is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 50, 18-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De generatie der vijftigers

Zaterdag en Zondag hebben wij in Bentveld samen gesproken over de socialistische beweging en de generaties. Een zaak niet zozeer van actuele als wel van permanente betekenis. Het is gewoonte onder ons, om de overgang der generaties met argwanend oog aan te zien. Hoeveel tragisch-doenerige mensen komt men niet tegen, die vinden, dat er geen nakomelingschap in de Beweging is. „Waar blijft de jeugd?” vragen ze.

Nu hebben wij in Bentveld de generaties eens samen laten spreken. Evert Kupers (70-er), Ton Oosterhuis (30-er) en ik (nog net geen 50-er) hebben in een korte samenvatting moeten zeggen wat onze eigen generatie tot het socialisme deed komen en hoe wij, in onze jeugd gevormd, nu in het socialisme stonden.

Het werd een boeiend geheel. Hoe goed was het, weer eens (voor sommige jongeren misschien wel voor het eerst) een man als Evert Kupers te laten zeggen, waarom hij socialist geworden was en hoe hij achterna over het bereikte dacht.

Wij hoorden het weer; de persoonlijk doorleefde arbeidsellende; de volstrekt onvoldoende benadering door de dominee, in wiens handen hij, 14-jarige, viel; de aantrekkingskracht van de strijd en van de eenvoudige, direct aanspreekbare doeleinden: 8-urendag en algemeen kiesrecht. De opsomming van wat bereikt is, is indrukwekkend. De trots van deze generatie is begrijpelijk en gerechtvaardigd.

Hoe goed was het, dat Ton Oosterhuis eens duidelijk en treffend zei, wat de 30-ers voelden: zonder veel illusies, levend op kort zicht, teleurgesteld door wat in de oorlogsjaren scheen te rijpen, nu actief om de muren te stutten, die onze betrekkelijke welvaart beveiligen.

Maar dan de „middengroep”, de mensen, die tussen 1900 en 1910 geboren zijn. Die nu de volle verantwoordelijkheid van de socialistische beweging beseffen.

Als ik achterna nog eens bedenk, wat hierover door anderen en door mij gezegd is, dan valt mij op, hoe gemakkelijk wij, over een generatie spreken. Wie hebben wij dan op het oog? De statistici weten, dat per jaar de mensenproductie in Nederland een bepaald getal haalt. Zeggen wij 100.000. In tien jaar is de productie dus een millioen.

En wie zijn wij, de 50-ers van nu? Een handjevol mannen en vrouwen. Bovendien nog ingebed in verschillende stromen. In verschillende werkzaamheden, in verschillende sociale lagen.

Maar toch herkennen wij, zeker in de socialistische beweging, elkaar ergens aan. Het is zelfs zo, dat degeen, die zich hun merktekenen bewust zijn geworden, zich zelf óók herkennen in andere leeftijdgenoten dan die van hun eigen beperkte groep. Dat spreekt voor zich zelf. Allen, voor zover bewust levend, hebben een antwoord moeten geven op de vragen, die opdoken, op de gebeurtenissen, die over ons heengingen. Ga ik nu na, door welke invloeden wij socialistische 50-ers, gevormd werden, dan kom ik tot twee belangrijke verschijnselen.

Ten eerste; de eerste wereldoorlog en de daarop volgende Russische revolutie. De wereldoorlog was een gruwel en hij werd gezien in het licht van de strijd der Imperialistische machten. De eerste we-

reldoorlog was voor ons besef het bewijs van de rotheid van de kapitalistische maatschappij. Dat in Rusland de revolutie uitbrak, dat een nieuw begin gemaakt kon worden, was een teken. Dat bovendien de symbolen van de middeleeuwse machten, die nog restten, verdwenen vorsten verloren immers hun kroon —, was een bewijs te meer, dat nieuwe tijden voor de deur stonden. Het kon. Als wij maar wilden.

En hier komt het tweede feit; de bloeiende jeugdbeweging. Bloeiend met zijn nog geen 2000 Nbassers, zijn 4000 JVO-ers, zijn 8000 AJC-ers, zijn 2000 JGOB-ers, zijn paar honderd SDSC-ers, die uit deze milieus voortkwamen? Ja, toch: want er was meer. Een nieuwe, sociaal bewuste Vrijz. Chr. jeugdbeweging nam een aan vang. Er was ritseling óók in andere kampen. „Wij zijn de jonge garde” niet alleen van het proletariaat.

Deze jeugdbeweging bestaat niet meer. Zij is meer tijdverschijnsel geweest dan wij toen konden overzien. Maar zij heeft de nu 50-ers gevormd en zij zijn heengegaan door de grazige weiden van hoop, van idealisme. Kenmerkend was een sterk besef van verantwoordelijkheid voor het geheel en het uitdrukken van de toekomstige samenleving in de levensvormen van nu. De geheelonthouding was daar het eenvoudigste symbool van.

Nevenkenmerken waren een niet-agressieve gevoeligheid tegenover de kerk en een zekere religieuze gevoeligheid, al wezen wij dan het „dode” gewicht van de traditie af! Hiermee is voor een deel verklaard, dat de eerste generatie socialisten (de mannen van 1880) hun gees-

telijk tehuis vonden in „De Dageraad” en vele 50-ers van nu het Humanistisch Verbond hebben gesticht. Nevenkenmei'k is ook, dat deze generatie wel actief is, maar weinig passie heeft voor de macht. Waar is de voorzitter van de Partij van de Arbeid uit deze generatie, die als het ware door allen haast vanzelfsprekend wordt aangewezen?

Deze generatie heeft een zekere afkeer van het compromis gekregen. Al verwierp zij het marxisme Hendrik de Man was immers een der mannen, naar wie wij graag luisterden en Banning formuleerde vaak heel precies, wat wij voelden wij hadden onze scholing toch gekregen in het leren zien van wat „burgerlijk” en „socialistisch” was. Daar lag een steeds weer beleefde tegenstelling, die ons „principieel” leerde denken. Tegelijkertijd wisten wij, dat de toekomst gevormd moest worden door een deugdelijke kennis van de maatschappij en door het opstellen van een plan. Het plan-socialisme vond grote weerklank bij ons en gaf ons nieuw vertrouwen in de beweging.

Zo, dunkt mij, ziet een schets van de generatie der 50-ers eruit, en met deze vorming staian zij nu midden in het geestelijk en maatschappelijk leven. Zij, de 50-ers, hebben daarna de afschuwelijke werkloosheidstijd doorstaan en toen de ervaringen van de tweede wereldoorlog, die een ander gelaat heeft gehad dan de eerste. Maar deze vorming gaat niet spoorloos aan een mens voorbij.

Nu zullen wij moeten wennen aan het feit, dat een jonge generatie met wezenlijk andere vorming ons opvolgt. Ik geloof, dat wij in staat zijn, dit ten volle te aanvaarden, en dat wij wezenlijk de jongeren beter met het hart begrijpen, dan hen, die de strijd tegen de directe sociale ellende ondernamen.

Voor teleurstelling en cynisme laten wij geen ruimte. L. H. R.

. ’’ f. [y '

De discussie over Nieuw-Guinea is langzaam maar zeker bezig een haard te worden, waar omheen de Nederlandse reactie, de wrok tegen de regering zich concentreert. Het is zaak voor onze partij hier een consequent socialistisch standpunt in te nemen en ons niet te laten overdonderen door de krijgshaftige lieden, die bloed willen zien. Ik ben niet ontevreden over het helder betoog van pg. De Kadt in de Tweede Kamer, ofschoon ik de gehele aanpak meer „realistisch’- dan „socialistisch” vond als u begrijpt wat ik bedoel. Ik heb er echter bepaald bezwaar tegen dat De Kadt over Indonesië sprekend „een geest van doodsvijandschap” meent te moeten constateren. Zo iets zegt men niet, omdat het de geesten ginds en hier vergiftigt, het streven naar een betere verstandhouding tussen ons land en Indonesië mateloos bemoeilijkt, en het onzuiver denken in wit en zwart bevordert.

Daar lees ik in Trouw (11 XII blz. 10) van een predikant, ds. v. d. Linden, pas uit Semarang terug, dat „wij niet de minste tegenwerking van de Indonesische overheid ondervinden... dat hij net als de Javaanse predikanten het verzoek kreeg op te willen treden als ambtenaar van de burgerlijke stand”. „De mensen menen vaak, dat we voor of in Indonesië niets meer kunnen

doen. Voor de zending geldt dit zeer beslist niet-nooit.” Dat klinkt me beter in de oren dan „geest van doodsvijandschap”. Onzuiver denken meen ik ook te constateren in de twee eerste stellingen, waarmee minister Kernkamp de mening der Kamer samenvat. Als wij de souvereiniteit over Nieuw-Guinea heten te handhaven, totdat de bevolking, zelf over haar lot beslist, dan kunnen we niet tegelijk beweren, dat er geen sprake kan zijn van overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië. Immers dan sluiten we uit, dat Nieuw-Guinea nog eens kiest voor Indonesië.

Even vreemd vind ik dat plan, waar onze pg. Stufkens zo warm voor liep, de Papoea’s Nederlands te leren. Wat moeten die stakkerds met onze taal in dat deel van de wereld? Is dat nu alleen maar om infiltratie van Indonesiërs te voorkomen, dat ze geen Maleis mogen leren? En als we samen gaan werken met Australië, zijn ze dan niet meer gebaat met Engels?

Ja, die samenwerking, ook op cultureel gebied, met Australië? Ik meende, dat dit land met zijn inheemse bevolking nog al rauw omsprong, en dat speciaal in Australisch Nieuw-Guinea een vrij meedogenloze ras-discriminatie plaatsvond.

Kort en goed: de Nieuw-Guinea-Jcwestie is verzamelpunt der reactie. Lees „De Haagse Post”, „Elsevier”, „De Telegraaf”; luister naar Gerbrandy en Gerretson. Hébben wij, socialisten een duidelijk, antwoord, of traden wij slechts op als remmers in vaste dienst? KORZELIGE KES