is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 51, 25-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het afscheid van Koos Vorrink

Koos Vorrink heeft bericht, dat hij zich niet meer ter beschikking stelt als algemeen voorzitter van de PvdA.

Dit bericht doet vele gevoelens door ons heengaan.

In de eerste plaats dat van droefenis om het feit, dat de gezondheidstoestand van Vorrink niet zo is, dat een terugkeer op korte termijn en op volle kracht verwacht mag worden. Vorrinks leven is wel zéér werkzaam geweest. Het behoort tot de geheimenissen van het leven dat hij, juist hij, zó tot werkeloosheid gedoemd is en de ontwikkeling der dingen slechts van verre kan volgen. Onze hartelijke sympathie is bij hem. En verder: met Vorrink neemt een generatie afscheid.

Overzien wij wat hij en in hem een generatie voor de democratisch-socialistische beweging in Nederland betekend heeft, dan valt ons op, dat in hem een stuk vernieuwing doorzette, die uit moest lopen op de oprichting van de PvdA. Vorrink kwam als kwekeling, iets jonger dan die andere kwekeling W. Banning, in de KGOB. Neem de oude jaarboeken van deze oudste echte jeugdbeweging en ge zult de naam van Jan Kraal tegenkomen. Schuilnaam voor Vorrink. Eerste teken van zijn vermogen tot illegale arbeid. Het was immers door de strenge leiding van de Haarlemse kweekschool verboden deze nieuwe, opstandige geheelonthoudersbeweging onder kwekelingen te steunen. Vorrink deed het toch, want de zaak was het waard om standjes op te lopen.

Hier openbaart zich tweeërlei: in de eerste plaats een hartstochtelijk verlangen naar vormgeving van een nieuw leven en in de tweede plaats een sterk organisatorisch talent. Er lag een element van „payer de sa personne” in, een haast roekeloos gehoorzamen aan het wenkend ideaal. Een roekeloosheid, die hem zijn leven lang als prikkel en verleiding zou begeleiden.

Vorrink wordt ook de man van de AJC. Haar eerste voorzitter. De drijfkracht achter de AJC was het verlangen naar nieuwe mensen, die in het heden iets uitbeeldden van de socialistische orde, de socialistische stijl in het persoonlijk leven. Het besef brak door, dat het socialisme méér was dan een zaak van maatschappelijke ordening, maar een zedelijke en geestelijke zaak vooral. De culturele impulsen die van de AJC uit in de arbeidersbeweging vloeiden, zijn van niet te onderschatten betekenis. Zeker, er lag een element van isolement in. Elk lang volgehouden anders-zijn roept het gevaar van sectarisme, minstens van elite-vorming op Er ontstond een „type” AJC’er, waaraan de buitenwacht zich stootte en die binnen de beweging (denk aan de critiek van Honger) niet algemeen geaccepteerd werd.

Dit neemt niet weg, dat de betekenis van dit „type” duidelijk is: het probleem van socialistische vormgeving bleef aan de orde, ook waar het „type” afgewezen werd.

Deze beweging, en de straling die ervan uitging, maakte, dat Hendrik de Man met zijn critiek op het marxisme in Nederland begrepen werd. De Mans woorden vonden weerklank. En werden op eigen wijze verwerkt.

Vorrink wordt in 1934 voorzitter van de

SDAP en zal bijkans 20 jaar lang de centrale figuur in het Nederlandse socialisme blijven.

Moeten wij karakteriseren, waardoor dit mogelijk was, dan raken wij verschillende persoonlijke en niet-persoonlijke punten. Niet-persoonlijk was het feit, dat hij zijn voorzitterschap begon in een kritieke tijd. De doorvloeiing stremde. De socialistische . beweging verschraalde. Hitler was aan macht gekomen. De werkloosheid geeselde ons volk. De man van de jeugd, toen even 40, had reeds daarom vertrouwen. Juist omdat hij het socialisme breed zag, daarom kon hij leiding geven. Juist omdat hij geen politicus in de eigenlijke zin van het woord was. De persoonlijke punten hadden de overhand. Zijn welsprekendheid was ongeëvenaard. Een mengeling van statigheid, met een tikje archaïsering (graag gebruikte hij conjunctieven), van directheid van beelden, omslachtig soms, maar steeds opwekkend. Er vibreerde een vitaal geluid in zijn stem. Daarbij kwam —en dat ligt ons, Nederlanders dat hij nooit alleen zakelijk was, maar altijd zedelijke en geestelijke achtergronden zocht. Zo werd hij nooit scherp-kefferig, nooit enghartig. Steeds om-vattend.

Daarbij kwam een ijzeren gestel. Wie spreekt, weet, welk een vermoeienis dat geeft. Vorrink scheen onvermoeibaar. Dat bleek ook in de oorlog, toen hij direct de wankelmoedigen aanvuurde en de afvalligen aanviel. Hij heeft het zware lot van concentratiekampen ondergaan op een manier, die voor anderen dodelijk zouden zijn geweest. Direct na zijn terugkeer uit Duitsland is hij in de meest gespannen activiteit voor Schermerhorn—Drees ge-

roepen. Hij scheen onversaagbaar te zijn. Boven Denemarken stort zijn vliegtuig neer. Hij overleeft als enige de ramp. Zo zette hij zich in, compleet.

Hij zette zich óók compleet in voor de oprichting van de PvdA. Vorrink, groot gekomen in een vrijz. protestantse sfeer, als jongeman los daarvan gekomen, heeft nooit de betekenis van het religieuze leven voorbijgezien. Er waren perioden in zijn leven, dat het hem ver af stond. Mogelijk wel mede door de politieke constellatie. Godsdienst en kerk leken, door hun bindingen met bepaalde politieke partijen, bolwerken te zijn van conservatisme. Maar op den duur zou hij de verhoudingen beter gaan zien. Hij begreep de betekenis van deze sector van het leven. Zijn jeugdvriendschap uit de KGOB voor Banning verstierf nooit. Hij kwam in contact met dr. J. Eijkman – wiens sterven, nu 10 jaar geleden, niet ongemerkt voorbij dient te gaan en daardoor met een nieuw type orthodoxie, dat open was voor het democratische socialisme. Hij had de oorlogservaringen. En dit alles ging heen door hem, die zijn vorming had gekregen in de beweging der jongeren, die naar culturele en geestelijke vernieuwing van de maatschappij dóór het socialisme hunkerde.

Vandaar dat zijn pleiten voor de PvdA in wezen niets te maken had met vergroting van de SDAP zoals sommigen het wel zagen. Hij bedoelde het als een nieuw begin, en hij heeft er hartstochtelijk toe meegewerkt, dat het een nieuw begin geworden is ook.

Deze man nu heeft zijn hand gezet onder zijn besluit terug te treden. Er is niemand, die dit niet betreurt. Ook zij niet, die critiek hadden op zijn soms wat dl te krachtige leiding en op zijn niet al te scherp ontwikkeld vermogen om rustig naar anderen te luisteren. Ook zij niet, die in deze tijd om een koeler, zakelijker toon vroegen. Straks, als het congres van de PvdA gehouden wordt over twee maanden alweer zal het een droevig ogenblik zijn, waarop zijn afscheid wordt vastgesteld. Maar dankbaarheid voor zijn werk zal overheersen. Hierin zal ook voor hem troost liggen. L. H. R.

TERUGZIENDE

N.a.v. de 48e en laatste aflevering van „Onderdrukking en verzet” en „Dagboekfragmenten 1940—1945”. ■*).

Een monumentaal werk is voltooid. In vier statige delen ligt voor me „Onderdrukking en verzet”, de geschiedenis van Nederland gedurende de jaren 1940—1945. Nog eens eendrachtig, hebben aan dit werk meegedaan vertegenwoordigers van al die groepen, die in de bezettingstijd elkaar gevonden hadden. Rooms, protestant en humanist, confessioneel georganiseerd en doorbraakman, of om die eenheid in namen te symboliseren: Pater Stokman, Gerbrandy, Kortenhorst, Drees en ds. Touw e.a. Te zamen hebben zij het verhaal verteld van deze geweldige tijd, van deze storm, die over ons rustig landje uitbrak. Zij hebben dit goed gedaan, de een wat meer bewogen door de herinnering dan de ander, maar allen met een loffelijke opzet tot nuchtere objectiviteit. En de uitgevers hebben er mooie boeken van gemaakt met interessante foto’s, goed papier, fraaie band, enz. In alle steden en dorpen zijn zo langzamerhand monumenten verrezen, die deze tijd gedenken. Ze zijn opgericht door de gezindheid, die niet vergeten wil. De monumenten spreken de voorbijgangers aan door hun zwijgend er-zijn. Dit boek vraagt om gelezen te worden. Maar men kan zijn ogen afwenden van het gedenkteken, men kan het boek ongelezen laten. Waarom zouden we?

Niet zonder bitterheid herinnert Van Randwijk in het slothoofdstuk eraan, dat het raadzaam is in vele Nederlandse milieu’s te zwijgen over de verle-

den oorlog, te zwijgen vooral, als men aan de goede zijde heeft gestaan. En het prachtige boek van J. B. Charles is één lange dialoog van een verzetsman met zich zelf, of hij goed doet te vergeten. De boekhandel echter zegt: oorlogsboeken doen het niet meer.

Reeds voor de oorlog klaagde Huizinga erover, dat de moderne mens zich weinig aan de geschiedenis gelegen laat liggen. Kunstgeschiedenis en plaatjes kijken, ach ja, maar de ontwikkelde Nederlander, die iets weet over Van Oldenbarnevelt, Jan de Wit en stadhouder Willem 111 is niet gemakkelijk te vinden. Rembrandt kent men en Frans Hals, maar de Unie van Atrecht en Utrecht werd als ballast prijsgegeven, toen men de school verliet. Op de middelbare scholen is geschiedenis een bijvak en men moet het milieu kennen om te weten, wat dat betekent. Het is mogelijk dat men de bêta-afdeling van het gymnasium verlaat, zonder ooit van Thorbecke gehoord te hebben. Kort en goed, de moderne mens, speciaal de Nederlandse mens, kent slecht de geschiedenis van zijn volk, van zijn kerk, van zijn partij. Dat dit vroeger anders was, kan men zelf nagaan, als men de intekenlijsten eens bekijkt op geweldige vaderlandse geschiedenisboeken als de een en twintig delen van Wagenaar.

Wanneer Van Randwijk dus In zijn nabeschouwing klaagt over de wil tot vergeten van de laatste episode onzer vaderlandse geschiedenis, vergeet hij, dat niet alleen speciale factoren hier aan het werk zijn, maar dat de tijdgeest in het algemeen wars is van een historische beschouwingswijze. Nietzsche