is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 3, 22-01-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ Aan \ / den Heef I behoort de aarde l en haar i \ volheid. Psalm 2A : 1 y

I Am^tvr^arn

WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 22 Januari 1955 No. 3

Redactie: ds. J. J. Buskesjr. ds. L. H. Ruitenberg

dr. J. G. Bomhoff Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid

Telefoon 724386 p/a dr. J. G. BomhofT

Vaste medewerking van

prof. dr. W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen

dr. M. V. d. Voet ds. H.J. de Wijs MeJ. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

per jaarf 5, ; halfjaar J2,75; kwartaalf I,soplus/0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveldls, Amsterdam-C; Postbus 800

Geen vijanden, maar tegenstanders

Onze vijanden,” zei de voorzitter van de politieke vergadering, die ik onlangs bij woonde. Het was een gezellige vergadering, waar allerlei makkers uit de beweging elkaar ontmoetten in een prettige sfeer van vriendschap, maar dat woord van onze voorzitter zette me aan ’t peinzen en ik vergat een ogenblik te luisteren. „Vijanden?” dacht ik. „Hebben deze vriendelijke mensen dan vijanden?” Natuurlijk weet ik wel, dat onze voorzitter dat zo scherp niet bedoelde, natuurlijk weet ik wel, dat mij hetzelfde woord had kunnen ontvallen, maar toch zo overwoog ik is het woord niet ongevaarlijk, omdat het zo misleidend is en omdat het gevoelens oproept, die los van het denken, hun eigen onbezonnen weg gaan.

Als wij ons progressief noemen, zijn de conservatieven onze tegenstanders; als wij ons partij van de doorbraak noemen, zijn de confessionele partijen onze tegenstanders; als wij ons socialist noemen, zijn de voorstanders van het kapitalisme onze tegenstanders; als wij aan politiek doen, zijn de onpolitieken onze tegenstanders, als wij ons democraten noemen, zijn de tegenstanders of twijfelaars aan de waarde der democratie onze tegenstanders. Zo kan men nog een lieve tijd doorgaan, want ik noemde slechts enkele principiële tegenstellingen. Maar als wij ons tot de practische politieke vraagstukken wenden, zullen we moeten zeggen: als wij anti-kolonialen zijn, dan zijn de verheerlijkers van het kolonialisme onze tegenstanders, als wij anti-Amerikaans zijn of anti-Russisch, dan zijn... enz. enz. Als al deze tegenstanders vijanden zijn, dan moeten we ons toch wel erg eenzaam en verlaten voelen; dan zit er niets anders op dan te vechten voor onze goede zaak, tot de dood er op volgt; dan is politiek toch wel een haatdragend en onmenselijk bedrijf.

Het woord „vijanden” klonk als een dissonant in die vergadering van allemaal vriendelijke mensen. Daar ontving ik dezer dagen een exemplaar van „Burgerrecht”. De redactie was zo hoffelijk het me toe te zenden, omdat ik er in geschilderd werd als iemand, die lichtelijk idioot is. Ik mag dat wel. Maar ik denk er voorlopig niet aan de mensen van „Burgerrecht” mijn vijanden te noemen. Ik ben het met hen helemaal niet eens. Hun beginselen zijn de mijne niet, maar het merkwaardige is, dat,

waar zij zich hoofdpijn over maken, ook voor onze partij een punt van zorg is. Zij zijn tegenstander, wij voorstanders van geleide economie. Maar wij weten van de bezwaren, die aan het stelsel vastkleven en zij weten van de onvermijdelijkheid van dat stelsel. Zij veralgemenen hun standpunt, alsof zij alleen maar „nationaal” denken en het monopolie hebben van „burgerrecht”. Ik lach daarom, wijl ze zo kennelijk meer geld dan neuzen tellen. En dat is maar goed ook! De rampen waren niet te overzien, als deze vriendelijke anarchisten het voor ’t zeggen hadden. Als zij vandaag overwonnen, zouden morgen de communisten het voor ’t zeggen hebben. We zullen hen en ons zelf daar zo lang tegen beschermen. Hetzelfde geldt voor onze tegenstanders bij Elsevier en De Haagse Post. Ze mogen ons wel dankbaar zijn. Wij verschaffen hun kopij, en onze groei beschermt hen tegen hun „aartsvijanden”, de communisten. Daarentegen zouden we hen wel eens kunnen beschouwen als „de vriend, die ons onze feilen toont.” Als zodanig zou men ook nu en dan „De Waarheid” kunnen waarderen, als die maar eens wat meer ernst maakte met zijn titel. Zo zou men door kunnen gaan. Als doorbraakpartij beschermen we de kerken tegen de slechte naam, dat ze „reactionnair zijn, onbeschaamd, openlijk.” „Van de kerken hoeven we geen redding te verwachten” schreef een jong auteur in Podium (Dec. ’54, blz. 268). Hij lette alleen maar op de confessionale partijen! Wij zorgen ervoor, dat als iemand zich ergert aan „Trouw” of „De Linie”, hij weten kan, dat zij op politiek gebied noch de kerken der reformatie noch Rome exclusief voorstellen. Maar dat belet ons niet, samen met onze politieke tegenstanders Zondags naar de kerk te gaan, ja zelfs te luisteren, als zij weer eens op ons foeteren: de vriend, die onze feilen toont! Dat js nu democratie!

Democratie is een gek ding. Wij zijn zelfs bereid te luisteren naar hen die de democratie aanvallen, omdat zij een gescherpt zintuig bezitten voor de fouten van de democratie, maar desondanks moeten we ze onder de duim houden, niet alleen voor ons zelf, maar ook ter wille van hun eigen belang, want als zij het zouden winnen, hadden ze het verloren, omdat ze voortaan hun mond moesten houden. Wie aan politiek doet, hoe bescheiden

ook, botst op tegenstanders en loopt schrammen op. Maar hij deelt zelf ook klappen uit. Het hoort tot de stijl der democratie, dat er nooit alleen maar winnaars en verliezers op het slagveld achterblijven. Laten we elkaar dan geen vijanden, maar tegenstanders noemen, want een vijand moet vernietigd, een tegenstander moet wel overwonnen worden, maar juist niet vernietigd, want we hebben hem straks weer nodig, om ons tegen te spreken.

Zolang als we maar enigszins kunnen, zullen we dan ook bij onze politieke tegenstanders goede trouw veronderstellen. De politiek verbindt ons, want politiek-bedrijven is het algemeen belang behartigen. Zolang dit te drijfveer is van onze politieke tegenstanders, zullen we hen moeten bestrijden, scherp desnoods, maar niet zonder respect. Men hoeft aan zijn eigen beginsel niet te twijfelen, en toch kan men rekening houden met het relatieve gelijk van zijn tegenstanders. Meestal ziet men scherper bij zijn tegenstander het minderwaardig motief van klein eigenbelang, dan bij zijn medestanders en bij zich zelf. Het zij zo.

Maar echte vijanden in de politiek van vandaag zijn allereerst zij die menen, dat politiek alleen maar zwendel en eigen belang is, en dus in him vermeende zedelijke onaantastbaarheid alleen maar kankeren, en nukkig terzijde staan. Vervolgens zijn echte vijanden degenen, die blijmoedig bereid zijn het nationale bestaan zelf, waarbinnen de democratie voorlopig functionneert, op te offeren aan een vreemde, buitenlandse mogendheid. Ten slotte zijn vijanden degenen, die het politieke spel bederven door zich in hun activiteit alleen maar te laten leiden door hun geldingsdrang en eigen baat; die de politiek alleen maar hanteren om er beter van te worden.

Laat ons eerlijk zijn: zulke profiteurs komen in elke partij voor. Het is ook niet waar, dat ze alleen in de politiek welig tieren. Handel en bedrijf, zelfs wetenschap en kunst, ja de kerk kent ze: mensen die bereid zijn om over lijken te gaan, als zij maar meer macht of bezit of prestige veroveren. Zij ondermijnen elk menselijk samenwerken. Waar zijn zij?... Wij hebben er allemaal minstens aanleg toe om het te worden. Maar als dat waar is, zijn we vijanden van ons zelf!

Ik vind dat we met dat woord „vijand” maar voorzichtig moeten zijn. Het wordt zo achteloos gebruikt en ineens ontdekken we, dat we ons zelf bedoelen. „Welnu, niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat.” (Eph. 5:29). Bij Paulus is dit een uitgangspunt, als hij het over de huwelijksliefde heeft, maar het is zo gek niet om deze tekst aan te halen, als we het over heel andere zaken hebben, bijv. over de politiek.

J. G. B.