is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 47, 27-11-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vreemde woord

Midden onder de les merkte een leerling op: waarom gebruikt men hier een Engels woord, terwijl een goed Nederlands woord óók op zijn plaats geweest was?

Ik was bezig met een les over sociale beweging. Het leek een uitstap, maar het was ’t niet, toen ik een minuut of tien ging wijden aan het gebruik van vreemde woorden. Niet als taalkundige, maar als sociaalbelangstellend mens.

Daarom hoort het ook in ons blad thuis. Telkens weer steken mensen hun serieuze koppen op om het vreemde woord terug te dringen. Er is een woordenlijst, die men bij de hand moet hebben om de woorden van over de grens te herkennen en te vervangen. |

Maar het schijnt onbegonnen werk. Het vreemde woord wordt gebruikt en niets kan het tegerihouden. Het is een sociaal verschijnsel.

Een sociaal verschijnsel óók In andere zin. Wie zijn oor te luisteren legt, hoort aan het woordgebruik tot welke sociale geleding van een volk iemand behoort. Een beetje dialect raakt niemand kwijt. Het meest ellendige beschaafde Nederlands vertoont barstjes, wanneer de gelikte spreker even een stroomversnelling neemt en er klanken komen, die hem in Friesland of in Amsterdam plaatsen. Zo’n zweem van eigenheid, van landaard is bekoorlijk. Zoals het met de klank is, zo is het ook met het woordgebruik. Met de rangschikking van woorden. Na drie zinnen herkent men de ambtenaar, wiens wieg in Friesland stond. Zijn stem is aan de harde kant en hij verwisselt lichtelijk de s en de zet. Meer niet. Maar dat is voldoende. En als hij nu maar niet net wii doen, alsof dat erg is, dan is het alleen maar prettig. |

Welnu. Luister nu ook naar de vreemde Ze hebben om allerlei redenen een positieve betekenis. |

In de eerste plaats: onze culturen liggen werkelijk niet zover van elkaar af, dat zij elkaar niet beïnvloeden. Men ontdekt een begrip, men gaat het hanteren en men vindt er iets eigens in, iets onvertaalbaars.

Men neemt het op in het eigen spraakgebruik. Veel van die woorden verdwijnen. Sommige blijven hangen en krijgen hun eigen leven. Wanneer er een stroom van activiteiten uit een bepaald land tot ons komt, dan is dit onvermijdelijk en ook niet zo erg. Het is een blijk van onze culturele openheid. In de loop van de tijd worden enkele woorden het onderdeel van onze cultuur. I

Interessant is op te merken, hoezeer bij\»! in de Hervormde Kerk door het officieel gebruik van het vreemde woord de historische afkomst van een bepaald orgaan wordt aangegeven. |

De grondfiguur van deze kerk, organisatorisch, wordt aangegeven met Latijnse of zelfs Griekse woorden. Er is een synode, bestuurd door een moderamen. De man, die leiding geeft, heet praeses en de brievenschrijver heet scriba. De penningmeester quaestor. Er zijn classes en bij de gereformeerden —■ particuliere synodes. Daarentegen heeft alles wat nieuw is ontstaan na 1944, al die raden en commissies, een voorzitter en een secretaris.,

lets dergelijks zien wij in het algemene spraakgebruik. De woorden, die in het leger worden gebruikt, verraden, dat het Frankrijk was, dat het eerst als militaire mogendheid optrad en geheel Europa zich daarnaar richtte. Wat van de vloot niet gezegd kan worden. Eerder heeft daar in menig opzicht het Nederlands andere talen voorzien van de woorden. De luchtmacht kent geen Franse woorden, maar laat de overheersing van het Engels zien. De marketentster werd stewardess. I

Op welk gebied van het maatschappelijk leven wij ook komen, wij herkennen steeds de afkomst van de begrippen, van handelingen en van dingen aan de woorden. Zeker, wij gaan ze op onze eigen manier gebruiken. Maar ze duiden er toch op, dat niet wij, maar anderen deze zaken stimuleerden. I

Of men nu in de industrie, dan wel in de studievakken komt, steeds is het onmogelijk, het vreemde woord te ontlopen.

Elke faculteit heeft zijn eigen jargon. De filosoof worstelt met de zware Duitse woorden en verhollandst ze. In de tijd van Bolland was dat héél erg. Ik heb de indruk, dat dit thans minder wordt. De theoloog gebruikt graag Latijnse en Griekse woorden. De begrippen, die hij daarmee uitdrukt, zijn in de loop van eeuwen gemunt. Ook het Duits handhaaft zich, dank zij Karl Barth, aardig. De medicus is internationaler georiënteerd, de techniek vooral Engels-Amerikaans.

Is het nu zo’n wonder, dat deze woorden doordringen in ons gewone spraakgebruik?

Zeker, als dat gebeurt, komt er ergernis. Hoe?

In de eerste plaats, wanneer mensen zich woorden aan gaan meten, die zij niet begrijpen. En niet meer herkennen. Het germanisme is iets afschuwelijks. Want dan wordt voor Nederlands uitgegeven, wat het helemaal niet is. Men kan alleen vreemde woorden gebruiken, wanneer men zijn eigen taal goed kent. Dat is het begin en het einde van alle taalhandhaving. Dat weten de Friezen, dat weten de Vlamingen.

Er zit nóg een addertje in. Het gebruik van het vreemde woord is voor sommigen een manier, om zich op te trekken in wat zij een maatschappelijk hogere stand achten. De deftige dienstbode, die wat Frans van haar mevrouw geleerd had, is uitgestorven. Maar thans merkt men, hoezeer mensen graag vreemde woorden gebruiken om zich een schijn van culturele vorming te geven. Wie zo tussen de sociale buffers zit, wordt van beide kanten doodgedrukt. De „eenvoudigen” denken; wat stelt hij zich aan, de „culturelen” vinden: wat maakt hij zich belachelijk. Dat zit hem echter niet in het vreemde woord als zodanig. Het zit hem in de schijngemeenzaamheid naar „boven”. En ook naar „onderen”. Arbeiders hebben in het verleden een scherp gevoel gehad voor dit soort sociale kwakzalverij. Een platpratende intellectueel was hem helemaal niet méér nabij, dan een, die gewoon deed. Gewoon als intellectueel namelijk.

In de tweede plaats worden deze vreemde woorden gebruikt om er afstand mee te scheppen. De redenaar, die vreemde woorden gebruikt, terwijl hij weet, althans behoort te weten, dat het publiek ze niet begrijpt, is óf een naar binnen gekeerd man, óf een ijdeltuit. In beide gevallen deugt hij niet voor spreker. Anders wordt het, wanneer het vreemde woord juist uitermate geschikt blijkt te zijn om een nieuw ontdekt, zelf ervaren besef op haast verheven, mystieke wijze uit te drukken. Het gereformeerde kerkvolk leerde van Kuyper „klavier der volksconsciëntie” en „souvereiniteit in eigen kring”. In de socialistische propaganda was „bourgeois” wat anders dan burger, en „proletariër” verhevener dan arbeider. Deze woorden hebben bovendien een andere gevoelswaarde dan hun Nederlandse equivalenten. Stelt u zich een marxistische preek voor, zonder het vreemde woord! Conclusie: het vreemde woord is een teken van levende verbondenheid van een taal met verschillende cultuurkringen. Het kan toegelaten worden, mits men zijn eigen taal goed kent. Het wordt op hinderlijke wijze gebruikt door ijdeltuiten en domkoppen. Het wordt ook gebruikt om de vernieuwing van de eigen taal te stimuleren. Het is, wegens het ontbreken van een wetenschappelijke wereldtaal, sinds het wegvallen van het Latijn, in de wetenschapsbeoefening onvermijdelijk.

Wij kunnen het vreemde woord gebruiken. Maar wij moeten weten wat wij doen.

L. H. R.

(Vervolg van pag. 1)

tieve verzet tegen de dienstplicht in geen enkel land van Europa zo sterk is als in de Bondsrepubliek.” Wij zouden ons over die Duitse jeugd moeten verheugen. Wij doen dat niet. Wij zeggen: die Duitse jeugd moet bewapend worden, of zij het wil of niet.

Grüber getuigt: „Als Duitsers zouden wij alle reden hebben, om het recht meer te beminnen dan het geweld. Maar in plaats daarvan zien wij in brede lagen van ons volk weer de kwade geest opstaan, dezelfde geest, die niet alleen ons grote schuld maar ook de hele wereld diep leed heeft gebracht. De nazi’s komen eerder aan hun trek dan de vervolgden van ras en geloof. De nazi’s bepalen de publieke opinie. De vervolgden hebben niets in te brengen dan een aantal urnen met as en vele onbekende graven. In deze kwade geest, die weer wakker wordt en die voor ons volk noodlottiger i§ dan wat ter wereld ook, zien wij

het grootste gevaar voor Duitsland en de wereld!”!

En Niemöller heeft naar aanleiding van Barths toespraak gezegd: „Als het Duitse volk in 1933 naar Karl Barth geluisterd had, had het zich zelf en de wereld veel ellende kunnen besparen. Door de vriendschap, die hij jegens het Duitse volk getoond heeft, is Karl Barth zeker bevoegd, zijn woord in Duitsland te laten horen.” Wij worden van dag tot dag gewaarschuwd. Maar het geeft alles niets. Duitsland moet herbewapend worden. Maar dat wij bezig zijn, de duivel uit te werpen door de overste der duivels, zien wij niet of willen wij niet zien.|

Het einde zal de last dragen. Over een aantal jaren zal een andere Niemöller moeten zeggen: Als West-Europa In 1954 naar Karl Barth geluisterd had, had het zich zelf en de wereld veel ellende kunnen besparen. J. J. BUSKES JR.