is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 37, 18-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrienden, hebben me uitgelachen. „En ik, die me al zo ervaren voelde.”

Nooit vergeet ik die eerste bevrijdingsdienst, die ik hier meemaakte met het gebed voor de zielerust der vermoorde geloofsgenoten, dat de voorganger staande voor de teba uitsprak. Toen dachten allen aan familieleden, aan ouders, broers en kinderen... Die avond was het stil, toen we naar huis gingen.

En evenmin vergeet ik de eerste seideravond, die we hier bij vrienden meevierden. Toen we klaar waren met de grote lofzang, en er even een stilte inviel, hoorden we hoe in de buurt deze zelfde lofzang werd gezongen. „Ze zijn net zover als wij,” zei onze gastheer. Maar wij dachten aan de Joden van Midden-Europa, die zo ook eenmaal eikaars lofzangen beluisterden.

En we voelden het toch als iets heel bijzonders, dat we hier dit alles mochten meemaken. Daarvoor idealiseren we de dingen niet.

Ingewijden maken zich zorgen over de toekomst van de beide gemeenten. Het aantal leden, vooral jongeren, dat orthodox leeft, is te klein.

* '■f Voorspellen is een hachelijke zaak. Ook in Suriname. Wel kunnen we vaststellen, dat het Jodendom een stempel heeft gezet op deze gemeenschap. Niet altijd kunnen we nagaan, hoe diep deze invloed reikt. Wanneer we hier een huis godsdienstig inwijden, is dat dan onder Joodse, Roomse of primitieve invloed? Het treefgeloof (gebruik van bepaalde voedingsmiddelen kan leiden tot ernstige ziekten, o.a. lepra) heeft met Jodendom waarschijnlijk niet veei te maken. Maar de naam „treef” herinnert sterk aan het Joodse „treife”, waarmee men alles aanduidt, wat onrein is. Het is er dan ook ongetwijfeld van afgeleid. Het werkwoord tharaf, verscheuren, duidt op een dier, dat niet op rituele wijze werd geslacht en dus niet gegeten mocht worden.

Zo bespeurt men hier overal, in taal, zede en gewoonte, de Joodse invloed. Hoeveel mensen dragen hier niet een muntstukje in de vorm van de Davidsster met daarop gegraveerd de Hebreeuwse letter „he”. Alleen als sieraad? Dikwijls wel. Maar soms toch ook als een maskotte, waarover men liefst een Hebreeuws gebed laat uitspreken, om het helemaal aan het doel te laten beantwoorden.

In sommige kringen bestaat nog het geloof, dat een zieke door ’n Hebreeuws gebed genezen kan worden? Ook voor een kind, dat het boze oog (ogri haj) heeft, gaat men wel naar een Joodse voorganger met het verzoek om een gebed. Dat niet alle Joden op deze belangstelling gesteld zijn, spreekt vanzelf.

Op Grote Verzoendag staat voor de Synagoge de offerkist. Tal van christenen brengen daarin dan hun gave. Men voelt zich op allerlei wijzen nog aan de Joodse gemeenschap gebonden.

Op de Gouvernementsschool zitten onze kinderen met Joodse kinderen in één klas. Ze kunnen het treffen, dat ze een Joodse onderwijzer of onderwijzeres krijgen. Evengoed als een Hindoe of een Moslim.

Nog spreekt het Jodendom mee in het leven van Paramaribo. Na de nachtmerrie van Jodenvervolging, die over Europa ging, voelen we het als een vreugde, wanneer we langs de „snoge” gaan en we zien, hoe daar juist de dienst begint. Dan nemen we ons voor: we zullen er spoedig weer eens heengaan.

Paramaribo. J. A. VAN DER MEIDEN

•) De heer Ph. A. Samson vertelde mij, dat een bepaling in het contract ontbreekt. Betrof het dan een mondelinge afspraak misschien? In feite hield men zich na de overneming (dat was in de eerste helft van de 18e eeuw) aan de Portugese uitspraak.

Tot in het belachelijke

Wehe Wij zeggen de bewoners zelf, maar op school leren ze, om onbekende redenen, dat hun dorp Wehe heet is een dorp van de Hunsingoër gemeente Leens (Lains). U zult zich misschien nog herinneren, dat Hunsingo de streek is rond de Hunze, die echter tegenwoordig in Noordwest-Groningen Reitdiep heet.

Welnu, dit Wehe heeft een LTS, een Lagere Technische School, gekregen. Voor de oorlog heette zo’n school gewoon ambachtsschool en dat was een goede naam, maar voor de tegenwoordige tijd is hij (of zij, u kunt kiezen) niet goed genoeg meer.

Hoe het zij, de school is begonnen. Met 76 leerlingen. Maar och, wat interesseert u dat?

Maar die burgemeester van Leens, J. C. Lindeboom! Die man heeft weerbarstige taal gesproken bij de opening van de nieuwe school. „Zijn gemoed,” zegt het verslag in de Nieuwe Provinciale Groninger Courant begrijpend en dus vergoelijkend, was bij het nemen van de vele administratieve hindernissen te geprikkeld om niet ’n hartig woordje over Den Haag te zeggen.”

„Met de gemeentelijke autonomie wordt te weinig rekening gehouden,” was zijn eerste, duidelijk revolutionaire opmerking. Immers, wie maakt uit of een gemeente autonomie heeft, het centraal gezag, dat is de minister van Binnenlandse Zaken, of zo’n boerenburgemeestertje? Artikel 153 van onze Grondwet luidt dan wel: „Aan de raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten,” maar dat is niet zo belangrijk. Het is toch zeker in het belang van de gemeente zelf om dit artikel zo soepel uit te leggen, dat onder het begrip „huishouding der gemeente” alleen vallen de particuliere huishoudingen van de raadsleden. Wat zou er van de gemeente terechtkomen als zo’n stelletje boertjes over de gemeentebelangen zou mogen beslissen? Dat zij soms wat eigenzinnig en vooral in het noorden stijfkoppig zijn is gelukkig voor de gemeente niet van betekenis want: Het centraai gezag beschikt over machtsmiddeien!

„Thorbecke heeft de autonomie van de gemeenten in de Gemeentewet verankerd, maar hij kon niet vermoeden, dat de wijzigingen in het belastingstelsel en de zilveren banden tussen rijk en gemeente deze autonomie deerlijk zouden handhaven.”

U ziet het, de heer Lindeboom beroept zich op de aartsrevolutionair Thorbecke.

Die hele gekke gemeentewet van 1851 is immers zijn werk. U heeft er maar één artikel uit te lezen en u weet op welk peil dit geval zich beweegt. Neemt u bijv. artikel 168: „Aan hem (dat is nota bene de gemeenteraad!) behoort het maken van de verordeningen, die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden vereist, en van andere betreffende de huishouding der gemeente.” Ja, ja, wat zegt u ervan? Hoe kan nu zo’n stel daar in Groningen verordeningen maken? Waardeloos! Daar moet je toch gespecialiseerde bestuursambtenaren voor hebben zoals de klerk der derde klasse L. Jansen van het departement van Binnenlandse Zaken, die

al twintig jaar lang vrijwel iedere dag met dit bijltje hakt. Nee, duidelijker bewijs van de revolutionaire gezindheid van deze burgemeester dan dit beroep op Thorbecke kan moeilijk gegeven worden.

„De zilveren koorden, die ons verbinden met Den Haag, hebben bij het gemeentebestuur wel eens de indruk gewekt, dat van ons een acrobatische behendigheid wordt verwacht.”

Weer die zilveren koorden, die de heer Lindeboom nogal schijnen te knellen. Als die man nu maar wilde beseffen, dat zij er voor zijn eigen bestwil en die van zijn gemeentenaren zijn. Daar lijkt het echter niet veel op, want blijkens zijn eigen woorden heeft men getracht de maatregelen, in het belang van de gemeente Leens door de klerk der derde klasse L. Jansen namens de minister van Binnenlandse Zaken genomen, zoveel mogelijk te saboteren. Maar ja, wat kan men eigenlijk anders van een revolutionair element als deze heer Lindeboom verwachten?

„Wat blijft er over van de plaatselijke verantwoordelijkheid, als Den Haag in zijn overwegingen zelfs de vraag betrekt of hier en daar de buitenmuren van dit gebouw al dan niet met eenvoudige klimplant mogen worden versierd, en dan beslist, dat het niet mag?”

Wat wil die man toch eigenlijk? Verbeeldt hij zich soms het beter te weten dan de klerk der derde klasse L. Jansen van het departement van Binnenlandse Zaken, die hieromtrent bericht en raad vroeg aan zijn collega van Onderwijs, die hem berichtte, „dat het niet uitgesloten moet worden geacht, dat bij noordwester stormen, dewelke blijkens mededeling van de heer Directeur van het Koninklijk Meteorologisch Instituut te De Bilt d.d. 7-7-’54 naar aanleiding van ons verzoek om bericht en raad van 15-6-’54 in Noord-Groningen tamelijk veelvuldig plegen voor te komen, takken van bovengenoemde klimplanten voor de ramen heen en weer slingeren.

dat het, blijkens mededeling van Zijne Excellentie de minister van Landbouw van 30-8-’54 naar aanleiding van ons verzoek om bericht en raad van 7-8-’54, onmogelijk is om klimplanten als bovengenoemd als zodanig te bevestigen, dat bewegingen als bovengenoemd worden uitgesloten.

dat het gevolg van bewegingen als bovengenoemd zou kunnen zijn dat de aandacht van de leerlingen wordt afgeleid, dat de boven meer genoemde klimplanten, blijkens mededeling van Zijne Excellentie de minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, een destructieve werking

uitoefenen op de muren dewelke zij begroeien.

weshalve ik u adviseer niet over te gaan tot het aanbrengen van een beplanting met klimplanten.”

Nee, zegt u nu zelf, moet zo’n voortreffelyii geschreven, gefundeerd advies opgeofferd worden aan de gemeentelijke autonomie en dus in de prullemand verdwijnen? Dat zou toch jammer van al het daaraan bestede werk zijn! H. H. MEIJER