is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 35, 04-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Heet ] behoort de aarde l en haar 1 volheid. ƒ Psalm 24 ; 1 y/

Tyd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 4 September 1954 No. 35

Redactie: ds. J. J. Buskes Jr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. BomhofF

Redactie-Secr.: Roerstraat 48’ Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr. J. G. BomhofF

Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr. M. V. d. Voet ds. RJ.de Wijs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

mnementperJaarfS,— ; halfjaar f 2,75; kwartaalfi,so plus f 0.15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; De Arbeiderspers, Hekelueld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Gelijk in ongelijk ongelijk in gelijk

Verschillende bladen hebben ons dezer dagen artikelen gebracht over dat merkwaardige echtpaar Kees en Betty Boeke en hun over de wereld beroemd geworden pedagogisch experiment „De Werkplaats” in Bilthoven. Kees Boeke wordt zo aanstonds 70 jaar, wil zich onderwerpen aan de normale regel dat je dan ontslag hebt te nemen als rector van een school (er is al gedurende vijf jaar dispensatie voor hem gevraagd en gegeven); hij en zijn vrouw gaan dan nog eens beginnen in het gebied van de Libanon, waar zij vroeger ook al hebben gewerkt en waar zij nu nog wat zon proberen te brengen in het leven van kinderen van Arabische vluchtelingen, die daar in allerellendigste omstandigheden verkeren.

& zou over het leven van deze twee mensen, over het succes van hun „Werkplaats” zegen, die uit een mislukking door een verkeerd beginsel voortkwam allerlei te overdenken zijn. Ik zal dat niet doen, acht mij daartoe niet bevoegd. Maar er is één „probleem” dat mij bezig is blijven houden en waarover ik mij wél een oordeel aanmatig, en dat zelfs in bewonderende beschouwingen op de achtergrond of in het gedrang is geraakt. Menige oudere lezer van Tijd en Taak herinnert zich hoe Kees Boeke in de jaren na 1923 in radicaal conflict kwam, telkens herhaald, met politie en staat: hij weigerde belasting te betalen, gebruikte geen treinen, geen postzegels daarachter stonden staatsbedrijven! gebruikte dus ook geen telefoon enz., wekte op tot persoonlijke dienstweigering, maakte daarvoor propaganda op straat en werd dan door de Utrechtse politie opgebracht, enz. En dat alles op grond van zijn Quakers Christendom, dat naastenliefde en zachtmoedigheid gebood, oorlog, geweld en staat veroordeelde.

In een aan de Boekes gewijd artikel in Paraat van verleden week lees ik nu

wat we trouwens al wisten dat Kees Boeke zijn overtuiging van weleer heeft laten vallen en tot het inzicht is gekomen, dat met name zijn staatsopvatting wijsgerig en godsdienstig niet bepaald sterk was gefundeerd; en mij dunkt, hij kon daaraan toevoegen: zijn opvatting over de mens en de menselijke samenleving evenmin. Als ik dat nu zo hoor en terugdenk aan de twintiger jaren en het optreden van de Boekes toen, dat mij irriteerde het was immers onwerkelijk, aanstellerig, ondoordacht enz. dan betrap ik me zelf op deze merkwaardige gedachte: „wij” (zeg nu maar: de socialisten, of de lieden van een ander soort christendom) wij hebben dus gelijk gekregen, en eigenlijk ben ik daar helemaal niet gelukkig mee, en zou er in het ongelijk, dat Kees Boeke nu óók van zich zelf gekregen heeft, wel eens meer gelijk kunnen zitten dan nu erkend wordt.

Want in dat onwerkelijke, ondoordachte, dwaze optreden van Kees Boeke kwam naar voren, dat er toen één mens het waagde te tonen, in zijn daad: dat hij de onderwerping aan het staatsgezag weigerde op grond van de gehoorzaamheid aan een ander, hoger gezag. Nu moge in de kwarteeuw, die sedert verlopen is, de staat op allerlei wijze zijn positieve betekenis voortdurend hebben bewezen: ik denk aan de duizenden oudjes, die „van Drees krijgen”, aan het arbeidsrecht, aan sociale zorg, aan jeugdbemoeienis enz., aan het begrip en de werkelijkheid van de „welvaartstaat”; nu moge het waar zijn, dat met name de socialisten daarin terecht een bescheiden stukje verwerkelijking van hün ideaal zien daar staat naast, dat wij meer dan ooit behoefte hebben aan mensen, die in innerlijke vrijheid weten van een ander gezag. Het blijft mij beklemmen, steeds sterker, dat bij alle krachtsinspanning ter verdediging van onze democrati-

sche vrijheid wij steeds minder weten wat innerlijke vrijheid is. In het verhaal uit Handelingen lees ik hoe het spreken van de Apostelen over Christus verboden wordt en gestralt, en hun antwoord is: men moet Gode méér gehoorzamen dan de mensen. Dat wordt in de 20ste eeuw weer waar gemaakt o.a. door mensen achter het ijzeren gordijn.

Ik sla nog eens op in de Verzamelde werken van prof. Paul Scholten de lezingen, die hij indertijd gaf over „Beginselen van samenleving”. Daar zegt hij o.a. dit: „Als wij Gods gezag aanvaarden, dan is daar voor ons tweeërlei mee gegeven. Vooreerst: dit gezag is boven elk gezag. Het wijst elk gezag zijn grens, een onvoorwaardelijk gezag van de vorst of van wie ook bestaat niet. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen, is een woord dat wij juist in deze tijd niet mogen vergeten. Wanneer ik in mijn geweten overtuigd ben, dat God verbiedt, wat een mens van mij verlangt, hoe hoog geplaatst, hoe voortreffelijk hij mag zijn, dan moet ik w'eigeren. Het is gemakkelijk het uit te spreken, uiterst moeilijk het vol te houden. Laten wij daarom niet oordelen, over wie dat niet vermochten. Het woord is er niet minder waar om.”

Kees Boeke had ongelijk, vroeger, in zijn „staatsbreuk” maar in dat ongelijk demonstreerde zich een waarheid, zonder welke geestelijke vrijheid afsterft: de werkelijkheid van het gezag van God boven elk ander. Wij, socialisten, hadden en hebben gelijk, wanneer wij de staat aanvaarden en positief waarderen maar in ons gelijk zou wel eens te loor kunnen gaan de waarachtige innerlijke vrijheid, die blijmoedig, innerlijk verzekerd, om macht, rijkdom, geleerdheid en gewichtigheid lacht...

Ik neem aan, dat ik voor onze lezers niet nadrukkelijk behoef te waarschuwen voor misverstanden. Wij blijven dus, op grond van het gelijk dat wij hadden en hebben, aan politiek doen, en een staat mee opbouwen ter wille van recht, orde en welzijn. Maar ik wil daarin het stuk gelijk, dat Kees Boeke had, trachten op te nemen. En daarom moet voortdurend de vraag worden gesteld: en wat is de mens tegenover God, wat is het recht van God op de mens, op de maatschappij, op de staat? De menselijke vrijheid ligt in wezen niet in de rechten, die maatschappij en staat garanderen (al moeten zij dat doen) menselijke vrijheid is bovenal een zaak van het geweten, het hart, in zijn verhouding tot God.

Het beste, dat wij het echtpaar Boeke kunnen toewensen voor hun werk ginds in het Libanongebied; dat zij ook daar als vrije mensen mogen leven in gehoorzaamheid aan het Gezag boven alle gezag. W. B.