is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 43, 30-10-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als burgemeester hoest...

Elke Zondag, midden in de preek, moest dominee even ophouden. Dat was dan, als Burgemeester zijn hoestbui kreeg. Dan begon er eerst iets te rommelen diep in het dikke lijf van de man, die in de zijbank geperst was als een sardien in het blikje. Even later kwam het: het gezicht werd roder dan anders, de ogen gingen puilen en bulderend en rochelend ontplofte de asthma uit Burgemeesters amechtig gemoed. Het schalde door de kerk en overstemde zelfs de dominee, die overigens ook nog wel eens een nummertje vol werk weg kon geven. Dominee zweeg dan maar even. Zolang als in de burgemeestersbank de poorten der hel openstonden en de mensen daarheen keken om te zien, hoelang het duren zou voordat hij barstte, was er toch geen aandacht voor de Hogere Dingen, die van de kansel kwamen.

Wat voor dominee louter een maatregel van oratorische techniek was, dat was voor de gemeente een teken van eerbied, die men aan de over ons gestelde machten verschuldigd is. Het behoorde tot het ongeschreven protocol in het dorp: als Burgemeester hoesten moet, dan heeft dominee te zwijgen. En als er eens een vreemde kwam preken, dan werd hij van tevoren door de kerkeraad ingelicht: „Denkt u eraan, onze burgemeester ”

Want ondanks alles had het dorp eerbied voor de man. En daarom hadden de mensen veel van hem genomen, geslikt. Ook het hoesten in de kerk, dat een vast onderdeel van de liturgie was geworden. Ook de rooie neus. En ook zijn vadsigheid. Want ze wisten wel, dat Burgemeester eigenlijk geen beste was in zijn vak. De gemeenteverordeningen kende hij wel daar niet van. Maar die papieren uit Den Haag begreep hij nooit. Daar moest dan de secretaris bij komen. Dat was zo’n kwiek jong ventje, dat examens gedaan had. Burgemeester had nooit examens gedaan. Dat was vroeger niet nodig. En toch kon je toen burgemeester worden en hij was het al zo lang gebleven. La’s kijken ... dat was al meer dan dertig jaar. Maar zonder secretaris had hij het nooit kunnen klaren. Dat ventje deed alles voor hem. Eigenlijk hoefde Burgemeester nooit iets anders te doen dan handtekeningen zetten. Deed hij dat, dan ging alles goed op het dorp. Zijn handtekening kon hij goed zetten. Het schrift bibberde wel een beetje, maar er zat toch zwier in zoals bij ouderwetse mensen van goede familie. Verder dronk hij een goed glas wijn ... nu ja, nog wel wat anders dan wijn ook en ook wel eens wat erg veel, maar daar praatte je maar liever niet over: de eer van het dorp wil ook wat, nietwaar? En veel meer deed hij eigenlijk niet. Het dorp wist het wel en had het dus genomen. Hij deed immers geen mens kwaad? Toen hij laatst in de raadsvergadering zo maar in slaap viel en de Christelijken hem wakker wilden porren, hoewel Gemeentebelangen ertegen was, toen had hij immers ook geen mens kwaad gedaan? Nee, het was een goeie man en hij kende iedereen en vroeg je op straat: „Hoe is ’t met moeder?” Dat is toch echt iets voor een Burgemeester en daarom verdraag je veel van hem.

Bovendien: onze Burgemeester is een

meneer, van goede familie uit de stad, met een dubbele naam. Die burgemeester van het andere dorp, acht kilometer verder, had wel veel meer voor zijn gemeente gedaan: de brug was er vernieuwd en verbreed en er was een kleuterschool gekomen. Maar een meneer was het niet. Het was een van de boeren, een flinke vent en goed in z’n centen; maar: een boer. Als je ’s zomers kwam om hem te spreken, dan had je veel kans, dat de meid zei: „Kan niet. Burgemeester is in het hooi.” Dat stond toch niet voor een burgemeester. Hij moest een meneer zijn en de onze was dat. En dan kun je veel potjes breken. Dan kun .je slapen in de raad en hoesten in de kerk en nog wel wat anders ook. Burgemeester is ook maar mens.

Toen hij een jongen van een jaar of achttien was, wist zijn vader geen raad met hem. Er kwam niets van terecht, zei de familie. Leren kon hij niet. Zo maar een vak oefenen op een ambachtsschool, ja dat

ging toch niet. Hij wou maar plezier maken, paardrijden en schaken en een goed glas wijn. Wat deed je toen met zo’n jongen? Als je Jansen heette of Smit, dan was de oplossing: Koloniaal worden. Maar mensen, in wier achternaam „Van... t0t...” voorkwam, konden dat toch niet doen. Welnu, een burgemeester kon er altijd nog wel uit. Een kruiwagentje was er wel op Binnenlandse Zaken en zo werd het zorgenkind van de familie ook alweer onder dak gebracht.

Dat was ruim dertig jaren geleden. Sindsdien is er veel veranderd. Het ras van de oude dikke, gezapige dorpsburgemeesters sterft uit. Het is een ander slag tegenwoordig. Ze hebben gestudeerd en zijn gediplomeerd. Ze hebben geen namen Van... tot... meer, maar heten Jansen en Smit. Ze zijn nog wel van CH of AR, maar ook wel rood en verschijnen dan op de Meiavond. Het oude slag, dat als jongen nergens voor deugde, maar er toch wel kwam, krijgt geen kans meer. Er worden eisen gesteld, niet alleen voor het burgemeestersambt, maar overal. Familievoorrechten leggen niet zoveel gewicht meer in de schaal. Naar bekwaamheden wordt gevraagd. Er moeten diploma’s overgelegd worden. En er worden tests gehouden, die niet mals zijn. Grote bedrijven eisen, dat men zijn bevordering verdient door eens een goed idee in de bus te stoppen en eens wat nieuws uit te vinden. De slagbomen

Het geloof dan is de vaste grond der dingen die men hoopt en het bewijs der dingen die men niet ziet.

Hebr. ii: i

Toen ik mijn twijfel had tot rust gebracht.

Begon mijn ongeloof zijn lied te zingen: '"waar is de grond, de vaste grond der dingen. Waarop gij hoopt?'" ik zuchtte en zeide zacht;

"stil, stil, mijn kind! Ga slapen, het is nacht.

Gij zoudl mijn pas ontslapen twijfelingen Ontwaken doen"... Maar klagend bleef het zingen. En schreiende herzei mijn ziel de klacht:

"waar is de grond? waar mijner hope grond? Waar het bewijs der onzienlijke zaken?"

Wees stil, mijn ziel. Zou aan Gods horizont Nog niet het licht van Zijn genade naken, Die mij den naren nacht, dien ik doorwake.

Doet wijken ach wanneer ? voor blijden morgenstond?

Jacqueline E. van der Waals „GEBROKEN KLEUREN”