is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 4, 29-01-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kanttekeningen

n.a.v. R. Kousbroek. Mit brennender Sorge. In Podium 9e jaarg., no. 6, Aug.—Dec. 1954 blz. 257—274.

Een van de kenmerkende eigenschappen der Nederlandse buitenlandse politiek, zoals die vandaag gevoerd wordt, Is, dat ze door het grote publiek nagenoeg niet gevolgd wordt; uit onbegrip. Terwijl In de Kamer er over de grote lijnen nagenoeg eenstemmigheid heerst, leeft bij de niet rechtstreeks bij de politiek geïnteresseerden een vaag, maar dof onbehagen. Ik meen het recht te hebben hier over een typisch kenmerk van de Nederlandse situatie te spreken. Terwijl In Frankrijk eerst de EDG, zowel In de Kamer als daarbuiten een hevig object van discussie Is geweest, heeft men hier de EDG vrijwel zonder slag of stoot geaccepteerd; terwijl onlangs Mendès-France de Parljse tractaten met moeite door de Kamer heeft geloodst en heel Frankrijk erover discussieerde, accepteren onze politieke leiders zonder noemenswaardige discussie de Westdultse herbewapening. Er zijn In ons land enige kranten en weekbladen, die, In naam neutraal, geen gelegenheid voorbij laten gaan, om de regering en do regeringspartijen, speciaal de PvdA een hak te zetten; bladen, die met Argusogen elke politieke maatregel volgen, om die met hun vaak kwaadsappige kritiek te besmeuren. Het treft me altijd weer, dat deze bladen, wat betreft de buitenlandse politiek, vrijwel conformistisch zijn. Terwijl In Duitsland de vakbeweging en de socialistische partij fanatiek tegen Westdultse herbewapening zijn, terwijl In Engeland de Labour Party over deze kwestie hevig verdeeld Is, heerst In Nederland over deze kwestie In alle politieke partijen nagenoeg eenstemmigheid.

Men kan voor dit merkwaardig verschijnsel minstens twee oorzaken aan wij zen.

Ten eerste: de eendrachtige overtuiging van een acute, actuele dreiging van Sowjet-Rusland, die naar Nederlands besef zo groot is, dat alle middelen moeten aangevat worden om dit gevaar het hoofd te kunnen bieden. Ik wijs op drie gevolgen van deze overtuiging: een passief aanleunen bij het Amerikaanse initiatief. Wij hebben in dit gevaar de grote broer nodig. We doen goed hem niet van ons te vervreemden door eigenwijsheid. Daarom accepteren wij dat atoomwapens klaargehouden worden, niet alleen als vergeldingswapens maar als strategische wapens kortweg; daarom accepteren wij ook de Westduitse herbewapening met een nationale berusting, die waarschijnlijk uniek is in Europa.

Ten tweede: vanuit ons besef, dat we een klein, hulpeloos land zijn met een dreigende overbevolking, met weinig natuurlijke hulpbronnen, ontwricht daarenboven door het plotselinge verlies van Ned. Oost-Indlë, zijn wij voorstanders van Europese Integratie. Wat In andere landen, met sterk nationaal besef van eigenwaarde en eigen kracht, moeizaam Ingang vindt, wordt bij ons gemakkelijk aanvaard, ongeacht onze momentele welvaart. Welnu, de angst voor Rusland drijft West-Europa bijeen. Ergo... Het Is opmerkelijk genoeg om er de aandacht op te vestigen, dat In -een literair tijdschrift een uitvoerig artikel staat over de buitenlandse politieke situatie, geschreven door een jong literator. In Nederland laten literatoren zich meestal niet met politiek In, tenzij om erop te smalen. De redactie echter van „Podium” plaatst dit artikel met nadruk voorop en kondigt reeds nu reacties aan van andere, jonge schrijvers.

Een reactie, die een nadrukkelijke Instemming betekende, lazen we reeds. In de „Groene” schreef J. B. Charles, dichter en schrijver van „Volg het spoor terug” een groot stuk „Zullen wij tekenen of mogen wij niet” (8 I 55), waarin hij welsprekend pleit voor verzet tegen de Duitse herbewapening.

Nu moet Ik eerlijkheidshalve zeggen, dat belde artikelen me weinig overtuigend lijken. Het artikel van R. Kousbroek, eenzijdig, hoewel niet onjuist gedocumenteerd, geeft een benauwende schildering van de In Duitsland nog steeds aanwezige militaire geest, maar verwaarloost In te gaan op de Nederlandse noodsituatie, als hierboven aangeduld. Het wreekt zich, dat de schrijver, In Parijs woonachtig, de Nederlandse visie op de buitenlandse politiek slechts

schijnt te kennen uit „Elsevlers Weekblad” en zijn journalist H. A. Lunshoff. Eenzelfde bezwaar zal men m.l. tot J. B. Charles moeten richten. Gebiologeerd door het gevaar der Westdultse bewapening verwaarloost hij smalend de gronden, waarop dit mindere kwaad door onze politieke leiders geaccepteerd wordt ter voorkoming van groter kwaad, verwaarloost evenzeer de overwegingen, die dit kwaad voor vandaag pogen te ontkennen, verwaarloost hij ten slotte de noodsituatie waarin wij verkeren (zie boven). Zedelijke verontwaardiging Is een kostbaar lets In het menselijk verkeer, maar het kan alleen maar zinvol gehanteerd worden na een behoorlijke analyse van alle omstandigheden die de zedelijke daad mede bepalen.

Belde artikelen doen een beroep op de socialistische partij In Nederland. Ik meen, dat ze typisch zijn voor een universeel gevoel van onbehagen. Als onze politiek juist Is en uitzicht biedt, dan meen Ik te moeten constateren, dat ze niet begrepen wordt, zo mln overigens als de houding der christelijke kerken, waarover Kousbroek enkele schampere opmerkingen maakt. Men kan zich hiervan niet afmaken met de opmerking, dat de schrijver niet weet waarover hij schrijft. Dat dit zo Is, kan men overigens gemakkelijk aantonen.

Maar het feit der algemene verlegenheid is er niet minder om. En deze verlegenheid concentreert zich op deze benauwende vraag: Is het communisme werkelijk een zo geweldige en actuele dreiging, dat daartoe alle middelen, Inclusief gebruik van atoombom en Westdultse herbewapening gebruikt mogen worden. Ook wanneer men, zoals In socialistische en kerkelijke kringen gewoon Is, betoogt, dat verbetering der sociale omstandigheden en hulpverlening aan achtergebleven gebieden eersterangsmiddelen zijn ter bestrijding van het communisme, ook dan heeft men nog geen antwoord gegeven op de eerste vraag. Let wel: Ik wil voorlopig veronderstellen, dat dit antwoord er Is. Ik constateer slechts, dat het In wijde kringen onbekend Is. J. G. B.

eens: Is dit soms een licht soort godsdienstwaanzin?, en gelijk komt dan de vraag: En zijn er meer mensen die zo zijn gaan leven en werken na het horen van een revivalist als Zaiss of als Graham? Je hébt toch als christen net zo goed als ieder ander mens je plichten?

De levenshouding van Kees is me een raadsel. We begrijpen hem niet. We stonden er indertijd bij en zagen hem eigenlijk bekeerd worden. Maar begrijpen, nee; en nog minder benijden we hem nu hij, zoals hij zegt, de geestelijke rijkdom heeft gevonden. We spreken er reeds maanden-, maandenlang over. En we komen er nooit uit. We hebben alleen medelijden met hem.

LOEK ELFFERICH

Zeepbellen

Men moet het verborgene niet verachten, integendeel, men moet trachten

het in de wereld uit te dragen... maar wie kan de kleine zeepbel vangen

die meezweeft door de donkere ruimte? je zou ’n schepnet moeten hebben van hier tot achter Mars

en loat vang je dan nog!

en denk ook even aan onze belangen op deze kleine aarde met vrouw en kind en een betrekking als

slager of ambtenaar, of nog erger: pastoor of dominee nee, zeg nu niet néé

die mensen hebben het dubbel zwaar want zij hebben handel in zeepbellen.

Dirk Jorritsma