is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 49, 11-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Gaulle in het nieuws

De laatste tijd is generaal de Gaulle minder zwijgzaam geworden. In ieder geval doorbreekt hij zijn mokkend stilzwijgen der laatste jaren zo nu en dan weer met een redevoering. Degenen, die hebben gemeend dat de invloed van de generaal op de Franse politiek tanende was (o.a. door de afscheiding van een groot aantal gaullistische -afgevaardigden), hebben zich vergist. Wel degelijk wordt er nog naar zijn oordeel geluisterd. Wel degelijk is hij voor de grote lijn de leider van zijn partij.

De Gaulle te plaatsen is een moeilijke opgave. Zijn kwaliteiten staan boven elke twijfel. Zijn fouten helaas eveneens. In de Gaulle vinden wij zowel de weerbarstige vrijheidsstrijder uit de oorlog terug, als de rancuneuze politicus die, liever dan in het Franse politieke gekrakeel te verzanden, zich in een dorpje buiten Parijs heeft teruggetrokken. Hij is de felle nationalist, die uit vrijwel niets het Franse verzet heeft gecreëerd, geleid en aangevuurd. Ook de Franse nationalist, die ook thans boven het Europese het Franse belang stelt.

Op dat laatste punt is en wordt hij veel aangevallen. Tallozen hebben hem voor de reactlonnaire politicus uitgemaakt, die niets wil weten van Europese samenwerking, maar er slechts naar streeft opnieuw Frankrijk een rol van grote mogendheid te laten spelen een rol, die Frankrijk in de huidige wereld nu eenmaal niet meer kan toevallen.

Zo’n verwijt is in zijn ruwe vorm wel juist. Het is zelfs zo, dat de Gaulle door zijn moeilijke houding, zijn norse uitlatingen, zijn zo nu en dan aan het verwatene grenzende eigenzinnigheid, verwijten als genoemd als ’t ware uitlokt. Daar staat dan echter tegenover, dat de vaderlandsliefde van deze generaal au fond zuiver is; en dat deze steunt op hogere opvattingen dan het normale enge nationalisme.

De Gaulle is geen martelaar en geen held. Hij is in zijn beste ogenblikken echter het geweten geweest van het beste dat in Frankrijk leefde. Het geweten, dat fel protesteerde tegen de aanpapperij van Vichy-Frankrijk met het Derde Rijk. Dat nu in verzet komt tegen elke mogelijkheid de Verenigde Staten slaafs te moeten volgen.

Na zijn jongste redevoering, waarin hij woorden van waardering sprak over premier Mendès-France, en waarbij hij zij ’t lang niet van ganser harte steun aan het huidige Franse beleid heeft toegezegd, is er heel wat gespeculeerd over de gelijkgerichtheid welke er al dan niet tussen hem en de huidige Franse minister-president bestiat. Als deze vraag wordt onderzocht aan de hand van de details der uitgestippelde politiek, kunnen wij niet ontkomen aan de conclusie, dat hetgeen bij Mendès-France een nuance is, voor de Gaulle een strikte richtlijn uitmaakt. Met name geldt zulks ten aanzien van het punt, of met de Sowjet-Unie moet worden onderhandeld. Mendès-France is daar voorstander van, mits na de ratificatie der Parijse accoorden. De Gaulle acht onderhandelingen van zoveel belang, dat hij wachtend op de uitslag eryan de inwerkingtreding der accoorden wil uitstellen.

Dit verschil in nuance en strakke richtlijn doet zich meer voor. De sympathie

moet daarbij wel naar Mendès-France uitgaan. De Franse premier hanteert het nationale gevoel als geneesmiddel voor de Franse malaise. De Gaulle ziet in het herwinnen van de nationale trots een doel op zich zelf. Waarschijnlijk putten Mendès-France en de Gaulle uit dezelfde bron. Maar terwijl Mendès-France het water (of moeten wij zeggen: de melk?) mondjesmaat aan zijn landgenoten uitdeelt, drinkt de Gaulle er zelf met volle teugen van.

Het ziet ernaar uit, dat de Franse regering toch de steun zal blijven genieten van de gaullisten. Met zijn openlijk beleden sympathie voor hetgeen Mendès-France nastreeft, zal de Gaulle verder moeten overwegen, dat een val van dê huidige Franse regering weer een grote stap terug is. Deze steun is voor Mendès-France onontbeerlijk. Zijn meerderheid was reeds angstig geslonken.

Er schijnt ook van andere kant hulp op te dagen. Een aantal leden van de MRP, onder leiding van Schuman, kan zich volgens de jongste berichten niet meer verenigen met de afwijzende houding die de MRP inneemt. In dit geval is wel zeer opmerkelijk, dat het juist Schuman is, die de ontevredenen leidt. Schuman, de vader van de Europese samenwerking, die later ter wille van mensen als Bidault het veld moest ruimen. De weifelende houding van de socialisten is betreurenswaardig. Wij hebben de indruk dat de socialistische partij steeds weer kans ziet de mogelijkheden van een nuttige rol in de Franse politiek ongebruikt voorbij te laten gaan.

H. VAN VEEN

LEESTAFELNIEUWS

DE FILM IN BEELD

„Film in beeld” geeft typografisch uitstekend verzorgd (op kunstdruk-papier) een overzicht van de ontwikkeling der film en van de factoren, die de film tot film maken. Techniek, amusement en kunst hebben in dit verband een plaats in het boek gekregen, waarvan foto’s de hoofdschotel vormen, voorzien van korte eenvoudige explicaties. Ook al is men het niet steeds met de keuze dier foto’s eens, eerlijkheidshalve moet men samensteller ep explicateur (dr. J. M. L. Peters en A. A. E. van Driel), maar ook J. Muusses, uitgever, voor deze publicatie (die naar het voorbeeld van een enkele jaren geleden verschenen Zwitsers boek is gemaakt, dankbaar zijn. (Dankbaar ook het ministerie voor 0., K. en W. door wiens gift deze uitgave, die maar ƒ7,50 kost, kon verschijnen). Met een enkel woord en met veel foto’s wordt verteld, hoe een film tot stand komt, en wat de functie van camera, beweging, belichting, het „dode voorwerp”, montage, geluid, acteur en vooral van de regisseur is. Foto’s zinvol geordend, zeggen ons, hoe de beelden in een goede film geordend moeten worden, opdat hieruit een compositie ontstaat. Dit boek is, omdat het op onderhoudende wijze, belangrijke zaken van de film aanschouwelijk maakt, niet alleen geschikt voor insider en filmliefhebber, maar ook voor hen en vooral voor jeugdigen die „zo maar” naar de bioscoop gaan. H. W.

Albert Schweitzerkalender 1955, Twaalf bladen met telkens een andere foto van Schweitzer, zijn werk en omgeving. Aan de keerzijde van elk beeld vindt men een zeer gelukkig gekozen tekst uit een der veie boeken van de Nobelprijswinnaar, die de verschillende aspecten van deze grote christen uitmuntend belicht. De opbrengst van deze kalender komt geheel ten goede aan het Albert Schweitzerfonds. Het is een uitgave van „De Torenlaan” te Assen en zij kost ƒ2,50.

Anne de Vries: Verhalen voor de kersttijd, uitgave O. F. Callenbach, Nijkerk, 2e druk, 163 blz., ƒ 5,90. De tekst van de omslag lijkt me onjuist. Lang niet alle verhalen van deze bundel zijn geschikt om aan kinderen voorgelezen te worden. Dat doet aan de kwaliteit der verhalen natuurlijk geen afbheuk, maar het. maakt de verzameling wel wat hybridisch, want enkele vertellingen zijn inderdaad uitermate geschikt voor een jong publiek, om voor te lezen in de huiselijke kring of op dag- en zondagsscholen in de hoogste klassen; andere daarentegen zullen slechts volwassen lezers aanspreken. Op beide gebieden heeft Anne de Vries goed werk geleverd. In tegenstelling met veel verhalen van dit soort houdt deze schrijver zich strikt aan zijn opgave. Deze verhalen zijn inderdaad christelijke kerstverhalen, geen flauwigheden over .kerstboompjes, maar centraal gericht op het kerstfeest. Vrome verhalen dus. Het genre is bovenmenselijk moeilijk. Te licht doorziet de critische lezer de stichtelijke opzet zowel in de compositie van het verhaal, als in dit eigenaardig taalgebruik. Ik beweer niet dat Anne de Vries deze bezwaren volkomen te boven is gekomen, maar al met al bereikt deze bundel een hoog peil op een terrein, waar meer gekunsteld dan kunst is. Aanbevolen.

Maurice Barbanell: Harry Edwards als Genezer, vertaald uit het Engels door A. Methorst—Kuiper. Uitgeverij de Driehoek, Amsterdam, 231 blz., ƒ5.50. Het feit van de genezing door metapsychische invloed lijkt wel vast te staan en in dit hoek kan men de prestaties van zo’n wondergenezer beschreven vinden. Het boek is echter zó oncritisch geschreven en de theorie, die onder de feiten gesteld dat deze feiten juist werden waargenomen wordt geschoven, is zo onsamenhangend (lees: „onzinnig”), dat ik dit boek niet kan aanbevelen. De sympathieke zaak van de zgn. „wondergenezing” is door zo’n boek niet gebaat, ondanks de eerlijke bedoeling van schrijver en vertaalster. Nog een opmerking: laat men toch deze kwestie niet vertroebelen door voorbarig en oppervlakkig getheologiseer. Deze joumalist-schrijver maakt het ook op dit gebied wel bijster bont.

Dr. J. H. Bavinck: Het raadsel van ons leven, uitgave J. H. Kok, Kampen, 3e druk, 107 blz., ƒ3,50. Op bevattelijke en toch niet oppervlakkige wijze krijgt men in dit boekje een christelijk levensinzicht aangeboden. De titel van het werkje is lichtelijk misleidend. Het raadsel van het leven blijkt geen raadsel te zijn, maar een mysterie van ons christelijk geloof. Wie meer van dit soort boeken gelezen heeft, ziet wel hoe goed het is. Ik wil het dan ook ieder aanraden die nog eens nadenken wil over ’s levens zin. Het is ook uitermate geschikt om een buitenstaander een benaderend begrip te geven van hoe een christen het leven beziet (lees: bezien moet.) Ik heb één bezwaar: de meeste hoofdstukken hebben deze opbouw: een vraagstuk wordt gesteld, de onoplosbaarheid in het wijsgerig en empirisch vlak wordt aangetoond, maar dan is daar het geloof. Ik vrees dat lang niet ieder door deze methode gewonnen zal worden. Plaatst men eenmaal een geloofsinzicht als oplossing in een rationeel gesteld probleem, dan staat het ter discussie, een hachelijk iets voor een geloofsuitspraak. Maar zelfs wie de methode van prof. Bavinck niet doeltreffend vindt, zal nochtans veel vrome wijsheid in dit boekje aantreffen.

Prof. dr. C. A. van Peursen: Mlchel de Montaigne, het reizen als wijsgerige houding, uitgave H. J. Paris Amsterdam 1954, 130 blz., ƒ6.90. Dit boek is een oorspronkelijke samenvatting van het denken van Montaigne, een Frans wijsgeer uit de XVIe eeuw. Het poogt zowel het voorwerp als de methode van deze meest systematische der vroegere wijsgeren te omschrijven binnen een phenomenologie van het reizen, gezien als wijsgerig gedrag. Merkwaardig genoeg heeft dit boek andere kwaliteiten dan nien verwachten zou. Stelt het teleur als beschrijving van het reizen en maakt het zijn ondertitel maar benaderend waar, het is uitstekend als oriënterende inleiding tot het lezen van deze wijsgeer. Op een oorspronkelijke manier heeft de schrijver de thema’s van Montaigne gegroepeerd, toegelicht en aangetoond, hoe het denken van Montaigne inleidt tot alle latere stromingen. Ook wie Montaigne niet kent, krijgt door dit boek een goed idee van deze denker in het kader van zijn tijd. Het vergt een waakzame lectuur en een overvloedige belezenheid om over Montaigne iets doeltreffends te zeggen. Om deze reden graag aanbevolen onder het'voorbehoud, dat men Frans verstaat, want de schrijver liet vele citaten onvertaald.

Wegen door de avond, samengesteld door Cor Bruijn, geïllustreerd. Uitgave Ploegsma, A’dam, 1954. 350 blz. ƒ9,50.

AUeen al het idee van dit boek is een gelukkige greep. Het brengt volgens de ondertitel: „de oudgeworden mens in vele gestalten, gezien door schrijvers, dichters en denkers”. We hebben hier dus voor ons een boek over de oude mens, allereerst wel bestemd voor oude mensen, zoals de samensteller in zijn nawoord helder de bedoeling