is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 32, 14-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht te vestigen, omdat wij weten, dat het niet op zich zelf staat. Wij hebben een dergelijke reactie zelf meermalen aangetroffen bij mensen, die in de Oostzone woonden en in West-Duitsland op bezoek waren of waren geweest. En iemand, die uit het communistische Tsjechoslowakije kwam, vertelde ons, dat wel is waar slechts 23 pet. van de bevolking achter de communisten stond, maar dat de meerderheid toch niet meer r\aar het Westen terug zou willen. Wij zijn maar al te licht geneigd aan te nemen, dat wie achter het gordijn tegen het daar heersende regiem is, ook vóór het Westen met al zijn heerlijkheden is. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. „Die Weitwoche” tracht de oorzaken daarvan te ontleden en schrijft: „Wij zijn gewoon in het Westen ons uiterst zelfvoldaan op de borst te slaan: hebben wij hier niet de vrijheid en de democratie? Bezitten wij hier geen veel hogere levensstandaard? Het particuliere initiatief, het recht van critiek, de rechtsstaat? O ja, tot op zekere hoogte bezitten wij dat alles en wij moeten ons steeds goed en diep bewust blijven, welk een grote waarden dat zijn ondanks alle onvolmaaktheden. Maar al deze dingen lopen gevaar, ernstiger en radicaler dan door rode divisies en atoombommen, wanneer wij datgene kwijtraken, waarover deze vluchteling het heeft; de solidariteit.”

En het toch voor zover wij weten waarlijk niet socialistische, laat staan dan communistische legt de vinger precies op de wonde plek van onze samenleving, wanneer het vervolgt: „Ook de wereld van omstreeks 1900 scheen prachtig in elkaar te zitten, had het geweldig ver gebracht en werd gedragen door een voortdurende vooruitgang. Toen ging alles kapot, radicaal en voorgoed, omdat al die waarden, waarop men zo trots was, slechts het privilege waren van een minderheid. Slechts van een maatschappelijke bovenlaag en aardrijkskundig gesproken slechts van Europa en Noord-Amerika.

Ook thans is de welvaart van West-Europa en Noord-Amerika weer geweldig groot.

Maar het is nog altijd slechts een klein gedeelte van de wereld, die toegang heeft tot haar waarden en ook in dit kleine gedeelte zijn er millioenen, die daar geen deel aan hebben. Dit is niet alleen in zedelijk opzicht aanstotelijk. Het is ook gevaarlijk, omdat het bij de uitgeslotenen, de Aziaten, de vluchtelingen en de onderdrukte volken achter het ijzeren gordijn (waaraan het Westen wel propaganda, maar geen consequente politiek heeft te bieden, noch het goede voorbeeld geeft) een solidariteitsgevoel kweekt, dat zich tegen ons zou kunnen richten, zonder dat wij iets anders hebben om daar tegenover te plaatsen als onze techniek en ons ellebogen-idealisme.”

En het blad besluit met de woorden: „Men mag met enige zekerheid aannemen, dat het binnen afzienbare tijd niet tot een hete oorlog zal komen. De strijd tussen Oost en West zal (X)k verder worden gevoerd op de slagvelden van politiek en propaganda, met de middelen van de psychologische oorlogvoering. Propaganda is echter niet datgene, wat men zegt, maar dat, wat men doet; de houding, die men aanneemt ten aanzien van het practische leven. En wanneer het Westen op dit front de wereldstrijd om de zielen van de mensen niet wint, zal het op een gegeven ogenblik de beslissende strijd van onze tijd hebben verloren, zonder dat het zijn moeizaam opgestelde divisies in beweging bracht.

Nog altijd bezit het Westen blijkbaar een groot crediet bij de bevolking van de satellietenstaten en zelfs bij die van Rusland zelf. Maar wanneer wij voortgaan dit crediet te verspelen wanneer het zover komt, dat politieke vluchtelingen, overtuigde anti-communisten dus, liever naar de rode hei terugkeren dan ons onmenselijk egoïstische paradijs nog langer te verdragen, zouden we op een goede dag wel eens bittere verrassingen kunnen beleven.”

„En de schuldigen daaraan zullen wij zijn, wij allen, die zelfvoldaan uitroepen: „Ben ik dan mijns broeders hoeder?” ”

ROB LIMBURG

COMMISSIE VORMINGSWERK VAN DE HERVORMDE KERK IN DE PROVINCIE FRIESLAND

Daar voor velen onder ons de verhouding tussen het werk en de vrije tijd dikwijls een probleem vormt, komt het ons voor dat het prettig zou zijn, hierover met elkander van gedachten te wisselen. Daarom nodigen wij u uit voor een Weekend op Zaterdag 11 en Zondag 12 September 1954, in het huis van de A.G. der Woodbrookers te Kortehemmen.

Het programma luidt als volgt:

Zaterdag: 4—5 uur: Aankomst en thee; 6 uur: broodmaaltijd; 7.30 uur: Inleiding door mejuffrouw da. J. Stegeman, te ’s-Gravenhage, over: „Wat betekent mijn werk in mijn leven?”. Nabespreking; 10 uur: Avondsluiting.

Zondag: 9.30 uur: Korte kerkdienst 0.1. v. mej. da. H. E. Dusseldorp, in het kerkje te Kortehemmen; 10.30 uur: Koffie, waarna wandeling; 12.30 uur: Warme maaltijd; 2 uur: Inleiding mej. mr. M. A. Klomp te Utrecht, over: „Vrijetijdsbesteding van de werkende vrouw”; 3.30 uur: Thee en nabespreking; 4.30 uur: Sluiting.

De leiding van het weekend berust bij mej. da. H. E. Dusseldorp, Ziekenhuispredikante te Leeuwarden, en mej. J. N. Niessink, Maatschappelijk werkster, eveneens te Leeuwarden.

De kosten bedragen ƒ6.— per persoon. Meebrengen: 2 lakens en sloop (kunnen eventueel voor ƒ 1.— per stel gehuurd worden), handdoeken, verdere

toiletbenodigdheden en eventueel zangbundels van de Herv. Kerk, Nederlands Volkslied e.d. De verbinding is het gemakkelijkst over Beetsterzwaag; vandaar is het ong. 20 minuten lopen. Uitstappen bij café De Vries.

Reisgelegenheid: vertrek bus Heerenveen 4.00 uur, vertrek bus Drachten 3.45 uur. Aanmelding: deze dient te geschieden bij mej. J N. Niessink, Leeuwrikstraat 159, te Leeuwarden en wel vóór 1 September a.s.

Namens de Commissie van Voorbereiding, H. E. DUSSELDORP, J. N. NIESSINK

LEESTAFELNIEUWS

Arthur v. Schendel, Over boeken. Marie Cremers. Lichtend verleden.

Beide boekjes, keurig uitgegeven door de Wereldbibliotheek-vereniging, Amsterdam, zijn als Paas- en Pinkstergeschenk verspreid onder de leden der WBver., maar ook voor niet-leden verkrijgbaar. Het zijn prettig leesbare boekjes. In het bijzonder wil ik wijzen op de Jeugdherinneringen van Marie Cremers, licht en behoorlijk geschreven, vol interessante herinneringen aan schilders en schrijvers en ingeleid door A. Roland Holst.

Theodor Storm. De man op de schimmel. Vert. door Cor Bruijn. 1954. Uitg. Ploegsma, Amsterdam. Geb. ƒ5,90.

Gezaghebbende stemmen hebben zich over deze laatste novelle van Theodor Storm (hij voltooide haar kort voor zijn dood in 1888) zeer gunstig uitgelaten. Thomas Mann noemt in een essay over hem dit verhaal „een machtige vertelling, waarmee hij de novelle, zoals hij deze opvatte, tot een sedertdien niet meer bereikt hoogtepunt opvoerde.” Stefan Zweig noemde het „een meesterwerk, dat de kroon is op Theodor Storms kunstenaarsleven.” Met deze lof zal men na lezing van dit boek volkomen instemmen.

Het verhaal speelt in Noord-Priesland aan de Noordzeekust, in pl.m. 1750. Hoofdfiguur is Hauke Haien, die zich door wilskracht en intelligentie opwerkt tot dijkgraaf. Hij is zijn tijd vooruit en zet, ondanks tegenkanting door jaloezie en wanbegrip, de bouw van een beter geconstrueerde dijk door. Uiterst streng voor zich zelf en anderen, blijft hij de eenzame, zelfs door het bijgelovige volk geschuwde figuur, die staande blijft door de steun van zijn begrijpende vrouw en zijn liefde voor haar en zijn achterlijk kind.

Moe door de groeiende antipathie onder zijn dorpsgenoten, verliest hij voor een keer de gewone waakzaamheid uit het oog en dit wordt hem en zijn gezin noodlottig. Met vrouw en kind gaat hij bij een doorbraak van zijn dijk ten onder.

Het is een soort raamverhaal en dit geeft de schrijver gelegenheid een romantische sfeer te scheppen en duidelijker te doen uitkomen, waardoor onder het volk het bijgeloof ontstaat, dat hij een spookschimmel berijdt, een uit een oud op een zandbank liggend karkas herrezen paard met duivelse eigenschappen. Toch is de schrijver in zijn beschrijvingen realistisch. Deze vereniging van romantiek en realisme geeft kleur én kracht aan het verhaal.

De bruiden van Soe Yeoe Pe. Chinese roman uit de vijftiende eeuw. Naar de Franse vert. van Stanislas Julien voor Ned. bewerkt door dr. J. A. Leering. Uitg. Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, ƒ 1,25. Na wat gewend te zijn aan de typisch Chinese schrijftrant met zijn gemoedelijke uitvoerigheid in de beschrijvingen, zijn steeds weergeven der omslachtige beleefdheidsvormen, zijn bloemrijke beeldspraak, kan men volop genieten van dit met milde humor en soms ook zachte spot geschreven avonturenverhaal, spelend in het milieu van geietterden (pl.m. 1450b voor wie het vervaardigen van gedichten, uitgaande van opgegeven rijmwoorden, een der fijnste geestelijke genietingen is. Door een overvloed van verzen, wijn en bloemen, spel en ceremoniële bezoeken heen, vloeit het verhaal rustig voort van een jonge, verliefde geleerde, die de jonge vrouw, op wie hij zijn zinnen heeft gezet en wier spoor hij is kwijtgeraakt, tracht te vinden. Op ingenieuze wijze weet de auteur steeds meer het moment te verschuiven, waarop de zoeker zijn bruid zal vinden en als dit eenmaal geschiedt, blijkt het, dat hij zelfs twee bruiden verworven heeft. Wilt ge weten, hoe, lees dan dit bekoorlijke boekje, dat ons tussen onze Westerse romanliteratuur als een ware verkwikking wordt voortgezet door de goedverzorgde Prisma-serie. 'J. T.

E. Heimans en Jac. F. Thijsse: Van vlinders, bloemen en vogels. 6e geheel herziene uitgave en uitgebreide druk, geïllustreerd. Uitgeverij Ploegsma, ,A’dam 1954, 147 blz. ƒ4,90 geb.

Oudere lezers kennen dit boek onder de titel „Langs dijken en wegen”. Merkwaardig is dat deze boekjes (het is nl. een uit een ganse reeks) nog geenszins verouderd zijn; noch naar de schrijftrant, die boeiend en populair, noch naar de wetenschap, die volgens het zeggen van insiders volledig up to date is. Het is een waar genot dit boek te lezen, ook voor iemand, die als uw recensent, stadsmens is en maar weinig van de natuur af weet. Immers het is alsof ge met de schrijvers op ontdekkingstocht uittrekt in een onbekend rijk en ge wordt telkens weer geboeid door wat zij achterhaald hebben van de „geheimen der natuur”. Daarbij spreken ze niet over buitenissigheden, maar bijv. over zulke gewone planten als brandnetels. Wat ge dus eerst leert, kunt ge daarna zelf controleren. Een aanstekelijke liefde voor de natuur gaat van deze boeken uit. Geschikte lectuur ook voor opgroeiende kinderen.

Annie M. G. Schmidt: De toren van Bemmelekom, plaatjes van Wim Bijmoer. Uitgave Arbeiderspers, A’dam 1953, 63 blz. ƒ 2,90.

Het zoveelste boek met versjes van deze vruchtbare schrijfster en ze handhaaft zich op haar hoog niveau. De leuk-bedachte verhaaltjes, de grappige namen der hoofdpersonen, de verrukkelijke dichttrant maken deze bundel tot een ideaal voorleesboek, waar de oudere lezer zijn eigen plezier aan beleeft. De kinderen luisteren er geamuseerd naar; de ouderen kennen weldra hele fragmenten van buiten en dagenlang plagen ze elkaar met de gekke namen. Wie bij ons thuis uit zijn humeur is, wordt een „Kielemedaanse beer” genoemd. Nu, dan weet u het wel! Aanbevolen! J. G. B.

Druk N.V. De Arbeiderspers Amsterdam