is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 32, 14-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zwaan

(Een sprookje)

's Hemelings aardse oponthoud in een betoverd woud.

’k Streek uit de hemel neer in ’t koele gras; ’k herademde verwonderd aan een plas die nog van vroeger zonlicht overbleef en vol van schitterwitte vonken dreef.

Toen, plotseling, voer er een donkerte aan; een zwijgend bos verrees, kwam om mij staan en zijn weerspiegeling doodstil verscheen in ’t blakke water, zwart als marmersteen.

Er naderde een engel, waar ik zat

aan de oeverkant ’t gras bóóg niet waar hij trad nam namens God mijn dagen in bezit.

raakte mij aan en wies mijn vleugels wit en wenkte en liet mij tot het loater gaan en maakte mij tot een sneeuwwitte zwaan.

En met mijn eigen beeld moest ik alleen en ongenaakbaar door de stilte heen.

De egale tijd verstreek en mét de dag groeide ’t verlangen naar een vleugelslag.

’k Trok uur na uur een lange rimpelvoor. tussen de diepte en de hoogte door; wijl diepte en hemel achter blad en beeld

verborgen bleven, rukte ik telkens wild

mijn wit en rimplend spiegelbeeld uiteen... maar ’t bleef, gebroken, onverbreeklijk één. En zo bezat ik diepte, hoog gewelf

noch horizon alleen mijn spieglend zelf, dat onafscheidlijk met me medegleed...

En ’k reet de stilte open met een kreet!

En mét mijn schreeuw brak er een lichtval los: een wit kasteel stond blinkend in het bos.

Een droomkasteel uit zilverblanke nacht,

waar niets beloofd wordt en niets wordt verwacht en witte wensen slapen in hun til,

de torens stonden eenzaam en doodstil, ’t gevogelt was gevlogen, geen geluid

gleed er de poorten en de vensters uit; zelfs ’t allerfijnst getakt’ bewoog zich niet, sinds de eerste morgen was er niets geschied;

’t licht hing betoverd stil als hemelrag gesponnen tussen de uren van de dag;

droompaarden stonden slapend, onbeheerd, droomboten lagen langs de wal gemeerd en stïlgerïld na de eerste lichtinslag

stond ’t bos als vastgenageld in de dag.

En zo verscheen, toen er mijn kreet weerklonk en ’t hemellicht dwars door het donker blonk

diep in de grot van ’t bos het lichttafreel: de gracht, het sprokebos, het wit kasteel.

Met gretige ogen keek ik door het groen

naar ’t vreemde zwijgen van dit visioen. ’k Zwom heel de middag maar in kringen rond tot aan het kleuren van de avondstond

en ving de laatste stralen van de zon bevreesd dat nu de tover breken kon.

Toen, eerst karbonkelend in ruit na ruit sloeg licht naar buiten, alle vensters uit, een poort sprong open op het hoog bordes

verscheen in gouden licht de droomprinses en kwam de treden af en trad in ’t gras... ’k wist dat ze om mij, de zwaan, gekomen was.

Een vreemd verbazen greep mijn wezen aan, ’k hief mij klapwiekend van de waterbaan en vloog van ’t rimplend spiegelbeeld mij los. En door de toverdracht van ’t roerloos bos

vloog ik door ’t suizend licht haar tegemoet en toen ’k mijn vleugels vouwde aan haar voet rees ik omhoog tot aan haar lokkenpracht:

en loas de prins die eeuwen werd verwacht.

En eensklaps brak de stilte open en begon

een feest van klanken; uit een carillon sprong vuurwerk op.'Uit vonkenveer na veer

viel ’t dwarrlend goud tussen de bomen neer; wind zong langs vensters, poorten en portiek, uit bloeiende prielen klonk muziek;

water werd kabblend onder ’t wuifgeboomt’, droomboten voeren met bont licht omzoomd, droompaarden briesten, sloegen vleugels uit, nachtvogels vlogen aan en riepen luid...

Mijn naam werd zacht en stamelend genoemd en zij werd stamelend en zacht geroemd.

Hoe schoon de nacht werd blijve onvermeld, uw dromen hebben ’t eeuwenlang verteld,

want als ge nachtlijks opsteeg uit de stroom stond gij dan niet betoverd in de droom,

waart gij dan ook niet princelijk bevrijd buiten de grens der grauwe werklijkheid?

De morgen kwam en voor de donkre poort verstierf het laatste onuitgesproken woord; mijn vreugd verliet mij en mijn mond werd stom.

’k betrad het oevergras en keek niet om;

ik wist; ik werd verraden en beroofd, er brak iets in mij, ’k voelde op mijn hoofd een koele hand en ik bleef staan...

een kille huivering: ik was weer zwaan.

En weer bevoer ik eenzaam, uur na uur, omgeven door de dichte bladermuur het even ondoorzichtig waterrak;

ik ritste open ’t glasdunne oppervlak totdat het rimpelde in voor na v00r,...

en oSc in deze droom ging ik te loor, tot ’k weer om horizon en ruimte riep,

mijn kreet de droom in d’ eerste droom herschiep.

Dit vreemde wisselspel van nacht en dag door ’t hunkren naar een vroegre vleugelslag

moest eenmaal enden; ’k was in aardes tijd

overgegeven aan vergankelijkheid. En ’t woud verdween, ik zat weer aan de plas, die nog van vroeger zonlicht over was.

’k Was niet verwonderd dat weer de engel kwam en mij in zijn behoedende armen nam

en zei: „Kom mede en wees niet ontsteld, het uur is daar, uw dagen zijn geteld.” Ik volgde en sloeg de witte vleugels uit.

’fc werd in de hemelruimte vol geluid, ik werd een lied, een juublend leeuwrikslied...

Dit is het sprookje en ’t is echt geschied.

Elk is op doortocht in ’t betoverd woud waarin de ziel in ’t korte oponthoud in dromen, uit verlangen en gemis geboren, tot de dood gevangen is.

Dood, leven, dag en nacht, ’t is alles één, want de ene droom glijdt door de andre heen

JOHAN TOOT