn dan wij zelf. En als dan de stoet voorbijtrekt, een ondeelbaar ogenblik maar, klinkt er hier en daar een stem op, die juicht, ’t Is als ’t applaus na een voorstelling.

Heeft dit veel met Frankrijk te maken?

Toen het Deense koningspaar'langs kwam, stonden er ook vele mensen, en straks, bij het Noorse koningspaar, zullen ze er ook staan. lets te beleven is schoon, mits het kleur heeft en beweegt. Laten wij uit de aanwezigheid van zovelen langs de weg geen andere conclusie trekken. Het heeft met meeleven met de dingen, die werkelijk gebeuren, bijzonder weinig te maken.

Ten tweede: wat heeft president Coty allemaal gezegd? Wij hebben zijn redevoering in het Amsterdamse paleis door de radio kunnen horen. Men kon genieten van de welsprekendheid. Kort geformuleerd kan men zeggen: hij zei niets, maar dat deed hij dan ook prachtig. Het klonk als zeer aangename muziek. Zijn retardando’s waren meesterlijk. Op de film kon men zien, hoe hij de woorden dirigeerde. Maar vraagt men zich af, wat wij er wijzer van zijn geworden, dan moeten wij antwoorden: wij hebben een bepaalde kant van de Franse welsprekendheid genoten. De meeste Nederlanders spreken als ze moeten en dan doen ze het vrij slecht. Maar dan is het daarbij wel de bedoeling, dat wij iets hebben mee-gedeeld. Fransen spreken, omdat ze het plezierig vinden. Ze genieten ervan. Ze zijn woord-exhibitionisten. Het schijnt hun diep te bevredigen, wanneer ze zich in woorden kunnen uitleven. Vertaalt men ze letterlijk, dan komt men scheef uit. Dan wordt het allemaal veel te zwaar. Men moet al die woorden over vriendschap, liefde, diepe genegenheid opvatten, zoals de dominee het bedoelt, wanneer hij in een oudeliedentehuis zijn hoorders aanspreekt met „geliefde broeders en zusters”. Dat woord heeft heus een andere betekenis dan wanneer hij het gebruikt als minnekozen van zijn echtgenote, zijn geliefde Sara.

Neen, de president heeft in het openbaar althans niets gezegd, dat aan de vergetelheid dient ontrukt te worden. Dat is geen critiek. De positie van een constitutioneel president is nu eenmaal zo, dat hij geen

spijkers met koppen kan slaan en niets kan loslaten over Vietnam, Tunis, de EDG en de pogingen van Mendès-France. lets anders dan schone vriendelijkheden mag men bij een dergelijk bezoek niet verwachten. De mening alsof het wel wat betekent, ontstaat alleen, doordat de journalisten elk woord als honing puren en in de kolommen van de kranten persen.

Ten derde; wat heeft dit bezoek voor betekenis voor de Europese verhoudingen? Het is geslaagd, zeggen de kranten. Maar, vraag ik, wat had niet kunnen slagen? De voorbereidingen waren prima. Aan alles scheen gedacht. Als staaltje van organiserend vermogen mag zo’n bezoek geprezen worden. Maar in het woord „geslaagd” ligt de gedachte, dat er iets definitiefs gebeurd is. Zoals met uw jongen iets definitiefs gebeurd is, wanneer hij met zijn bul van het eindexamen ULO thuiskomt.

Is er tussen Frankrijk en Nederland iets gebeurd? Is er iets tot stand gekomen, dat er te voren niet was? Wij hebben er niets van gemerkt. Wij hebben alleen gemerkt, dat in de dagen van het bezoek veel meer over Frankrijk geschreven werd dan anders en wij hebben uit de glundere gezichten van een groep Franse journalisten mogen concluderen, dat zij zeker niet gemelijk over Nederland geschreven zullen hebben. Dat is overigens een goed ding en als bijdrage tot beter begrip tussen de Nederlandse en

Wij zijn ontgoocheld

Wanneer we de verslagen van de in Utrecht gehouden kadervergadering onzer partij nog eens doorlezen valt daarin, ondanks de diverse uitgangspunten der onderscheiden referenten één grondtoon te beluisteren: de diepe teleurstelling die allerwegen gevoeld wordt over de politieke ontwikkeling in Nederland en de vrees voor een voortgaande verzuiling van ons volksleven.

Laten we er rondweg voor uitkomen als partij en als doorbraak-aanhangers zijn we diep teleurgesteld, ontgoocheld. Daarbij komt nog dat wij als protestantse socialisten de bittere pil hebben te slikken dat geloofsgenoten binnen de invloedssfeer der protestantse politieke partijen in hun reacties op het r.k. mandement de zaak van het protestantisme een dolkstoot in de rug toebrengen. In de strijd tegen de doorbraak schijnt het doel van sommige antithese-belijders alle middelen te heiligen.

Men begrijpt de doorbraak niet of wil de doorbraak niet begrijpen. Wat anders te zeggen van deze opmerking die we aantroffen in het a.r. dagblad „Trouw” van Dinsdag 6 Juli 1954.

„Na de oorlog kwam er (in de PvdA nml.) een nieuwe toeloop. De PvdA heeft zich in vergelijking tot de SDAP in belangrijke mate van socialistische dogmatiek ontdaan. Maar heeft dit de PvdA als we haar verge-