is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 5, 05-02-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te midden van vreemdelingen

Het behoort tot de goede journaiistiek, zegt men, nooit stukken in de ik-vorm te schrijven. Nu, dan heeft ~Tijd en Taak” een halve eeuw lang gezondigd. De bekoring van een blad als het onze is juist de iets persoonlijker toon, die de schrijvers, aile jaren door, zich veroorloofd hebben, symbool ook, van wat wij bedoelen. Het gaat ons immers niet om meningen, maar om mensen. Om mensen, die in deze tijd staan. Die met deze tijd omgaan. Daarom waag ik het nu, zomaar voor mijn plezier, een persoonlijke belevenis te gaan beschrijven.

Nu ga ik ook nog in een ander opzicht zondigen. Prof. dr. L. Knappert, van wie wij méér geleerd hebben dan wij toen vermoedden, ontried ons in de preek na de vacantie over onze buitenlandse reis te spreken. De gemeenteleden, zei hij, hebben er niets aan, wanneer u ze verteit van de grilligheden van de grotten van Han. Dat dominees ooit verder konden gaan, lag buiten ons voorsteilingsvermogen. Ook tegen deze regel ga ik zondigen. Ik ga alieen maar iets opschrijven over wat door mij heenging op de korte vacantie, die wij, daartoe op verrassende wijze in staat gesteid, genoten in het oosteiijk deel van Zwitserland, in het Engadin, waar de sneeuw een meter hoog ligt en waar het, voigens de prospectussen, altijd zonnig is. Aanieiding tot deze reis was de grote behoefte er uit te zijn. Uit de spanning van het werk, uit de noodzaak van dag tot dag beslissingen te moeten nemen en vele uren op de dag met kwesties, vragen, rapporten, mensen, kinderen bezig te moeten zijn.

Eerste probleem: leven wij wel gezond, dat deze behoefte kan ontstaan? Er is iets mis met ons, dat wij niet meer rustig kunnen ademhalen. Wij staan bioot aan zoveel impressies, dat reeds de energie om ze ons van het iijf te houden, vermoeit. Wij gingen dan op reis. De kinderen in veilige handen, vertrouwend op hun goed gesternte. Een snelle trein denderde ons langs de Rijn. Grauw was de iucht, kléurloos waren de bergen; het was moeiiijk zich voor te stellen dat onze grootouders nog een Rijn-reis het toppunt van genieten vonden. In de avond kwamen wij in Bazel. In de avond reisden wij verder, Zwitserland door. Als het donker is, zijn aile ianden geiijk.

In Chur vonden wij nachtlogies. De Rijn kiaterde langs onze ramen. Van de volgende morgen af hebben wij 10 dagen in de sneeuw gelopen, de mensen met de ski’s zien manoeuvreren, erop voortschuivend of ze op de nek slepend. Het was Zondagmorgen, toen wij uit Chur vertrokken. Treinen, die niet op Zondag rijden, kent Zwitserland blijkbaar niet. De lucht was prikkelend door de vorst en de stralende zon. De winkels waren dicht, en daaraan kon men merken, dat het Zondag was. En aan de mensen, die er op uit trokken. Wij lieten ons neer in de buurt van St. Moritz. En hebben het dal, op 1800 m. hoog gelegen, in alle richtingen doorgelopen. De schoenen kraakten op de bevroren sneeuw. Neen, de fotokalenders liegen niet, als zij de iucht blauw en de sneeuw in vele tinten wit uitbeeiden. Als de zon ten minste

schijnt. Anders, bij bewolking, wordt de wereld grijs en wekt zij, windloos, star als zij is, weemoed. Het sneeuwen heeft niet dat enerverende, dat wij in Nederland kennen. Zij jaagt niet, zij doet de kinderen niet onrustig worden. Neen, zij daalt statig neer en niemand trekt zich er veel van aan. De skiërs en de bobsleeërs en de arresleerijders gaan gewoon door. Wij hebben zon gehad, maar ook sneeuw en bewolking. Strenge vorst en temperatuur tegen het vriespunt aan. Maar nooit wind. De wind, die wij soms vervloeken, hebben wij daar tóch een beetje gemist. Te midden van vreemdelingen waren wij. Wat zijn dat toch voor mensen, die de hotels, de ijsbanen, de ski-liften bevolken. Ze spraken Italiaans, Duits, Engels. Wie zijn dat toch, die honderden, die naar de mode gekleed, zich onbezorgd voortbewegen? Die de betaalde gastvrijheid genieten? De pijnlijk-nauwkeurig berekenende gastvrijheid, die allang gedenatureerd is tot een broodwinning. Een Zwitsers predikant verteide ons, dat hij ernstig door zijn gemeenteleden onder handen genomen was, omdat hij zijn overtollige pastoriekamers niet voor een behooriijke prijs verhuurde. Men verweet hem a-sociaai gedrag. Want hij had zo maar logé’s.

Het maakte mij wat onrustig, al die vreemdelingen. Ik heb mij er geen ogenblik kunnen identificeren. Hun genieten was weliicht té vanzelfsprekend, zij waren de savoureurs der natuur en zij etaleerden te zeer hun welbehagen in hun vrijheid om te genieten van alles wat geboden werd. Wil men dit lijfelijk ondergaan, dan moet men door St. Moritz lopen. Alleen de entourage is anders, maar verder: Scheveningen in Augustus. Maar dan zonder de Hagenaars.

Vreemdelingen nog meer: wie zijn die mensen, die aan bobsieewedstrijden meedoen? Hun figuren zijn die.van de motorrijders. Breed, veroverend. Zij hebben heus geen sieetje, zoals onze jongens wanneer zij van een duintop afglijden. Het zijn machines, bemand door vier personen, gehuld in leer en staal. Met valhelmen, been-, hand-, en elleboogbeschermers. De baan, een goede honderd meter-vervallend, is bijna 2 km lang. Zij denderen naar beneden met een vaart, die de 80 km per uur zeker haalt. Geen wedstrijd, of een ziekenauto moet worden aangerukt. Vreemdelingen voor ons zijn niet de skiërs, ofschoon ook daarin een stuk bravour en techniek is komen te liggen. Als Nederlanders verstaan wij dat skiën. De kinderen die nauwelijks kunnen praten, oefenen zich op heuveltjes, de ouderen suizen van hoge hoogten naar beneden, eike spier van hun iichaam beheersend, genietend van de vrijheid hunner kracht. De ski-lift moge iets onnatuurlijks zijn, dat wij schaatsers niet kenneh, de mogelijkheden worden ook wel zéér vergroot. Intussen hoorden wij de stem door de radio: per jaar worden in Zwitserland 12.000 ongelukken bij het skiën geregistreerd. Zij : moeten, aldus de spreker, worden toege; schreven aan het forceren van de snelheid. . Zo is het nu eenmaal: velen beheersen wel j hun lichaam, maar niet zich zelf. i Denk niet, dat wij niets anders deden ; dan sportcultuur-sociologische beschouwin-

gen houden. Integendeel. Dit alles blijft terzijde, wanneer men loopt of in de zon zit te genieten van de heldere genezende warmte.

En wanneer men niet moe wordt, omdat er geen lawaai is en geen stof. Omdat er geen kranten doordringen uit Holland. Omdat men alleen maar de lust van het nietsdoen mag uitputten, dat actieve nietsdoen, waarvan wij het geheim verleren. En omdat wij het verleren worden wij vreemdelingen voor elkaar.

Toen de trein, 11 dagen later, uit de nacht het vroege Nederland binnenstoomde wij hadden de nacht doorgebracht met Griekse zeelui, die minder vreemdeling voor ons waren dan de „sportmensen” van St. Moritz stormde het en de regen striemde neer. De eerste kranten werden weer gretig gelezen. Ach, dachten wij, hebben wij, de gebeurlijkheden nagaand, wel beter weer verdiend dan storm en regen?

L. H. R.

De autobiografie van Sam de Wolff

De autobiographie van Sam de Wolff heb ik gelezen in het vliegtuig, dat mij van Amsterdam naar Johannesburg bracht. Dat heeft natuurlijk zijn bezwaren. Er is in zo’n vliegtuig nogal wat geroezemoes. Het heeft echter ook zijn voordelen. Viruly heeft er vele malen op gewezen, dat vliegen de geest verruimt. De wereld wordt één geheel en men ziet alles in groot verband. Ik kreeg, al lezende in mijn vliegtuig, het gevoel, dat ook Sam de Wolff was opgestegen, om vanuit de hoogte zijn leven te overzien. Een terugblik op mijn leven noemt hij zijn autobiographie. Zij is veel meer dan dat. Hij geeft een stuk cultuurgeschiedenis en het belangrijke daarbij is, dat hij afstand weet te nemen. In vele autobiographieën wordt wat klein is groot en wat groot is klein. Sam de Wolff is voor deze irriterende eenzijdigheid bewaard gebleven. Ik ben haast geneigd te zeggen, dat hij zijn eigen leven niet zo belangrijk vindt. Belangrijk is voor hem de geschiedenis, waarin hij niet een toeschouwer maar een deelnemer is geweest. De titel van het boek zegt in dit opzicht alles: Voor het land van belofte. Sam de Wolff weet wat geschiedenis is. Is hij niet een Jood? En is hij niet een marxist? Hij vergeve het mij, wanneer ik zeg, dat er voor mijn besef in deze tweeëenheid. Jood en marxist, een tegenstrijdigheid ligt opgesloten. Ik ben nu eenmaal een christen en zonder het Oude Testament hangt het christendom in de lucht. Zeker is in elk geval, dat de Joodse profeten wisten wat geschiedenis is en dat Marx het op zijn wijze ook wist. Het begrip geschiedenis neemt zowel in het Oude Testament als in het werk van Marx een centrale plaats in. De titel van het boek karakteriseert dan ook niet alleen het boek, maar ook de schrijver.

Tijd en Taak is een weekblad voor Evangelie en Socialisme. Het is dus zeer bepaald geen marxistisch weekblad. Men behoeft er zich dan ook niet over te verwonderen, dat men in de autobiographie van Sam de Wolff heel wat gedachten zal vinden, die de lezers van Tijd en Taak vreemd zijn. Sam de Wolff is geen christen. Zijn boek is dus ook geen christelijk boek en tegen bepaalde gedeelten heb ik dan ook ernstige