is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 40, 09-10-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Merkwaardig en van selectie- en milieuinvloed getuigend zijn de cijfers voor onderwijzend personeel, de vrije beroepen en de ambtenaren; merkwaardig in andere zin die voor de bedrijfshoofden, bedrijfsleiders en handelsreizigers. Het lage niveau van boeren, landarbeiders, ongeschoolde en overige arbeiders vraagt bovendien onze speciale aandacht, als typische vertegenwoordigers van een derde groep.

Van de belangrijke conclusies waartoe prof. H. komt, zijn deze m.i. voor ons interessant; (hierbij bedenkende dat deze conclusies hoewel voornamelijk de Technische Hogeschool betreffende, toch ook waarde hebben voor alle hogere onderwijs).

1. „De feitelijke situatie is dus zo, dat onder degenen, die aan de hogescholen zijn ingeschreven, zich een behoorlijk aantal bevindt, dat de studie, zoals ze nu is, niet zal kunnen volbrengen of alleen maar in een abnormaal lange tijd, terwijl aan de andere kant een aantal intelligenten niet in de gelegenheid komt zich te ontwikkelen tot de figuren, die zij onder gunstiger omstandigheden hadden kunnen worden” (hierbij wordt gedacht aan de ongunstige maatschappelijke omstandigheden).

2. „Er bestaat een zekere wanverhouding tussen de eisen voor een academische graad en de capaciteiten der studenten.”

Hierbij wordt gedacht aan ’t feit, dat de groep met het vereiste I.Q. slechts 40% is van het ingeschreven aantal studenten, omdat de eisen te zwaar zijn. Aangezien het land echter wél het geleverde aantal studenten vraagt, j a dit aantal voor de uitbreidende behoeften volgens sommigen veel te laag is, is het een feit dat het hoger onderwijs „overvraagt,” vraagt een kwaliteit, die het land niet kan opbrengen. Het gevolg moet dus zijn: specialisatie.

3. „De studie spitst zich dan ook steeds meer toe op een training voor een examen, het academische karakter dreigt verloren te gaan.”

4. „Ik ben dan ook van mening, dat de lange studie met vele doublures noch uit menselijk noch uit economisch oogpunt verdedigbaar is.” ledereen die zich rekenschap geeft van bijv. het feit dan een normaal stel jonge mensen als ’t 23—26 jaar oud is toch eigenlijk een „eigen tehuis” moet kunnen hebben, zal dat toegeven!

5. „Het is van ’t grootste belang, dat zoveel mogelijk van de intelligentsten de gelegenheid krijgen, zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Dat betekent echter niet op school oud worden.” (cursief van mij).

6. „Nu wordt het de eenzijdig begaafden in Nederland niet gemakkelijk gemaakt. Dat begint al op de HBS. Een jongen met goede wiskunde-aanleg en een technische inslag, die moeilijkheden met talen heeft, vindt de weg tot het H.O. versperd. Dat is niet zo in alle landen.” Prof. dr. H. wijst er dan op dat in ons land de leerplicht reeds eindigt met 14 jaar en niet met het 16de (Engeland) of 16—18de jaar (Amerika), waardoor hier een grote groep nooit aan middelbaar onderwijs toekomt. Het reeds genoemde feit dat het eindexamen van de middelbare scholen ongedeeld is terwijl men in de USA, bij het „credits”-systeem, veel gemakkelijker vroeg kan specialiseren. Daardoor duurt de studie hier onaantrekkelijk lang en kan een marteling worden. Bovendien kan men hier in de avonduren niet afstuderen. In de USA werkten in ’52 aan de technische hogescholen 7.422 studenten voor hun master-degree in dagcursussen tegen 9.996 in avondcursussen. Voor de doctors-degree waren het er 2261 resp. 669.

Persoonlijk zou schrijver hiervan nog willen aantekenen als een hem bekend voorbeeld, een meisje dat in de zomer op ’t land werkte, te paard of op een landbouwmachine, en ’s winters in de dichstbij liggende universiteitsstad voor arts studeerde. Zij was als Iste-j aars net 17 jaar. Ook dat kan op deze wijze in Nederland niet.

Op een hem waarschijnlijk bekend bezwaar reagerend, zegt hij ten slotte als men denkt aan het verloren gaan van de allround wetenschapsman: „Die all-round figuren? waaraan velen schijnen te denken, wanneer zij over een ingenieur spreken, zijn helaas dun gezaaid.”

Onzerzijds zouden wij er nog graag deze conclusie aan willen toevoegen: 7. Het wordt tijd het zgn. „studieloon”

nu eens zeer ernstig te overwegen en er uitvoering aan te geven, want anders lopen wij op een werkelijk onverantwoordelijke wijze achter de feiten aan. Studie is geen zaak die wij alleen aan de mogelijkheden kunnen overlaten zoals deze zich in onze half-kapitalistische maatschappij bieden, maar een zaak waarmee de belangen van het volk gemoeid zijn. Zolang als wij belang in onderwijs stellen, zolang wordt er reeds een vernietigende critiek op ons onderwijs uitgebracht door capabele mannen. Maar sedert de nauwelijks begonnen pogingen van prof. dr. G. v. d. Leeuw tot onderwijsvernieuwing zo ontijdig werden afgebroken, is er van zelfs ook een wil tot vernieuwing maar minimaal weinig gebleken. E. M. BUTER

IN DE BAN VAN DE ANGST

2

In onze bijdrage van vorige week hebben wij nogal wat beweerd. Wij hebben gesteld, dat de Europese koers, zoals deze thans na de Londense conferentie waarschijnlijk zal worden aangehouden, voor het socialisme een ontzaglijke nederlaag is. En dat in het bijzonder, omdat op deze wijze aan de reactionnaire groeperingen, met name in West-Duitsland en de Verenigde Staten, een verdere gelegenheid tot machtsontplooiing wordt geboden. Het gevolg is, dat indien het op den duur tot een gewapend conflict zou komen met de communistische landen, de dan te voeren strijd niet meer de onze zal zijn.

Het een en ander vraagt een nadere toelichting. Misschien kunnen wij hetgeen wij als een zo dodelijk gevaar zien, het best illustreren met een citaat uit het verslag dat de reisredacteur van ~Het Parool” op 4 October jl. gaf van de Londense conferentie. Schrijvend over de kans die de overeenkomst in het Franse parlement maakt (een gunstige kans naar zijn mening), laat hij zich als volgt uit over de mogelijke tegenstanders: „Natuurlijk, de fanatieke federalisten zullen verzet blijven bieden. De neutralisten van het type Jules Moch, die bereid zijn alle veiligheidsmaatregelen te laten varen zodra Rusland maar weer eens het woord ontwapening in de mond neemt of zwaait met het vlaggetje van atoomcontróle, blijven tegen. Maar het Franse parlement is nog niet zover, dat het de Walter Mitty-droom deelt van Julès Moch, die meent dat hij de wereld en de Russen van de ontwapeningscommissie uit kan regeren.” Dit is een voorbeeld van een houding, die in Nederlandse socialistische kring gemeengoed dreigt te worden: de minachting voor iedereen, die de straffe koers niet zonder meer wil volgen. Deze houding is vooral zo gevaarlijk, omdat zij terwijl zij als toonbeeld van kracht bedoeld is de grootst mogelijke innerlijke zwakte verraadt. De reisredacteur van „Het Parool” is bang; bang voor Rusland. Zo bang, dat hij al jaren geleden in paniek is geraakt, en uit lijfsbehoud bereid is zijn hele hebben en houden voor zijn verdediging op te offeren.

Zulks geldt in meer of mindere mate voor het overgrote deel van de Nederlandse socialisten. Het is in zekere zin de eerste grote overwinning, die het communisme heeft behaald in ons deel der wereld.

Men poogt hardnekkig deze vlucht in de verdediging te maskeren door er een Europees kleed om heen te draperen. Dat Europees kleed is evenwel verschoten en ver-

gaan. Als wij de na-oorlogse ontwikkeling nagaan der Europese gedachte, dan blijkt dat het etiket der Europese samenwerking een totaal andere lading dekt dan bijv. ten tijde van het Europese Congres te Den Haag.

Was er toen sprake van Europees idealisme ter overbrugging van de tegenstelling tussen Frankrijk en Duitsland, al spoedig werd dit punt van minder belang, en trad de behoefte aan een sterke Europese macht tegenover de Sowjet-Unie op de voorgrond. In plaats van een respectabel en gezond Europees idealisme (dat tijd nodig heeft om te groeien), trad de behoefte aan een verdedigingsorganisatie, ter wille waarvan de meest vérgaande ideële concessies zijn gedaan. Of moeten wij het geringe verzet tegen de „restauratie” in West-Duitsland anders beschouwen? Het is ons nauwelijks mogelijk. De remilitarisatie van West-Duitsland is het sluitstuk van een proces, dat zeer veel van de kwalijke vooroorlogse machten op de been heeft geholpen.

Het gaat niet aan erop te wijzen, dat de huidige militaire samenwerking de tegenstelling Frankrijk—Duitsland nu inderdaad overbrugt. De tegenstelling tussen het nu regerende Duitsland en het merendeel van het weifelende Frankrijk is alleen maar groter geworden. Alleen de tegenstelling met een zeer bepaald en zeer klein Frankrijk is overbrugd. Het vooruitstrevende deel van Frankrijk heeft er een nieuwe tegenstander bij gekregen in eigen huis, nl. het Duitsland van de generaals en de grootindustriëlen.

Het gaat ook niet aan erop te wijzen, dat er nu eenmaal geen andere weg heeft opengestaan. Het is toch wel zeer frappant, dat een Mendès-France met zijn besliste houding in korte tijd toch nog ingrijpende wijzigingen in de Europese defensie heeft kunnen veroorzaken. Welk een mogelijkheden zouden er zijn geweest, wanneer er bijv. van socialistische zijde ernstiger verzet zou zijn geboden tegen de toch wel zeer brutale Amerikaans-Britse overrompelingstactiek.

De meeste socialisten van de soort van de Paroolse reisredacteur hebben zich steeds gehaast om toch maar zo spoedig mogelijk de defensieplannen te verwezenlijken. Zij hebben zich nooit afgevraagd, of het wel juist was, dat juist zij steeds ter wille van de Europese veiligheid concessies moesten doen. Deze veiligheid was voor de tegenspelers immers eveneens levensbelang?

Het is vrijwel zeker, dat de Londense