is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 51, 25-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kettingreactie

Het stuk van ds. Ruitenberg: „Wat doet de kerk?”, in Tijd en Taak van 4 December noopt mij tot een reactie. Het wordt overigens langzamerhand wel een kettingreactie. Want Ruitenbergs artikel was een reactie op een stuk van ds. Strijd in „In de Waagschaal” van 20 Nov. Helaas heeft ds. Ruitenberg er niet bij verteld, dat ook dit artikel van Strijd weer een reactie was, namelijk op een stuk van ds, Bijlsma in „In de Waagschaal” van 6 Nov. En eigenlijk was ook dit artikel van ds. Bijlsma een reactie, namelijk op een concept-verklaring, bestemd voor de leden der Staten-Generaal opgesteld door „Dat nooit weer”, die een protest tegen de Duitse herbewapening, remilitarisering en renazificering bevat. Ds. Bijlsma verwijt aan „Dat nooit weer” op felle toon, dat zijn protest tegen de Duitse herbewapening eenzijdig is, omdat het de verschijnselen van remilitarisering in Oost-Duitsland met volkomen stilzwijgen voorbijgaat. Strijd is het met deze critiek op de eenzijdigheid van „Dat nooit weer” eens, maar stelt de vraag, of deze critiek nu ons laatste woord moet zijn. Hij stelt in dit verband de vraag naar de totaalindruk, die de christelijke kerken maken moeten op diegenen, die werkelijk verontrust zijn over de Duitse herbewapening en die derhalve misschien gevaar lopen om door dat nooit weer op sleeptouw te worden genomen in een inderdaad eenzijdig protest. Hij slaakt de verzuchting, dat de kerk, uit welker midden en in welker pers we nu bij monde van ds. Bijlsma wel het neen horen tegen de actie van „Dat nooit weer”, blijkbaar tot op heden machteloos is om dat neen vergezeld te doen gaan van een verwijzing naar hoe zij het probleem van de Duitse herbewapening dan wel aan het geweten van overheid en volk legt. Hij constateert, dat het gezinsblad van de Hervormde Kerk erover zwijgt, dat het rapport van de vierde sectie van Evanston het hele probleem Duitsland niet noemt, dat de kerkorde van de Hervormde Kerk (art. 19 van ord. 4) zegt, „dat de kerk zich krachtens haar opdracht tot overheid en volk moet wenden met de op-

roep het leven naar Gods beloften en geboden te richten... Zo bijzondere omstandigheden haar daartoe dringen, moet dit geschieden door haar ambtelijke vergaderingen.” Strijd vraagt „Zijn deze bijzondere omstandigheden, nu de nieuwe Wehrmacht voor de deur staat, niet aanwezig?”

Ds. Ruitenberg maakt hier nu van, dat ds. Strijd zit te zaniken om een spreken van de kerk en houdt dan een hele beschouwing over het spreken van de kerk in het algemeen en de daaraan verbonden problematiek, maar gaat hiermee helemaal heen langs de zakelijke vraag van ds. Strijd, of de in de kerkorde gewezen wegen voor een spreken der kerk in dit concrete geval van de Duitse herbewapening (en ook de eenzijdige protesten daartegen) niet bewandeld moeten worden. Hij (ds. Strijd) meent van wel, omdat de kerk daardoor ook het recht zou hebben om met meer kans op een werkelijk verstaan worden, de critiek van Bijlsma op „Dat nooit weer” over te nemen.

Hoewel het bij ds. Strijd dus ging om een spreken van de kerk in een concrete aangelegenheid en dus helemaal niet om wat ds. Ruitenberg hem in de schoenen schuift, een uitspraak over „het militaire vraagstuk” in het algemeen, wil ik over dat laatste toch ook nog iets zeggen.

Ds. Ruitenberg meent, dat het Herderlijk Schrijven, omdat het anders uitviel dan men hoopte, van Kerk en Vrede uit gezien, als een verlies moet worden gewaardeerd, omdat op deze manier het „in wezen afwijkende standpunt wordt vastgelegd.” Wie het Herderlijk Schrijven van de Hervormde Synode over oorlog en vrede leest, heeft ten eerste helemaal niet de indruk, dat hier „standpunten worden vastgelegd,” maar veeleer, dat hier een ernstige zaak, waarover te lang is gezwegen, aan de gewetens wordt gelegd. Dit is, ook van Kerk en Vrede uit gezien, winst.

Maar is het nu zo verkeerd ds. Ruitenberg, dat Kerk en Vrede toch nog verder wil en meent, dat het haar taak is om te werken voor de dag, dat de hele christelijke kerk haar radicaal vredesgetuigenis overneemt?

Er is een tijd geweest, dat de slavernij door de meerderheid in de kerken gelaten aanvaard werd, dat er ook theologen klaarstonden en zelfs leraren der kerk om deze aanvaarding van de slavernij op Bijbelse en dogmatische gronden te rechtvaardigen. Zo is het thans gesteld met de oorlog.

Sinds de waterstofbom is het voor iedereen zonneklaar, dat het oorlogsvraagstuk onmiddellijk de hele existentie van de mens raakt. Daarom begrijp ik niet, dat ds. Ruitenberg van een „teveel” kan spreken bij het aan de orde stellen van deze zaak door ds. Strijd (dat geldt dan trouwens niet alleen van ds. Strijd, maar van alle Kerk en Vredeleden. Ik wil hier wel eens openlijk uitspreken, dat het mij ongelofelijk hindert, dat ds. Strijd telkens wordt af geschilderd als een soort monomaan en dat zijn „toon” alles zou bederven. Ds. Strijd geeft niet minder dan wie ook het volle pond aan zijn tegenstanders, bijv. ook in het stuk van 6 Nov., in de Waagschaal. De weergave van de inhoud van dit stuk door ds Ruitenberg wekt door haar kortheid een verkeerde indruk.)

Ten ds. Ruitenberg „andere punten, die door de kerk verwaarloosd worden” en stelt ze min of meer op een lijn met het oorlogsvraagstuk. Ik kan nauwelijks geloven, dat hij ernstig meent, dat Esperanto of liturgie, sexuele hervorming, vegetarisme of zelfs alcoholisme in hetzelfde vlak liggen als ‘het oorlogsvraagstuk. Moet ooit een drankbestrijder voor een commissie komen, die zijn gewetensbezwaren onderzoekt, of wordt hij om zijn overtuiging in de gevangenis gezet, zoals de dienstweigeraar? Trouwens, nog kort geleden heeft de Franse protestantse kerk het maatschappelijk kwaad van het alcoholisme duidelijk en officieel bij monde van haar synode aangewezen en tot de strijd ertegen opgeroepen. De Franse protestantse dienstweigeraars verkeren nog steeds in een wetteloze positie, bij mijn weten hebben ze niet die morele steun van de kerk, die de drankbestrijders hebben. Maar waar dus ook van het alcoholisme geldt, dat een uitspraak van de kerk op een gegeven moment dringend nodig kan zijn, geldt dit mijns inziens alleen nog maar sterker van de de hele wereld bedreigende waanzin van de oorlog. Met alcoholisme mogen we nog enigszins een vergelijking beproeven, de

Vervolg van pagina i boven de wereld, die wij alleen bereiken door de wereld te ontvluchten, maar een God, die ons nabij is, God op aarde, in de werkelijkheid van dit leven. Eén van de apostelen, de meest diepzinnige, zegt het op zijn wijze: het Woord is vlees geworden! Alle tegenstellingen tussen hemel en aarde, eeuwigheid en tijd, God en mens, worden overwonnen. Een Engels Kerstlied zegt het zo eenvoudig:

Weest allen blij en zingt en speelt, met bloemen tooit u en met goud, want Christus heeft uw lot gedeeld.

werd mens tot uw behoud. Weest allen blij en zingt victorie, wat God u ook verborgen houdt. Want Hij, die eens u stelt in glorie, werd mens tot uw behoud.

Indien Kerstmis geen sprookje, maar waarheid is, is het lied van de muzikanten in de straten van Amsterdam evenmin valse romantiek als dat van de engelen in het veld van Bethlehem. Ook die muzikanten zijn engelen, boodschappers, die ons de grote blijdschap verkondigen, getuigen van

Gods wereldwijde liefde, predikers van het evangelie. Indien ik niet geloofde in het Kind van Bethlehem, zou ik wanhopen en mij door geen enkel idealisme laten opschroeven tot een onwerkelijk geloof in de mens en de wereld. Waarom zou ik de wereld geloven? En wie overtuigt mij, dat ik het in de mens kan doen? Wanneer ik blijf vertrouwen, dat mens en wereld een toekomst hebben, dan alleen, omdat God in Jezus Christus mens is geworden en de wereld liefheeft.

Om het Kind in de kribbe, straks de Man aan het kruis, om Jezus Christus, God die mens werd, geloof ik, dat de wereld toekomst, de geschiedenis doel en elk mensenleven zin heeft, dat het laatste woord niet is aan de macht, het geweld en het goud, aan het concentratiekamp en de atoombom, dat de wereld niet haar ondergang, maar haar bevrijding tegemoet gaat, dat de mens niet bestemd is voor de dood, maar voor het leven.

Laten, wat mij betreft, de straatmuzikanten geld uit de engelenzang slaan een kapitalistisch bedrijf is het zeker niet laten zij, als het niet anders kan ontzettend vals spelen, omdat zij het nooit anders

geleerd hebben, maar laten zij het in elk geval aan het einde van dit jaar aan ons allen boodschappen, dat Jezus Christus geboren is en dat deze wereld daarom nooit kan ophouden Gods wereld te zijn.

Een paar straten verder beginnen zij weer. Heel in de verte hoor ik het lied van de engelen, het lied ook van de straatmuzikanten : ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in mensen een welbehagen!

Carlyle stond eens voor een crucifix in gedachten verzonken en zei: Arme man, jij hebt in de wereld niets meer te vertellen! Maar Bernard Shaw vroeg en het was dit keer geen spot —: Waarom proberen wij het niet nog eens met Jezus?

In onze gesloten wereld en in onze gesloten tijd gevoelen wij ons eenzaam en zijn wij inderdaad eenzaam. Kerstfeest is het feest van de overwonnen eenzaamheid, van een open wereld en een ontsloten toekomst.

In Christus, broeders, blijft de aarde trouw. Wij gaan ergens heen. Ons leven heeft een doel en de geschiedenis der wereld heeft een doel. Wij zijn op weg naar het Paradijs! J. J. BUSKES JR.