is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 36, 11-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gevaarlijke voorlichting

n.a.v. dr. J. Fataricius-Möller, een eerlijke sexuele moraal. Vertaald door Joh. Winkler. Uitgave Daamen Den Haag. 82 blz. ƒ 3,90.

De vloedgolf van boeken, die voorlichting wiilen geven op sexueel gebied, houdt aan. Ik vermoed er een goudmijntje in voor ondernemende uitgevers. Nu zijn er goede redenen aan te voeren voor dit feit. Er is inderdaad vandaag een sexuele nood, in die zin o.a. dat er grote onzekerheid heerst over hoe de mens op dit gebied handelen moet. Daarnaast staat wel vast, dat veel jongeren de zo broodnodige voorlichting moeten missen, omdat hun ouders, de eerst aangewezenen, hier te kort schieten.

En dus verschijnen er boeken met aantrekkelijke titels. Een eerder boek van deze schrijver had als ondertitel: „Vrijmoedige vragen openhartig beantwoord”. Dat lijkt op „Dokter, zeg eens eerlijk”. Ook zo’n boek, dat dezer dagen verscheen. En zo zou ik door kunnen gaan. De titel van het onderhavige boek bevat in zijn toevoeging „eerlijk” („Een eeriijke sexuele moraal”), ook zo’n suggestieve aanduiding: eerlijk. Tot nu toe is er maar omheen gepraat, maar nu zal er eens openhartig gesproken

worden. De omslag werd versierd met een groot suggestief portret van de schrijver in een artsenjas (het voorgaande boek eveneens). Het is de schrijver, die heel het boek getuigt ervan het uitstekend met zich zelf getroffen heeft. Hier is echter een lezer, die niet zo gelukkig is met dit boekje.

Natuurlijk houdt de afwijzing van dit boek niet in, dat er ook niet waardeerbare passages in voorkomen; het pleidooi voor een onbevangen voorlichting bijv. onderschrijf ik volkomen, en zo is er meer, maar in z’n geheel moet m.i. dit geschrift volstrekt afgewezen worden en wel op de volgende gronden:

a. Men kan een zeer bekwaam arts zijn en nochtans slechts weinig kennis bezitten van de zedeleer. Dit nu is hier het geval. Het boekje geeft geen sexuele moraal, maar behandelt slechts, zonder achtergrond, enige problemen uit deze wetenschap. Men moet dit bezwaar niet gering achten. Doordat de schr. zich geen rekenschap geeft van de volle omvang der onderhavige vraagstukken in ’t verband met het geheel, vervalt hij tot vlotte gelegenheidsoplossingen op nuttigheidsgronden. Ik vraag me zelfs bezorgd af, of hij wel weet, waarover hij spreekt. Het valt nl. op, dat het woord „moraal” in twee geheel verschillende betekenissen gebruikt wordt. Soms betekent het gewoonteregels, m.a.w. de alledaagse practijk (bijv. blz. 27, 32, 63), elders weer: de regels van het behoorlijk behandelen, m.a.w. niet wat de mensen doen, maar wat ze moeten doen. Het is vanzelfsprekend, dat de overgang van de ene opvatting naar de andere ontoelaatbaar is. Te veel wordt in dit boekje geredeneerd in deze trant: alle mensen doen het, dus het mag. Wie daartegen opkomt, heet huichelaar. Als ouders zelf een fout gemaakt hebben, mogen zij die aan hun kinderen niet verbieden of verwijten! (zie blz. 53), alsof iedere opvoeder niet als ideaal zou stellen, dat de opvoedelingen beter moeten worden dan zij zelf. Begrip voor menselijke zwakheid wordt te vaak verward met goedkeuring en goedpraterij.

b) Tergend opperviakkig is, wat de schr. in het midden brengt over christendom en bijbel. Na het stemmingmaken tegen de traditionele christelijke opvattingen bereikt hij een hoogtepunt op biz. 68, waar hij botweg beweert, dat hij geen onzedelijker boek kent dan de bijbel op grond van zekere verhalen, die toch waarachtig door de bijbelse schrijver niet goedgekeurd worden, en dan volgt er een stukje uitleg van Matth. 5 : 27 dat nergens op lijkt, terwijl geen één wezenlijk ter zake dienende tekst juist geciteerd wordt. Heel dit stuk is kortweg grof misleidend en ergerlijk.

c) Voor de vriendelijke schrijver van dit boekje is de oplossing van de sexuele nood eigenlijk heel eenvoudig: het is een voortschrijdend proces van vrijmaking, een steeds meer prijsgeven van verboden op nuttigheidsgronden. Zo bepleit hy allereerst dat zwangerschapsonderbreking bij de wet moet worden toegestaan, mits de abortus door een arts wordt verricht en mits de vrouw eerst alle nodige hulp door de

gemeenschap is aangeboden bij een bevalling. Zijn argument is: het gebeurt toch en het is niet zo gevaarlijk als vaak beweerd wordt. Ziehier de diepe reden, waarom de kerk er zich aitijd tegen heeft verzet: „...het ongeboren kind heeft een eigen persoonlijk leven als genadegeschenk van God ontvangen. Daarom kan alleen Hij, die het leven gegeven heeft, het ook weer nemen” („Het huwelijk”, synodaal schrijven 1952, blz. 103). De schr. doet helaas zelfs geen ernstige poging om dit argument te weerleggen. Hem komt de veroordeling van het misdrijf van de opzettelijke abortus even gek en oudmodisch voor als het straffen van heksen (blz. 16).

Een andere maatregel, die hij roekeloos bepleit, is de sterilisatie. Ook weer iets dat we, naar zijn zeggen, veel te zwaar opnemen (blz. 38). „Wat heeft de maatschappij er eigenlijk mee te maken, als een normale man of vrouw zich wenst te laten steriliseren, om aldus het krijgen van kinderen tegen te gaan?” „Een geluk voor tal van huwelijken,” roept de schr. enthousiast uit, „waar de angst voor een ongewenst kind oorzaak is de verhouding tussen de echtgenoten te vertroebelen.” Alsof de mens zich zelf maar mag verminken naar eigen goeddunken, alsof de definitieve afwijzing van het ouderschap niet meebrengt een afwijzen van goddelijke genade en verrijking.

Een derde maatregei, door deze schr. bepleit, is het goedkeuren van geslachtelijke omgang vóór het huwelijk. De mensen doen het immers toch? Dat daarmee het onderscheid tussen huwelijk en verioving prijsgegeven wordt, dat daarmee miskend wordt het maatschappelijk aspect van het huwelijk (zie hierover uitstekend het hierboven geciteerde herderlijk schrijven, blz. 64 e.v.), kan hem blijkbaar niet deren. Elders schrijft hij opgewekt: „Eigenlijk moest het voor een jong meisje of een jonge man even normaal zijn ergens praeservatieven als een lippenstift of een pakje sigaretten te kopen (biz. 63).

Ten siotte: het is moeiiijk over deze zaken te discussiëren. Wie hier normen aanlegt en de moed heeft te zeggen, dat dit of dat ongeoorloofd en zonde is, laadt al heel spoedig de verdenking op zich, dat hij huichelt of minstens dat hij zonder deernis oordeelt over andermans vaak uit bittere noodzaak ontstane levenspraktijk. Nochtans, het gaat er niet om, dat men geen begrip zou hebben bijv. voor het leed der ongehuwde moeder, voor de angst die soms tot de misdaad van de opzettelijke abortus drijft, maar medelijden, dat voert tot verdoezeiing der grenzen van goed en kwaad, is geen echt medelijden, maar bederf van het geweten, waar niemand, ook niet wie uit zwakheid viel, mee gebaat is.

Het is een trieste ervaring, maar het is moeilijk met iemand , die alleen maar nuttigheidsgronden erkent, over deze zaak te redetwisten. Men kan soms een tijd lang meegaan en zijn nut doen met de inzichten van de anderen, maar er komt een ogenblik in zo’n discussie, waarop de kaarten bloot ter tafel liggen. Dan zal de een zeggen: ~Ik geloof in Gods zeggingsmacht over deze zaken, en Zijn gebod is mijn wet.” Wie dat niet nazeggen kan, benadert deze problemen anders, hoewel, God zij dank, niet noodzakelijk op dezelfde Wijze als deze Deense arts. Nu verschijnen er wel meer boekjes van dit gehalte, maar een nadrukkelijke afwijzing was in dit geval misschien niet overbodig, omdat de naam van de vertaler wellicht de iliusie zou wekken, dat dit boekje anders is, dan het is.

J. G. B.

(Vervolg van pag. 3)

gen brengt dit niet zozeer mede de zucht naar bezit als wel de wil tot macht en heerschappij .

Bijbelse fundering

Uit de wijze, waarop de Fellowship andere opvattingen critiseert, blijkt duideiijk, dat zij wil uitgaan van een Bijbels fundament. Maar dan rijst de vraag: welke autoriteit wordt daarbij aan de Bijbel toegekend? Niebuhr heeft hierop geantwoord: wij proberen steeds weer de Bijbel zo ernstig mogelijk te nemen, maar niet letterlijk. De letterlijke inspiratie, gelijk die door het fundamentalisme wordt verdedigd, wordt dus verworpen. Maar evenzeer wordt afgewezen de modernistische opvatting, die de Bijbel ziet als de geschiedenis van het zoeken van de mens naar God. Want de Bijbel geeft geen gedachten van de mensen over God, maar wat God over de mens denkt. De Bijbel is de Openbaring van God en geeft als zodanig een duidelijk inzicht in de natuur en de bestemming van de mens, die als schepsel Gods zijn leven moet stellen in Gods dienst.

Wat dat betekent voor onze arbeid op historisch, cultureel, kerkelijk, sociaal, politiek en internationaal terrein, wordt in Christian Faith and Social Action in afzonderlijke hoofdstukken uiteengezet.

Ik ga hierop niet verder in. Mijn doel was slechts wat meer aandacht te vragen voor de christelijke en sociale opvattingen, welke de groep van Niebuhr c.s. in brede kring verdedigt Zij zijn theologisch meer „rechts” en sociaal meer „links” georiënteerd. Deze combinatie vinden wij niet in de confessionele partijen in ons land. Wij vinden haar wel onder leden van de PCWG en de PvdA. Naar mijn mening kunnen wij van deze Amerikaanse groep veel leren. A. A. VAN RHIJN