is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 48, 04-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Conservatief

Het is al een hele tijd geleden, dat een trouw lezer van Tijd en Taak ons vroeg het woord „conservatief” zoals dat in de politiek gebruikt wordt, eens uit te leggen. Ik heb dat toen meteen toegezegd. Een geschiedenisleraar moet dat toch kunnen. Hij gebruikt het woord dagelijks. En iemand, die zich voor de politiek interesseert, mag het woord ook graag hanteren. Ik zei dus ja, maar het was naïef van me en ik had het kunnen weten.

Er is sedert al weer een half jaar verlopen en de vraag: „Wat is conservatief nu eigenlijk?” heeft me telkens en telkens weer beziggehouden. Eén ding weet ik nu: dit woord uit te leggen is heel moeilijk en heel belangrijk. Er zullen er wel zijn, die vinden, dat ik overdrijf. Een tijdje geleden was er in ons blad te lezen: „De ervaring in Bentveld en Kortehemmen, doch ook elders, leert, dat zeer velen niet weten of niet meer weten, wat „socialisme” is. Pijnlijker nog is het, dat velen menen dat de socialisten het zelf niet weten.” Jacq. Gans in ~De Haagse Post” heeft zich daar vrolijk over gemaakt en „Vrij Nederland” in zijn nr. van 27 Nov. nam het citaat over in zijn rubriek „Voor u geknipt”. Nog zo’n voorbeeld van een woord, dat ieder gebruikt, maar dat bij nader onderzoek, ongeacht de vlotte praters, heel moeilijk is. Er zijn zelfs kerkelijke hoogwaardigheden, die blijk geven het niet helemaal te weten!

Maar ik dwaal af.

De grondbetekenis van het woord conservatief is eenvoudig: het duidt iemand aan, die tevreden is met de bestaande toestand en die wenst te handhaven. Conserveren betekent immers bewaren, behouden. In deze eerste betekenis is het een vrij neutraal woord en eigenlijk op iedereen toepasselijk. Het hangt maar van de omstandigheden af. Toen het nationaal-socialisme ons een toekomst poogde voor te spiegelen van een ras-zuiver, ondemocratisch, door Duitsland geleid Europa, waren bijna alle Nederlanders ten opzichte van dit toekomstbeeld conservatief en we kregen dan ook dagelijks te horen, hoe muf en behoudzuchtig ons volk was. Ander voorbeeld: tegenover de plannen van een befaamd politieman in Amsterdam is een golf van conservatisme opgestoken. Men wil de grachten behouden. Allerlei mensen, die overigens politiek allesbehalve conservatief zijn bleken t.o.v. dit vraagstuk uiterst behoud-gezind.

Terloops merk ik op, dat als men let op de grondbetekenis van het woord, deze tamelijk neutraal en nietszeggend is en dat dus het woord „conservatief” allerminst geschikt is om als scheldwoord op te treden. Het woord is ook op zich zelf niets-zeggend. Men moet immers eerst weten, wat er behouden en wat er vernieuwd zal worden.

Een diepere betekenis krijgt het woord, wanneer het gebruikt wordt als aanduiding van een algemene, politieke gezindheid. Men duidt er dan een politieke stroming mee aan van mensen, die in grote lijnen menen, dat de bestaande orde alleen maar in details verbeterd en aangepast kan worden, maar dat het hachelijk is diepgaande wijzigingen aan te brengen in de juridische, de economische en de maatschappelijke orde der dingen. Nu krijgt het woord een zekere geladenheid. Want al heel gauw ver-

denkt men deze mensen ervan de bestaande orde te willen handhaven, omdat zij ervan profiteren. Conservatief gaat nu betekenen: plat-egoïstisch „Ik heb het goed en mij gaat alles naar wens en hoe het anderen gaat, kan me in de grond weinig schelen. Ze moeten ook maar zien vooruit te komen, maar kunnen op mijn steun niet rekenen. Ik zal niet zo gek zijn mee te werken aan veranderingen, waarbij hij beter maar ik slechter af ben.” In deze betekenis treft de aanduiding van conservatief, individuen uit geheel verschillende politieke partijen en vooral ook talloze partijlozen. Het woord duidt dan mede een zeker gemis aan fantasie aan, een onvermogen zich de narigheden van anderen voor te stellen.

Om de volgende betekenis van conservatief te begrijpen, moeten we ons zijn tegenstelling te binnen brengen. De conservatief staat tegenover de revolutionair. Deze laatste wil met alle geweld de maatschappij hervormen. Dit kan zijn uit hoge beweegredenen, maar evenzeer uit plat egoïsme: „Ik heb het beroerd. Dan moeten de anderen het ook maar beroerd hebben. Het kan voor mij alleen maar beter worden, als de boel aan diggelen gaat.” Een begrijpelijk, maar toch weinig vruchtbaar stahdpunt. Een revolutionair gedrag, geïnspireerd door gevoelens van een allooi als zojuist beschreven, vindt het conservatisme als zijn tegenstander.

We zijn nog steeds op het individueelegoïstisch niveau. Politiek echter moet anders zijn. Politiek bedrijven wil zeggen de belangen der staatkundige gemeenschap behartigen. En nu krijgt het revolutionaire zowel als het conservatieve sentiment een nieuwe dimensie. Immers we redeneren nu niet meer van het individu uit maar van de gemeenschap.

Kenmerk nu van de revolutionair is, dat hij zich een nieuwe, betere gemeenschap voorstelt. Hij lijdt aan onbehagen over de

bestaande orde, maar in zijn geest verrijst een toekomstige maatschappij, rechtvaardiger, en gelukkiger. Hij oriënteert zijn politieke bedrijvigheid op dit toekomstideaal. Men hoeft zich maar de discussies te herinneren over het toekomstbeeld van het socialisme, om te weten wat ik bedoel. De maatschappij der toekomst bestaat echter nog niet en de revolutionalrgezinde politicus moet dus dit toekomstbeeld ontwerpen met behulp enerzijds van een analyse der huidige maatschappij en met min of meer abstracte, d.w.z. niet tastbare ideeën omtrent de mens en zijn geluk, omtrent de gemeenschap en haar welzijn, omtrent de rechtvaardigheid en haar eisen. Hiertegenin verzet zich het conservatisme in de politiek. Ook de conservatieve politicus beoogt het welzijn der gemeenschap. Maar hij is van mening, vanuit een fundamenteel pessimisme, dat de mens er nooit in zal slagen een volmaakte mensengemeenschap te bereiken en hij beschouwt elke poging daartoe als gedoemd tot een hopeloze mislukking. Pessimist is hij ook wanneer het erom gaat, of de mens in staat is met behulp van abstracte denkbeelden een blauwdruk te ontwerpen van een ideale gemeenschap. Hij meent, dat de ervaring hem geleerd heeft, dat allerlei ideeën, die er op papier zo aantrekkelijk uitzien, indien verwerkelijkt, bitter zullen tegenvallen. Hij is realist, en voelt er niets voor, de mensen van vandaag leed en geweld aan te doen, om de denkbeeldige mensen van de toekomst geluk te bezorgen. Terwijl de revolutionairgezinde mens hoopvol de toekomst in kijkt en met afgrijzen de huidige toekomst beschouwt, zal de conservatief vaak dezelfde huidige toestand met een zelfde afgrijzen beschouwen, maar zijn blik richt zich eerder naar het verleden. Hij herinnert zich hoe vroeger alles toch beter was en rechtvaardiger, en hij zal zich verzetten tegen de stroom van de tijd, die de huidige narigheid heeft opgeleverd. Hij wil stroomopwaarts naar de oorsprong. Hij ziet de wereld verergeren. De revolutionair daarentegen bemint de stroomversnelling. Hij wil zijn tijd vooruit zijn.

We moeten het nog eens over het conservatisme hebben, maar dan over wat het in de geschiedenis van vroeger geweest is, en wat het nu in deze tijd zou kunnen zijn. J. G. B.

Mijnheer Van Zoelen en de metamorphose van de bisschep

Een Sint-Nicolaasbijdrage voor de rijpere jeugd

De trams zijn overvol, de warenhuizen een chaos van geluiden en bewegen, en in de binnenstad kun je practisch geen voet verzetten. „Gezellige Sint-Nicolaasdrukte in het centrum,” schrijft de krant dan, en publiceert een foto van de lachende kindervriend, gezeten op een schimmel (ouderwets) of dalend per helicopter (die man gaat met zijn tijd mee). Een leuke, vredige beweging, die Sinterklaas-opwinding, vindt u niet?

Er zijn van die mensen, die beweren dat de Goedheiligman met het jaar meer op een oorlogsgod dan op een weldoener van onnozele kindertjes gaat lijken, doch dat zijn van die zwartkijkers, die op elk (democratisch) slakje een snufje (defaitistisch) zout leggen. Zeg nu zelf, zulke dingen moet je breed zien! Daar is bijvoorbeeld de kwestie van het

ten geschenke geven van „oorlogstuig-inzakformaat”. Ik sta wel eens op hetzelfde achterbalkon als meneer Van Zoelen. Die man is, laat ik het voorzichtig uitdrukken, uiterst links.

„Ze moesten de fabricatie van oorlogstuig-als-speelgoed ronduit verbieden,” merkte hij onlangs op, en toen moest ik hem wel gaan uitleggen dat zo iets heel erg ondemocratisch is.

„In een beschaafd land, meneer Van Zoelen,” heb ik gezegd, „heeft de staat zo weinig mogelijk te zeggen. De burgers spannen zich in om de overheid zoveel mogelijk macht te ontnemen en tot alleriei terreinen de toegang te ontzeggen.

Nu zoudt u willen dat de overheid zou ingrijpen in de vrije productierechten van de speelgoedfabrikant. U zoudt wensen dat deze overheid zou zeggen: Pardon, maar