is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 6, 12-02-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stroom en tegenstroom

Geen eenvoudige taak, te onderzoeken wat die vele tienduizenden bewoog en beweegt aan de Partij van de Arbeid hun vertrouwen te geven. Het is een groots gebouw, met vele kamers. Van de torenspits waait een trotse vlag... De partij heeft de wind mee!

Juist. En dat is het nu, wat het antwoord geven op de gestelde vraag moeilijk maakt. Want: men was het oude vastgelopen partij leven moe. Na de bevrijding zocht men naar vrijere lucht, schonere kansen, nieuwe contacten, hoopvoller plannen. En waar die anders te vinden dan in de P.v.d.A.? Met mensen als Drees en Vorrink, Lieftinck en v. d. Leeuw, Schermerhorn niet te vergeten? Namen, die een program betekenden? En voor ’t eerst kerkgetrouwe rooms-katholieken er bij? Het wonder ging zich voltrekken. De partij had de wind mee...

De stemmen aan de communisten toegevallen waren moeilijk terug te winnen. Maar deze hielpen zélf een beetje mee. Internationaal en nationaal deden ze een beetje te gek voor de doorsnee Nederlander. Dus de stemmen kwamen terug naar de P.v.d.A. Ze had de wind mee. De jonge Hervormde de revolutie van de Hervormde Jeugdige Kiezer noemde Ruitenberg het eens op een kadervergadering wilde vast niet meer A.R. stemmen, en ook de C.H.U. was hem te ouwelijk. Dus: zelfs waar géén P.v.d.A. een afdeling had, kwamen toch de stemmen. We hadden de wind mee.

En dan de zegen van het Mandement. Nog nimmer maakte ik het mee dat in de zomermaanden het ledental toenam. Zomaar van zélf. Zonder dat we er veel voor deden. Want tegenover die emotioneel verwerkte bedreiging sloot men de gelederen.

Nacht over de stad Raymond Breinin (modern Amerikaans schilder)

Ze meldden zich, die aan de rand van de partij leefden, en telkens weer brengt het Mandement, in plaats van te nemen. Deze nog niet geanalyseerde groep partijleden dreef men op een hoop door de aanslag op onze democratie, de aantijgingen tegen als zuiver gevoelde beginselen. Weer had de partij de wind mee. Zo staat het in de verslagen van vele afdelingen. De wind mee!

Wie, zoals schrijver, de verticale doorsnede van de partij beleeft, kan met al dat schoons toch wel eens een beetje opgeschept zitten. Het gevoel hebben: is deze toestand niet té marginaal. Als we ’t zo in de schoot geworpen krijgen, kan ’t ons dan ook niet al te gauw weer ontnomen worden? Afhangen van volksgunst in plaats van volksovertuiging.

Er was eens een kwestie rond Indonesië. Niet vergeten ergens in de schuilhoeken van veler gemoed. Al zijn de toen scheidenden veelal weer op de contributiestaat teruggekeerd. En dan de Duitse herbewapening. Waar de Nederlandse socialisten het naar buiten toe overtuigd zekerder weten dan de Duitse en vele Franse socialisten. Ik denk aan de buitengewoon belangrijke rede die dr. C. L. Patijn hield op 21 Januari in Utrecht over: „De situatie tussen Oost en West.” Het was weldadig deze bekende protestant in zijn taal van de zorg en onzekerheid te horen vertellen als hij de consequenties van de „koude oorlog” en „koude vrede” overwoog. Hier volgen enkele citaten:

„De eerste vergissing waartegen wij in het Westen moeten waken, is, dat wij onze normen van goed politiek gedrag en goede rechtspleging zouden verlagen in de strijd tegen het communisme. Wie uit vrees voor

een totalitaire macht naar totalitaire middelen grijpt, heeft de strijd reeds half verloren ”

„Ik denk aan het gevaar om alleen in militaire termen te denken ”

„Het bederf treedt op in ons eigen beleid, en ik heb wel eens het gevoel, dat men in Moskou meer rekent op de fouten van de democraten in het Westen dan op het werk en de kracht van de communistische partijen in die landen.” En hij sprak daarna van zijn geloof in de Westerse eenheid en de waarde daarvan ook op andere gebieden dan alleen de militaire. Ook van zijn geloof in het Russische volk.

„Wat wij echter wél weten.... is, dat het regime geen kans heeft gezien het volk te bederven.... Een regime, dat zo in strijd is met de natuur van de mens in het algemeen, kan niet op deze wijze voortgaan voor zeer lange tijd.”

Rondom mij zaten een aantal partijgenoten, die wachtten op een verlossend woord, dat de herbewapening verwierp, want oorlog en oorlogsvoorbereiding zij n totalitair.... Dat ook deze man, zo ernstig vanuit zijn geloofsovertuiging sprekende, dat woord niet had (wie heeft ’t wél) bleek een diepe teleurstelling. Want niettegenstaande men zich voorpraat ’t met de socialistische bewapening eens te zijn, tóch is er een innerlijk, een durend protest dat strijdbaarheid dempt.

Er zijn nog vele andere emotioneel onverteerbare brokken, die ’t meest onlogisch, maar tevens het sterkst afwerend op deze wijze geformuleerd werden:

„Ik ben alleen lid van de Partij v. d. Arbeid bij gebrek aan beter. De partij voedt, naar mijn mening, de mensen op tot „Angst, begerigheid, egoïsme en ongeloof”. Angst voor het communisme. Begerigheid naar loonsverhoging. Egoïsme dat niet denkt aan de onontwikkelde gebieden. Ongeloof in het goede in de mens.” Zo schreef mij een jongere, voorkomende op onze contributiestaat. Ontevreden met ’s werelds loop. Daarom lid van de partij. Maar geenszins tevreden, lijkt mij.

Waar de gelegenheid geboden wordt tot een gesprek waar afdelingsvergaderingen meestal te weinig tijd voor laten daar breekt soms een innerlijke verstoordheid door. Een onbevredigdheid die zich niet in felle tegenstand kan presenteren, omdat de problemen te onvolledig verwerkt zijn, en die daarom het karakter van wrevel aanneemt.

In de kleine groepen, die men herontdekt heeft, blijkt ’t hoe men toch eigenlijk nog lang geen eenheid werd. Trouwens, wie schiep de voorwaarden daartoe? Het Partijprogram staat ergens netjes af gedrukt, maar meestal zijn ’t de dingen van de dag, die de aandacht verteren en vermoeien. Terwijl de fundamentele beginselen weinig aan bod komen.

Het begrijpen van de doorbraak, het staatkundig en economisch streven van het socialisme: het alles leidt tot spiraaldiscussies en het spuien van eigen-wijsheid zonder vermogen tot luisteren. Omdat nu, eindelijk, eens gelegenheid wordt geboden om het lang onverwerkt meegedragene op tafel te werpen.

Zodat ik de tot nu onuitgesproken verzuchting (nu) uitschrijf: we hebben een scholing nodig op zulk een elementair plan dat we ’t program in de vorm van een „catechismus”, in kleine hoofdstukjes, moeten gaan behandelen. En ook: dat ’t meer dan dwaas is, dat de grootste politieke beweging géén ledenorgaan heeft, maar ’t over laat aan het persoonlijke believen om zich te abonneren op wélk Par-

(Vervolg op pag. 6)