is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 7, 19-02-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Politiek protestants eenheidsfront

We hebben het op deze plaats al eens meer gehad over het streven van bepaalde protestantse zijde om te komen tot één protestants-christelijke politieke partij in Nederland, die de overkoepelende organisatie zal moeten zijn, waarin antirevolutionairen, christelijk-historischen en staatkundig-gereformeerden uit protestantse kring zich kunnen thuisvoelen. Zoals bekend vindt dit streven uiting in de werkzaamheid van een groepje christenen, dat zich geschaard heeft rond de Christelijke Volkspartij, de CVP. Deze zoveelste protestantse politieke groepering in Nederland richt zich tot allen die het protestantse karakter van ons volk willen conserveren. Of, zoals de heer E. D. C. Drenthem Soesman het uitdrukt in een artikeltje in de „Nieuwe Haagsche Courant” van Zaterdag 8 Januari 1955, om derwille van ons geliefde vaderland, dat protestants is en protestants moet blijven.

Nu ben ik altijd geneigd, wanneer de bewering ter tafel komt, dat ons land protestants is en dus protestants moet blijven, een vraagteken te zetten. Omdat men zich m.i. namelijk vergist als men zegt: Een land dat niet rooms is, is protestants. Zo lang Rome in ons land nu maar onder de 50 % blijft, is er geen vuiltje aan de lucht en zijn we een protestants volk. Met behulp van statistieken wordt het karakter van ons volk niet aangetoond. Ons volk is een christelijk volk, zegt men, met de C.8.5.-cijfers in de hand. Ik weet dat nog zo net niet, ondanks die percentages.

Om echter terug te keren tot de opmerkingen die de schrijver verder maakt, zijn artikeltje dat een aanprijzing is voor een christelijke politieke eenheidspartij en een heenwijzing naar „zijn” CVP inhoudt, geeft aanleiding te over tot het aangaan van een discussie over het bestaansrecht en de bestaansmogelijkheden van zo’n (een) Christelijke Volks Partij. De heer Drenthem Soesman schrijft onder meer: „Het zij nogmaals gezegd, dat de Christelijke Volks Partij uit praktisch politieke overwegingen zoekt naar wat ons bindt en dat zij onder géén beding wenst af te dalen naar het niveau waar de kibbelarij over de verschillen begint, overtuigd zijnde, dat wat deze verschillen ook moge zijn, zij mits met verdraagzaamheid bezien passen onder het politieke dak der CVP.

Liever dan achterom te zien naar wat ons scheidde, zien -wij vooruit naar wat ons in Christus en de Bijbel bindt en wat bezig is in ons volk te groeien in het licht van onze tijd. Deze eenheidsgedachte wint iedere dag veld. En dat bewijst, dat ons volk begrijpt dat in onze eenheid onze kracht ligt. Ons volk heeft de bittere ervaring geleerd waartoe onze verdeeldheid het protestantse volksdeel heeft geleid in het bijzonder t.o.v. Rome en de PvdA. Nooit ware deze „erbarmelijke coalitie” mogelijk geweest, indien het protestantse volksdeel na de oorlog eensgezind was geweest. Deze schuld is te wijten aan de vergaande bekrompenheid van menig protestant en aan het grote gebrek aan visie bij onze politieke leiders die niet hebben willen inzien dat wij moeten samenwerken onder een protestants program van grote allure. Eenmaal zullen ARP en CHU toch te samen komen, wat nog helemaal niet zeggen wil, dat die

te vormen eenheid CVP zal heten... Dat het werk van de Christelijke Volkspartij nu reeds een zegen voor ons protestantse volksdeel is, is een uitgemaakte zaak. Dat blijkt niet alleen uit de aanwas onzer partij, maar ook uit de onrust, welke ontstaan is in de gelederen van de ARP en de CHU. Die onrust is gezond en een teken dat beide partijen evolueren en nu méér dan ooit ,te voren, onder de druk der omstandigheden, openstaan voor de eenheidsgedachte welke in ons volk groeit.” Naar aanleiding van het bovenstaande zouden wij de schrijver graag eens een aantal vragen willen stellen. De redactie van „Tijd en Taak” zal wel bereid gevonden worden, hem t.z.t. gastvrijheid te verlenen, opdat hij in de kring van protestantse christenen, die gekozen hebben voor een naar hun mening gezondere concentratie van protestantse activiteiten, namelijk door toe te treden tot de partij die de grote tegenspeler is van de Katholieke Volkspartij, de Partij van de Arbeid, zijn visie kan uiteenzetten.

Allereerst spreekt de schrijver van „kibbelarij”. Kibbelarij over verschillen, die, dat blijkt wel uit zijn stukje, niet al te hoog door hem worden aangeslagen. Maar, en dat zal de heer Drenthem Soesman toch niet zijn ontgaan, deze verschillen vormen juist de bestaansgrond van de diverse protestantse politieke partijen in Nederland.

De diverse protestantse politieke partijen in ons land kunnen hun naast elkaar bestaan, slechts motiveren door te wijzen op wat hen gescheiden houdt. Deze principiële verschillen acht de schrijver dus niet de moeite van het „kibbelen” waard?

Vervolgens stelt hij dat ons volk geleerd heeft waartoe de verdeeldheid der protestanten leidt. Hij doelt dan op de „erbarmelijke coalitie” PvdA—KVP. Ons komt echter een andere coalitie voor de geest, veel erbarmelijker, en de schrijver zal ongetwijfeld begrijpen waarheen onze herinnering trekt. Het stoeien op dezelfde wortel het vooroorlogse samengaan tussen pro – testanten en katholieken, hoe denkt hij daarover?

Ten derde: wat verstaat de schrijver onder een protestants program van grote allure. Acht hij enige confessionele (protestantse) politieke organisatie in staat zo’n program te brengen? De praktijk van alledag toont aan hoe verdeeld in politicis de protestanten in ons land zijn. Welke sociale, economische en financiële gedragslijnen zou zo’n eenheidspartij kunnen volgen? Wat voor (geleide) economie, welke belasting-politiek, welke onderwijspolitiek? Welk standpunt zou men hebben aan te nemen ten aanzien van de Zondagsheiliging, hoe zal de pensioen-wetgeving eruit gaan zien naar CVP-model, enzovoorts, enzovoorts.

Ten vierde: Dat het werk van de (huidige) CVP tot grote zegen is geweest voor ons volk is voor ons helemaal geen uitgemaakte zaak. Zou de schrijver dat meteen eens willen toelichten? Zijn bewering, dat de aanwas van de CVP hiervan getuigt, zet geen zoden aan de dijk. Is succes naar zijn inzicht een gevolg van „zegen”. Tot slot: de onrust in de ARP en de CHU demonstreert opnieuw, dat de christenen, die de idee van de confessionele potitieke partij van zich afgezet hebben, omdat men ook al zit men samen in een kerkbank, nog niet dezelfde politieke denkbeelden behoeft te koesteren, het bij het rechte eind hebben. Die onrust is niet een gevolg van het optreden van een eenheidspartij è, la CVP, het is het resultaat van de pioniersarbeid, die christenen verrichten in een niet christelijke, politieke partij. DICK SCHEPS

Mededeling

De vooraanstaande Engelse geleerde prof. dr. Kathleen Lonsdale, P.R.S., die oniangs een wereldreis gemaakt heeft en lezingen heeft gehouden in India. Australië, Nieuw-Zeeland, Japan en Canada, zal begin Maart een bezoek aan Nederland brengen. Tijdens dit bezoek zal mevrouw Lonsdale in verschiliende universiteitssteden voor studenten in de wis- en natuurkunde en in Den Haag ook voor een breder publiek, spreken.

Daarnaast zal zij op 5 Maart des avonds om 8 uur te Amsterdam in de grote aula van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (Mauritskade 63, tram 9, 10 en 11) in een openbare bijeenkomst het woord voeren over het onderwerp: „Science, Religion and Politics.” Alle belangstellenden zijn welkom op deze bijeenkomst, die onder auspiciën staat van het Genootschap der Vrienden (Quakers), „Kerk en Vrede”, de Algemene Nederlandse Vredesactie, (de ANVA), de Doopsgezinde Vredesgroep, de Mennonite Central Committee, de Vredesbeweging „De Derde Weg” en de Bibliotheek- en Documentatiedienst (de BEDA). Het gesprokene zal worden vertaald. Dr. Lonsdale is in wetenschappelijke kringen bekend door haar werk als hoogleraar in de scheikunde en hoofd van de afdeling kristaliografie van de Universiteit van Londen, en door haar boeken en andere publicaties op dit gebied. Haar andere activiteiten hebben ook buiten wetenschappelijke vakkringen de aandacht getrokken. In 1943 bracht zij, als gevolg van haar afwijzing van zelfs plaatsvervangende militaire dienst, een maand door in de Holloway-gevangenis. In 1951 maakte zij deel uit van een groep Engeise Quakers, die Rusland bezochten; onder haar redactie kwam het rapport Quakers visit Russia tot stand. De laatste jaren heeft professor Lonsdale met zorg haar aandacht gericht op de morele aspecten van de huidige wetenschappelijke ontwikkeling. Zij heeft haar verontrusting tot uitdrukking gebracht in publicaties

als; „Atomic Energy and Moral Issues” (in het verzamelwerk Atomic Energy: A survey, onder redactie van J. Rotblat), de Swarthmore Lecture voor 1953; „Removing the causes of War”, en in een, enkele maanden geleden voor de BBC gehouden lezing: „Christian Pacifism and the Hydrogen Bomb”, vertaald door onze medewerker E. M. Buter Tijd en Taak van 15 en 22 Januari.

De volgende aanhaling uit „Atomic Energy and Moral Issues” typeert haar opvatting over de verantwoordelijkheid van de wetenschapsbeoefenaar ten opzichte van de huidige, politieke problemen: „Wanneer ons beroep het vereist en het moeilijk is een andersoortige betrekking te vinden, wanneer het spook van „defensie-doeleinden” het voorschrijft en de openbare mening de noodzaak ervan schijnt te hebben geaccepteerd, is het zo eenvoudig een houding van onderwerping te zien als een uiting van democratische zin; toe te staan, dat openbare discussie onderdrukt wordt door geheimhouding; volgzame efficiency verstandelijk te verheffen tot de hoogste wetenschappelijke deugd en dan op te houden met denken over persoonlijke, morele verantwoordelijkheid in sociale, economische en politieke kwesties. Maar zo een houding opent de poorten der macht voor fascistische en andere totalitaire dictatoren. Niet alleen beoefenaren van de natuurwetenschappen, maar alle burgers moeten op hun hoede zijn voor dat gevaar... Democratie betekent niet regering van de meerderheid... Democratie is regeren door middel van discussie... U en ik nemen als burgers aan die discussie deel; het is onze plicht dat te doen en onze opvattingen naar voren te brerigen. Het is eveneens onze plicht alle consequenties van ons eigen werk en van onze nationaie politiek te overwegen en tot een persoonlijke beslissing te komen aangaande de morele aspecten ervan. Dan moeten we op grond van die beslissing handelen, zo nodig ook alleen.”