is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 49, 11-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De huiseigenaar

Ais Bomhoff in profetische toorn zijn banvloeken slingert naar de huiseigenaar („Het heilig eigendom van huizen” TT 30 Oct. 1954) dan zegt hij toch enkele dingen, waartegen mijn economisch geweten zich verzet en daarom lijkt het me goed de eigendom van woningen te bezien uit economisch gezichtspunt. Daarbij zal het „profetische” ontbreken, omdat ik, arme econoom, de gave van dit banvloeken-slingeren ontbeer. Maar aan de andere kant wil ik wel proberen bij deze economische visie noch het sociale, noch het socialistische getuigenis achterwege te laten.

Een belangrijk deel van het Nederlands huizenbezit is in particuliere handen. lemand met geld kan zijn geld beleggen op de spaarbank of in aandelen en obligaties e.d. of in huizen. Hij doet dit om zijn geld te bewaren voor slechte dagen en/of om rente van zijn geld te maken. Het nadeel van de spaarbank is, dat deze maar zo weinig rente geeft, maar bovendien, dat de waarde van het geld voortdurend achteruitgaat. Een gulden in 1938 op de spaarbank gebracht is nu nog maar ƒ 0.40 in goederen waard. Vandaar dat men gaat zoeken naar andere beleggingen.

Als men een aandeel koopt van een onderneming, dan ontvangt men in de regel een wat hogere rente (ook niet zo dwaas hoog als men het wel eens denkt. Overigens; een rente van 5% is meestal wel het maximum dat men trekt). Wat echter belangrijker is: het geld is dan gestoken in goederen en deze goederen blijven hun waarde houden. Een aandeelhouder, die zijn aandeel in 1938 gekocht heeft, ziet zich thans rijker in geld, maar gelijk in goederen, omdat de koersen hoger zijn dan in 1938. Niemand verplicht hem deze koerswinst te deponeren in een egalisatiefonds via een bestemmingsheffing.

Nu heeft deze mens met geld besloten een huis te kopen. Stel voor het huis kostte in 1938 ƒ 10.000, terwijl de jaarlijkse huur daaruit bedroeg ƒBOO. Bomhoff zegt: over 40 jaar heeft deze man aan huur ontvangen 40 X ƒ 800 = ƒ 32.000, dat is ruim driemaal de koopsom.

In alle eerbied tegenover Bomhoff: dit is onzin! Want hij verwaarloost daarbij enkele zeer belangrijke kostenfactoren, waarmede de eigenaar te maken heeft, nl.:

afschrijving 2% over de waarde

onderhoud en lasten 2% over de waarde.

Blijft over als rente 4% over de waarde, hetgeen hij ook ontvangt als hij zijn geld in een aandeel had belegd.

Bij de afschrijving is gerekend met 2% over de aanschaffingswaarde, waarbij er is van uitgegaan, dat het huis langer dan 50 jaar zal blijven staan. Een huis heeft nl. een beperkte levensduur! Langer dan 50 jaar, immers blijft het maar 50 jaar of korter staan, dan is 2% te weinig, want t.z.t.

zal de vervangingswaarde aanmerkelijk hoger zijn dan destijds de aanschaffingswaarde. Er is immers door de eeuwen heen een voortdurende stijging van de bouwkosten te zien. Heeft men na 50 jaar een reserve gemaakt van 50 X ƒ 200 = ƒ 10.000, dan zal blijken, dat men daarvoor geen gelijkwaardig huis kan bouwen. Een en ander betekent dus, dat 2% afschrijving over de aanschaffingswaarde aan de lage kant is.

Bij de onderhoudskosten en lasten is 2% over de aanschaffingswaarde evenmin aan de hoge kant. Vele huiseigenaren, die bijv. in 1938 een huis hebben gekocht voor ƒ 10.000 zullen niet in staat zijn voor ƒ 200 per jaar de onderhoudskosten en lasten te dragen.

Een en ander betekent, dat men dus niet eens aan 4% rente toekomt. Dat behoeft niet als een tragedie gezien te worden, indien dan maar niet zoals Bomhoff deed men deze mensen voorhoudt, dat ze in huur al vele malen de waarde van de woning hebben terugontvangen.

Dat de bouwvakarbeiders niet om de huur kunnen komen, is nogal wiedes. Stel voor, dat in een sigarettenfabriek de arbeiders naast hun loon ook nog eens bij de winkelier de verkoopkosten van het pakje sigaretten gaan halen. Dit zou slechts kunnen, indien zij geen loon ontvingen. Zo ligt het natuurlijk ook bij de bouwvakarbeiders. Er valt voor te pleiten, dat zij een groter aandeel ontvangen van de opbrengst van het huis door middel van hogere lonen. Het is echter volkomen ongegrond als Bomhoff schrijft: „Waarom komen de kinderen van de arbeiders, die het huis destijds bouwden, geen huur ophalen” en het is onjuist zie hierboven als hij zegt „Hij (de huiseigenaar) is allang en overvloedig beloond voor het feit, dat hij destijds met zijn kapitaal arbeiders een huis liet bouwen”.

Huiseigenaren mogen zich niet in populariteit verheugen. Soms is daar ook wel reden voor. Het valt toe te juichen, dat de huurders thans beschermd worden tegen willekeurig gebruik van de eigendom der huizen. Het is ook juist, dat in deze tijd van gebrek aan woonruimte de huursom niet willekeurig kan worden verhoogd.

Maar het is buiten proportie om nu deze mensen te verwijten, dat zij in feite woekeraars zijn. Werkelijk: de meeste huiseigenaren steken ongunstig af wat hun rendement betreft bij aandelenbezitters. Gezien de hoge prijzen van nieuwe woningen (dus gezien de hoge vervangingswaarde) is een verhoging van de huren volkomen gerechtvaardigd. Hoe hoog dit percentage moet worden, is thans nog niet te zeggen, maar wel, dat het huidige percentage beslist te gering is om een behoorlijk rendement te krijgen.

Trouwens de verzekeringsmaatschappijen en andere institutionele beleggers en ook

de overheid (met name de gemeentelijke) die huizen in eigendom heeft, zal erop staan een behoorlijk rendement te krijgen. Daarbij kan ik het niet toejuichen, dat een deel van de aanstaande huurverhoging in een egalisatiefonds komt. Want óf de huren zijn na de nieuwe verhoging te hoog en het rendement wordt te hoog, óf dit is niet het geval. In het eerste geval dient huurverhoging achterwege te blijven, want dan betalen de huurders deze belasting; in het tweede geval dient de huurverhoging ten goede te komen aan hem, die geld heeft geïnvesteerd in de huizen, want dan is de huurverhoging in het leven geroepen om o.a. het rendement op een behoorlijk en met andere investeringen vergelijkbaar peil te brengen.

Indien men afwijst, dat er rendement uit dit geïnvesteerde geld komt, dan moet men ook afwijzen, dat er rente wordt gemaakt door aandelen, obligaties, spaarbankboekjes, hypotheken, wissels, credieten enz. Wil Bomhoff dit? Zo ja, dan moet hij niet over het „heilig eigendom van huizen” schrijven, maar dan moet hij een renteverbod bepleiten.

Maar zo zal hij zeggen indien er nu een woeker rendement wordt gehaald? Dan antwoord ik, dat dan ingrijpen rechtvaardig is. Maar dan moet Bomhoff aantonen, dat zulks bij het huizenbezit gebeurt. In het gewraakte artikel is dit niet gebeurd. Het lijkt mij moeilijk aan te tonen.

Indien de overheid als ondernemer bij de woningbouw optreedt, dan is tot dusverre niet gebleken, dat de huren lager waren. Zelfs in overwegend socialistische gemeenten is het zeker niet zo, dat de bewoners kunnen merken aan de huur dat de overheid de huiseigenares is. Evenmin is dit het geval bij de woningbouwverenigingen. Overigens indien ik nu de beste oplossing zou moeten aangeven, die zich ook het meest verdraagt met het socialistisch ideaal, dan zou ik willen opmerken, dat dan de woningbouwverenigingen als typische coöperaties van huurders verre de voorkeur verdienen boven de overheid om als eigenares op te treden.

Rotterdam. J. G. VAN DER PLOEG

Ik kan dankbaar zijn voor het bovenstaand artikel en toch mijn eigen gedachte handhaven. Van der Ploeg spreekt over mijn „profetische toon” en zijn „economisch geweten”. Ten onrechte! Niets ligt mij verder dan voor profeet te willen spelen en mijn opponent zal toch wel willen toegeven dat „economisch geweten” een wonderbare woordcombinatie is. Zelf zie ik het zo: bovenstaand artikel behandelt helder een actueel economisch vraagstuk, maar het gaat langs de strekking van mijn artikel heen, dat een ethisch vraagstuk aan de orde stelt.

Ik meen nog steeds, dat wanneer ’t het socialisme ernst is met zijn nieuwe orde van de arbeid tegenover de orde van het bezit (het kapitalisme), dat dan onvermijdelijk het vraagstuk van het zedelijk recht op rente onderzocht moet worden. Van der Ploeg veronderstelt met argument en sentiment, dat rentevragen normaal is. Daar is hij econoom voor, die in het huidige stelsel ordenend denkt en wat hij bepleit, is alleszins zinvol in deze orde.

Maar ik stelde vragenderwijze, dat heel deze orde niet deugt. Ik blijf het een fout vinden van Marx c.s., dat hij, anders dan het zgn. utopisch socialisme van Proudhon, de rechtmatigheid der rente buiten zijn vraagstelling heeft gehouden. En laat de econoom Van der Ploeg nu niet te gauw zeggen, dat dit vraagstuk opgelost is. Ik herinner hem slechts aan de opvattingen over rente in de Bijbel (sabbathjaar), de