is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 43, 30-10-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godsdienstig leven in Suriname

De rooms-katholieken

Volgens de allerlaatste gegevens is het niet zeker, of de Roomsen of de Hernhutters in Suriname de grootste groep vormen. Rome groeit regelmatig, terwijl de Hernhutters steeds verlies boeken naar de zijde der oude gouvernementskerken, hervormden en luthersen. Men krijgt de indruk, dat de officiële cijfers in Suriname te laag liggen. Zo zijn er zeker meer Bosnegers en Indianen, dan men tot voor kort aannam. En zo naderen de roomsen snel de 40.000.

Onder de protestanten kan men soms moeilijk ontkomen aan de veronderstelling dat Rome het hier heeft moeten hebben van de zwakheden der protestanten. Wanneer de Hernhutters moesten inkrimpen, dan was Rome actief. Toen de Hernhutters het werk onder de Indianen moesten opgeven, wierp Rome zich direct met kracht op deze tak van arbeid. Met succes! Bijna alle christen-Indianen zijn rooms.

Dat er onder veel protestanten hier een vrij sterke rancune tegenover Rome bestaat, is onmiskenbaar. Grieven over onzuivere missiemethoden worden vaak naar voren gebracht. Met recht? Ik kan het na drie jaar verblijf in Suriname niet beoordelen. Over het geheel genomen heb ik hier dezelfde bezwaren, die we in Nederland ook hebben. Daarvoor zijn we nu eenmaal protestant.

Maar juist omdat we in protestantse

kringen zozeer geneigd zijn, om het werk van Rome negatief te beoordelen, wil ik hier graag trachten, de keerzijde te laten zien.

De Roomse Kerk werkt pas ruim een eeuw in Suriname. 1812 ging de eerste kerk, die in een huurhuis was gevestigd, tijdens een grote brand verloren. Deze kerk stond ongeveer op de plaats, waar nu mijn eigen huis staat. Pas omstreeks 1850 werd het werk krachtig uitgebreid. Suriname valt „in partibus infidelium”. De apostolische vicaris, in de wandeling „mijnheer de bisschep”, werkt met een staf van Nederlands personeel. Evenals in Nederland heeft men hier eigen scholen. Het ziekenhuis te Paramaribo heeft een uitstekende reputatie. Er is een eigen leprozerie en een doofstommeninstituut, terwijl men de laatste tijd ook begonnen is met werk onder blinden. Verder is er een eigen dagblad, „De Surinamer”, zodat het allemaal wel een beetje op Nederland gaat lijken.

Waarom ik toch in het bijzonder aandacht vraag voor de roomsen? Omdat zij het waren, die in het begin van de vorige eeuw het werk onder de leprozen zijn begonnen. Vele jaren heeft onder hen gewerkt pater Donders te Batavia, dicht bij de samenvloeiing van Coppename en Saramacca. Pas in het eind van de eeuw begonnen de protestanten en het gouvernement

zich met deze groep te bemoeien. We doen die haar toekomt.

Vorige week vierde pater Ahlbrinck zijn gouden priesterjubiieum. Daarmee zijn we toegekomen aan een andere tak van werk. Deze pater heeft zijn beste jaren doorgebracht onder de Indianen. Hij geldt als dé Indianenkenner van Suriname bij uitnemendheid. Zijn „Encyclopaedie der Karaiben” (behelzend taal, zeden en gewoonten dezer Indianen) werd in 1931 uitgegeven door de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam.

Wanneer ik ooit een boekje zou moeten uitgeven over zendingshelden in Suriname, dan zou ik er stellig plaats in geven aan twee roomsen: Donders en Ahlbrinck. De laatste niet alleen om zijn studie van het Indianenleven, maar ook om zijn hele persoonlijkheid. Toen hij even over de 40 was, werd hij weggeroepen uit het Indianenwerk en belast met de missie onder de Javanen bij Lelydorp. Wat dit voor deze man heeft betekend? Als gehoorzaam zoon der kerk heeft hij de nieuwe taak aanvaard. Het contact met de Javanen was moeilijk. Maar via een landbouwvoorlichtingsbedrijf won hij hun vertrouwen en het klooster aan de Copieweg werd een centrum van rooms leven.

Toen kwamen de bauxietbedrijven te Paranam en te Billiton, en opnieuw moest de pater zich omschakelen. Zijn landbouwers trokken weg en het bedrijf aan de Copieweg moest worden ingekrompen. Toen ik de pater voor het eerst bezocht, was luj juist in tweestrijd, of hij zijn veestapei niet helemaal zou moeten opruimen. Maar wat betekent deze omschakeling tegenover de stap van Indianen naar Javanen?

De naam Ahlbrinck spreekt in sterke mate tot de verbeelding van de Surinamer. Terecht is de vraag gesteld, welke jongeren zijn werk zullen overnemen.

Misschien is het voor de verhoudingen tot andersdenkenden een voordeel dat Rome is uitgeschakeld in Suriname. Wél zijn er de gebruikelijke wrijfpunten tussen rooms en protestant, maar de onderlinge waardering en vriendschap overweegt. Wanneer ik oude kerkbladen doorlees, dan valt me op, hoeveel er op dit punt is verbeterd in de laatste 10 jaren. Stellig danken wij dit voor een groot deel aan het werk van het „comité christelijke kerken”, dat in de oorlogsjaren werd opgericht, en dat voor de onderlinge waardering en christelijke gezindheid veel heeft betekend.

De rooms-katholiek neemt in Suriname een eigen plaats in. Behalve onder de Indianen had men belangrijke resultaten onder de Hindoestanen. Zo zijn er bijv. 5000 rooms-katholieke Hindoestanen, tegenover 500 protestanten.

In de doofstommeninrichting komen kinderen van de Antillen. Evenals 100 jaar geleden onder de melaatsen doet Rome thans baanbrekend werk onder doofstommen en blinden.

Ik noemde de namen van Donders en Ahlbrinck. Voor de kennis van het Negerengels zou ik moeten noemen pater Donicie, die in zijn vrije tijd werkte aan een grammatica, waarvan het verschijnen door velen met vreugde is begroet. Ook hier pionierswerk.

We kunnen als protestanten slechts dankbaar zijn voor de stimulansen, die we van Rome ontvingen. Ook al komt dan de dankbaarheid voor een pater Donders tot uiting door toewijding aan onze eigen protestantse leprozerie.

J. A. VAN DER MEIDEN

Paramaribo.

Edwige PeuillèreenPiem Mkhel Beek in ~Le blé qui herbe

wat leeftijd betreftm«Her zoü lÉuniien 'Zijn, gaat het, ondanks de beruchte „liefdesbeet”, alleen en uitsluitend om de geiVoelsreacties van mens op mens, van man op vrouw, om dat gehele verwarrende proces van afstoting en aantrekking, van vreugde om een nieuwe verworvenheid en melancholie om prille onschuld die verloren ging, van schuld en trots, waaruit een eerste liefde al of niet geboren wordt. Wat ons uit deze film bijblijft, zijn niet de liefdesscènes, die er overigens practisch niet in voorkomen, het is het primitieve, radeloze lijden van het kind Vinca wanneer zij merkt, dat zij niet de eérste zal zijn voor haar geliefde, het is haar ontroerend antwoord in de donker wordende tuin op Phils vraag wat zij doet: eet een peertje, het

is niet lekker genoeg voor jou”; het is ook haar afdingen om een paar centen op de markt, waaruit haar zuinige huisvrouwelijke bekrompenheid spreekt, een karaktertrek die Phil mateloos irriteert.

Haar tegenspeelster, de witte dame, is geen gewetenloze intrigante, zo eenvoudig zwart-wit is het schema der liefde niet, het is een eenzame, ouder wordende vrouw, die het verlangen van de jongen verhoort uit heimwee naar een verloren jeugd, maar ook uit de goedheid haars harten en ook uit een gevoel van onaantastbaarheid, dat later vals blijkt te zijn. De moeder, die in de inleiding zo valselijk wordt beschuldigd van onverschilligheid tegenover haar kind, onthult in één reactie, in één korte zin, een hele wereld van begrip en liefde en wijsheid, die afstand weet te nemen van dingen waar zij geen deel aan mag hebben...; is deze ethiek niet veel zuiverder dan die van de opvoedkundige tendens a tort et k travers? Dat Claude Autant Lara deze inter-menselijke betrekkingen, deze gevoelsnuances, waarvan Colette de meesteres was, op deze manier op de film heeft weten uit te beelden, stempelt hem eens te meer tot een begenadigd regisseur.

Nee, „Le Blé en Herbe” is geen film voor heel jonge mensen. Niet, omdat zij er ook maar iets kwaads van zouden leren, maar omdat voor het begrijpen en waarderen van dit verfijnde spel met psyche en stemmingen, met sfeer en klimaat, gevoelservaring nodig is. Een ervaring, die alleen tijd en afstand kan brengen. W. WIELEK-BERG