is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 32, 14-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij is uit den Duivel, de Maatschappij van Weldadigheid! De armoede te willen opheffen! Het ontwerp is boven het bereik der menschen. Zij willen een toren van Babel bouwen! Maar het geheele gebouw zal omver. De bijl ligt aan den boom, en de tijd van Gods herstellende Almacht breekt aan!” Wat minder fel drukt zijn geestverwant de Rotterdamse dichter Willem Messchert zich uit. „O welk een dwaasheid (om niet meer te zeggen)”, schrijft hij, „te denken dat de armoede is uit te roeien, en daarvoor Maatschappijen te stichten, zooals die van Weldadigheid. Men leidt eenige takjes af van den landverzwelgenden stroom, maar wie kan de bron stoppen?”

Het zou onjuist zijn, te zeggen dat de Réveilmannen zich de zaak van de armoede niet aantrokken. Het tegendeel is waar. „Die zaak der armen wordt mij dagelijks gewichtiger,” schrijft Da Costa in 1838 aan zijn vriend Willem de Clercq. „Ja! daar moet iets gedaan worden. Het bevel des Heeren is daar. Zijn genade zal zich niet onbetuigd laten. Mochten die trage handen en slappe knieën bij mij maar wat gesterkt worden. Want wat hebben de armen aan onze inzichten? Doch in het geheel moet er meer gezorgd worden voor dat gedeelte der maatschappij, geestelijk en tijdelijk. Ik zou wenschen het gemeenschappelijke daarin, schoon niet genootschappelijk. Geregeldheid, maar geene organisatie. De liefde moet dringen en dan zal het ook aan geene wijsheid ontbreken.” Deze houding is typerend voor het grootste deel van de Nederlandse christenen van die tijd, die met de beste bedoelingen bezield waren en die zeker goed deden waar ze konden, maar bij wie men een ontstellend wanbegrip aantreft over de structuur der maatschappij en over allerlei sociale vragen.

Het is merkwaardig om te zien hoe degenen, die in deze tijd over de armoede hun gedachten laten gaan, altijd weer oorzaak en gevolg verwarren. Al de slechte eigenschappen en hebbelijkheden, die men mag veronderstellen bij een proletariaat dat in de siechtst denkbare economische omstandigheden verkeerde, zagen zij de oorzaken van hun armoede. De een legt op dit, de ander op dat symptoom de nadruk en de besten onder hen komen al weinig verder dan tot een compilatie van al deze verschijnselen. Sommigen zagen in de armoede werkelijk niets dan eigen schuld, gevolg van verkwisting, arbeidsschuwheid en drankzucht. Anderen stellen de ongodsdienstigheid en de zedeloosheid op de voorgrond. Ds. G. van Warmelo gaf in 1834 een voor het Bijbelgenootschap gehouden rede uit over: „Bijbelverspreiding, een geschikt middel om volksopstand tegen te gaan.” Zelfs een man als O. G. Heldring stelt zich op het standpunt, dat de armoede grotendeels een gevolg is van de lichtzinnigheid en de goddeloosheid der armen, onder wie men dan ook maar zelden ware trouw aantreft. Verder ziet hij als een belangrijke factor de ontstellende vermenigvuldiging van de huwelijken, die zonder enig uitzicht op een broodwinning al heel vroeg worden gesloten. Deze opvatting herinnert aan een uitlating die de literator Jacob Geel zich eens in een bitter ogenblik liet ontvallen: „Het vervloekte gemeene vee trouwt vóór hun achttiende jaar, vreet aardappelen, maakt teringachtige kinderen, komt aan de armenkas of gaat bedelen, God beter ’t allemaal om geen soldaat te worden!”

In het revolutiejaar 1848 wordt het probleem nijpender dan ooit, nu men aan het buitenland gezien heeft, waartoe het proletariaat kan komen. De Groninger hoogleraar F. Hofstede de Groot betoogt dat het enige middel tegen de armoede is, de armen door ze te bespreken tot „betere” mensen te

maken. De liberale mr. W. R. Boer schrijf tl in hetzelfde jaar in een Gids-artikel over „die afzigtelijke kwaal van het pauperisme” en is van mening dat deze grotendeels voortspruit uit „die verworpene afhankelijkheid, uit dat algeheel gemis van gevoel van eigenwaarde, eigen kracht en eigen energie, dat natuurlijk meer en meer bij hen de overhand neemt, welke men van jongs af gewend heeft op kosten der maatschappij, dat is van hunne nijvere medeburgers, een vadsig en slepend leven te lijden.” Ook hier hoort men het „eigen schuld” doorklinken, dat A. Elink jr. het jaar daarop in een pamflet: „Hoe is het pauperisme te stuiten” (1849) nog eens beklemmend toont. Uit eigen ervaring kan hij aantonen dat luiheid, drankzucht, zedeloosheid en dergelijke eigenschappen de eigenlijke oorzaken zijn van de armoede van velen.

Een enkele schrijver wijst op het sociale karakter van de armoede. We vinden daarvan al iets in de brochure van J. A. Royen, „Wetgeving en armoede” (1846), die de armoede als oorzaak van de stijgende criminaliteit aanwijst. In een ander pamflet, „Wat is er te doen tegen de armoede?” (1851), onderscheidt de anonieme schrijver twee soorten armoede: die als gevolg van onwil tot werken, maar ook die als gevolg van de onmogelijkheid om werk te vinden. Dat zelfde besef van de betekenis van economische factoren was trouwens al eerder tot uiting gekomen in het bekende werk van G. Luttenberg, „Proeve van onderzoek omtrent het armwezen in ons vaderland” (1841). De schrijver, die gemeentesecretaris van Zwolle was, somt als de voornaamste oorzaken die een nadelige invloed op het armwezen hebben uitgeoefend op: toeneming der bevolking, gebrek aan arbeid, laagte van de arbeidslonen, wangedrag, verwaarloosde opvoeding van de jeugd, kwalijk bestuurde weldadigheid en slapheid van de politie in sommige plaatsen. Oorzaak en gevolg staan hier naast elkaar.

maar het is al heel wat dat de eerste niet over het hoofd wordt gezien. Dat zelfde geldt voor het „Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons vaderland” (1851) van De Bosch Kemper, die als algemene oorzaken van de armoede noemt: gebrek aan voortbrenging (productie), gebrek in de verdeling van de arbeid, aan genoegzame kennis, spaarzaamheid (I), en arbeidsvermogen. Daarnaast noemt hij als oorzaken van armoede bij bijzondere personen: vroege huwelijken, onzedelijkheid, misbruik van sterke drank, zwakke lichaamsgesteldheid en verkwisting.

Keren we nog eenmaal tot Van den Bosch terug, niet de enige, maar wel de eerste Nederlander die de armoede uit de maatschappelijke verhoudingen verklaarde. Zijn levensbeschrijver dr. J. J. Westendorp Boerma ziet hem dan ook als een voorloper van het socialisme. Nog op het laatst van zijn leven wees hij er op, dat negentiende van de misdadigers en de prostituées uit de paupers voortkwamen. „Zoo wreekt zich de armoede op de onverschilligheid en de liefdeloosheid der betere standen.”

Naast hem moet de zoon van Gijsbert Karei, Willem van Hogendorp genoemd worden, die al op jonge leeftijd tot het inzicht was gekomen dat de arbeider te lang werkte en te weinig betaald werd, en dat de onevenredige verdeling der goederen „die staat van ongelijkheid van bezitting, die een gruwel zijn moet in Gods ogen de oorzaak was van de maatschappelijke ellende.” „Zoo de man,” vraagt hij in 1821, „in plaats van 12 of 16 uren zwoegens voor een kommerlijk loon, waarbij nog vrouw en kinderen hongeren, eenige meerdere genieting en overvloed bekomen kon voor de helft of voor een derde van den arbeid, dien hij thans verricht, zouden godsdienst en zedelijkheid daar zooveel bij verliezen?” Maar voor deze gedachte van de achturenwerkdag zou de tijd voorlopig nqg niet rijp zijn. P. J. MEERTENS

Solidariteit

Het Zwitserse weekblad „Die Weltwoche” publiceerde onlangs (in het nummer van 19 Maart jl.) een brief van een vluchteling uit de Oostzone, waarin deze zijn nood klaagde. Hij werd in 1945 door de Amerikanen uit Buchenwald bevrijd, waarna hij naar zijn woonplaats in Oost-Duitsland terugkeerde. Hier slaagde hij er tot op zekere hoogte weer in een praktijk op te bouwen (hij was jurist). Toen hij evenwel de zekerheid had, dat hij gearresteerd zou worden, nam hij de wijk naar Berlijn, „in vertrouwen op de propaganda van het Westen.” Natuurlijk betekende dit, dat hij alles achter moest laten, wat hij bezat. Dat gebeurde drie jaar geleden. Maar nu begon de ellende pas. Onze jurist verdiende zijn magere kost (187 D.M. per maand!) als stoker, boodschappenjongen e.d. in een sportzaak. Nu had hij daar evenwel zijn ontslag gekregen en wilde proberen als ongeschoold arbeider in het bouwbedrijf een plaatsje te krijgen.

Dit alles is ten slotte niet veel bijzonders en daarom eigenlijk niet de vermelding waard. Er zijn immers millioenen vluchtelingen en ontheemden, die overal ter we-

reld op dergelijke wijze maar moeten zien, dat zij er komen. Belangrijk wordt dit geval eerst door wat de schrijver aan zijn relaas toevoegt: „Ik wil precies als zovele andere vluchtelingen thans nog maar één ding: eindelijk naar de zone teruggaan." (Cursivering van ons – R.L.)

„Daarbij,” gaat hij voort, „maak ik mij generlei illusies, dat ik mijn bezit, dat in beslag is genomen en „onder de hoede van de DDR geplaatst,” ooit zal terugkrijgen. Maar ik heb nu ruim drie jaar in het Westen vertoefd” het Westen „genoten” zegt hij bitter „en daarbij niets dan de bitterste ervaringen opgedaan.! Daarbij vergeleken zou de slavernij in de zone maar een kleinigheid zijn. Als ik maar de zekerheid had, dat ik niet onmiddellijk word gearresteerd wegens mijn vroegere optreden, of in de propaganda ingeschakeld (want ook dat schijnt af en toe te gebeuren). En vergeet u één ding niet; daarginds wonen achttien millioen mensen, die als één blok solidair zijn en elkander niet in de steek laten, op een manier, die men in het Westen nergens aantreft.”

Het lijkt ons goed hier op dit geval de aan-