is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 8, 26-02-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Sociaal-Democratisch Centrum

Toen de 14de Juli van verleden jaar welk een symbolische datum! De Telegraaf niet zonder enige sensatie melding maakte van de oprichting van een oppositiegroep binnen de PvdA, zag deze groep van zeven partijleden zich genoodzaakt eerder voor het voetlicht te treden dan haar bedoeling was geweest. In een nog dezelfde dag verschenen verklaring zetten de initiatiefnemers hun bedoelingen uiteen, waarin zij met nadruk meedeelden beslist niet de vorming van een oppositiegroep binnen de Partij te beogen. Om die reden ook hebben zij, toen het partijbestuur hen tot een bespreking had uitgenodigd, uitdrukkelijk de status van een werkgemeenschap aangevraagd, waardoor zij organisch in het partij leven zouden worden ingeschakeld. Men weet dat het partijbestuur hun deze status niet heeft gegeven. Zo constitueerden zij zich op 12 Februari 11., te zamen met een aantal geestverwanten, niet als een werkgemeenschap, maar als een werkgroep.

Deze Sociaal-Democratische Werkgroep, zoals zij zich althans voorlopig noemt, heeft natuurlijk ”n voorgeschiedenis, die o.a. aansluit bij het Sociaal-Democratisch Centrum, dat een aantal partijgenoten na de oorlog hadden opgericht. Dit centrum is weinig in de openbaarheid getreden en verloor zijn grondslag, toen na de eerste zgn. politiële actie een aantal leden die er deel van uitmaakten, de Partij verlieten. Inmiddels zijn, vooral na de laatste Kamerverkiezingen, velen van hen teruggekeerd, terwijl vele anderen zouden willen terugkeren zodra zij wisten, binnen de PvdA een geestelijk onderdak te kunnen vinden. Dat geestelijk onderdak wil het SDC hun geven, aan deze ontgoochelden en tegelijk ook aan die nog partijgenoot zijn gebleven, maar meer en meer het gevoel krij gen van een zekere vervreemding, aangezien de daden van de PvdA zo dikwijls in flagrante tegenstelling zijn met hetgeen zij als consequentie beschouwen van een democratisch-socialistische politiek.

De houding van het partijbestuur en de Kamerleden tijdens de beide politiële acties is daarvan het meest krasse voorbeeld, maar niet het enige. Een ander voorbeeld is het standpunt der Partij t.o.v. de Duitse herbewapening en de Parijse accoorden. Een derde haar standpunt tegenover het militaire vraagstuk in ’t algemeen. Met grote zorg zien velen aan hoe een regering, waarvoor de PvdA mee verantwoordelijk is, steeds verder de weg van het staatskapitalisme inslaat. Met niet minder zorg ervaren zij dat het politiek verbond met de anti-socialistische KVP de partij telkens weer tot transacties drijft, waarbij beginselen die tot dusver als democratisch-socialistisch golden op bedenkelijke wijze in het gedrang komen. De houding van de Kamerleden der PvdA tijdens de behandeling van het ontwerp-lijkverbranding is er een maar al te duidelijk bewijs van.

De socialistische pers heeft de werkgroep over ’t algemeen niet vriendelijk binnengehaald. Er hebben aan haar wieg meer boze dan goede feeën gestaan. „Geen winst,” schrijft Het Vrije Volk boven zijn redactio-

nele beschouwing, en Het Parool kiest daarvoor als opschrift,.Weinig wol”, terwijl Vrij Nederland van „Herlevend misverstand” spreekt. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over, zoals trouwens ook het partijbestuur duidelijk te kennen heeft gegeven, dat het op deze groep geen prijs stelt, ook al verzekert deze dat haar geen ander doel voor ogen staat dan de bloei der Partij,

Het Parool, van ouds tegenstander van de Derde-Weggedachte en -beweging, doet in zijn aanval op de werkgroep opnieuw een poging om dit standpunt te bestrijden. Dat is zijn goed recht, maar de vraag is, of dit aan de orde is. De SDW verwondert er zich niet over, dat men haar beginselverklaring die straks door een program zal worden vervangen bestrijdt. Maar wel is zij verwonderd en verontrust over het feit, dat men haar bestaansrecht in twijfel trekt. In de PvdA heerst een grote mate van vrijheid, schrijft Het Vrije Volk, en indien partijgenoten eigen opvattingen willen propageren, is er niets dat hun dit belet. Deze zelfde houding ontmoetten de initiatiefnemers bij het partijbestuur. Onwillekeurig denkt men aan de naïeve vraag van de bourgeois-satisfait Heets in 1867: „Wat Avil men toch in Nederland?” „Wat wil men toch in de Partij?” schijnen partijbestuur en partijpers te vragen, in onze partij, de grootste van het land, is immers voor iedereen plaats? Dit lijkt mij het bedenkelijkste symptoom van de verblinding der partij organen, die de erfenis der SDAP te beheren kregen, dat zij niet inzien hoezeer een groepering, die men desgewenst een oppositiegroep zou mogen noemen, kan bijdragen tot een gezonder politiek leven dan onze Partij thans te zien geeft. In Engeland heeft men in dit opzicht heel wat meer realiteitszin.

Er is hier en daar gefluisterd dat de SDW tegen de doorbraak zou zijn. Dat is zeker niet juist; zelfs in de kleine groep der initiatiefnemers zaten al twee doorgebrokenen. Wel juist is dat o.i. aan bepaalde „doorbraak-mensen” wel eens meer is toegegeven dan met de beginselen van de PvdA in overeenstemming kan worden geacht. De protestants-christelijken en de rooms-katholieken, die tot de Partij zijn toegetreden, verlangen dat deze hun godsdienstige overtuiging zal eerbiedigen en geen besluiten zal nemen, die daarmee in strijd zijn. Het partijprogram geldt overigens voor alle leden van de Partij in gelijke mate, hoe hun geestelijke constellatie ook mag zijn, in volle omvang en kracht. Elke lezer van Tijd en Taak zal in zijn omgeving wel overtuigde, gelovige protestanten kennen, die ofschoon ze socialist zijn, zich toch niet thuis gevoelen in de PvdA niet om godsdienstige, maar om politieke redenen.

De eigenlijke drijfveer tot de oprichting van de SDW is verontrusting geweest: verontrusting over het eenvormige beeld dat het beleid der functionarissen, vooral in de hogere partij organen, te zien geeft, op een enkele, al te schaarse uitzondering na. Zo’n uitzondering was onlangs het standpunt van Hein Vos t.o.v. Nieuw-Guinea. We vragen ons af of deze eenstemmigheid beantwoordt aan de opvattingen die binnen de

partij leven. Is de PvdA werkelijk over de hele linie vóór de herbewapening van West-Duitsland en vóór de Parijse accoorden? Gaat zij werkelijk unaniem accoord met de steeds toenemende vermilitarisering van ons volksleven? Is er werkelijk voor aanhangers van „De Derde Weg” en voor principiële anti-militaristen geen plaats in deze partij? Noch voor diegenen die. Banning en Vrij Nederland ten spijt, van mening zijn dat de klassenstrijd geen mythe is, maar nog altijd een bittere werkelijkheid? In de PvdA heerst een grote mate van vrijheid, antwoordt Het Vrije Volk op onze verontruste vraag, en iedereen kan er zijn eigen opvattingen op nahouden. Accoord, maar wanneer een ook numeriek waarschijnlijk niet onbelangrijke groep binnen de partij deze en soortgelijke afwijkende meningen aanhangt, dan zouden we zo graag zien dat althans één Kamerlid eens een niet-conformistisch standpunt innam bij de beraadslagingen in onze volksvertegenwoordiging, dat althans één van hen eens tégen de oorlogsbegroting zou stemmen, uit verontrustheid over de vermilitarisering van een partij, die dertig jaar geleden nog de leuze „geen man en geen cent” propageerde. Pas dan zouden we weer het gevoel hebben, dat in deze partij ook voor ons een plaatsje, hoe klein dan ook, zou zijn waar we ons thuis konden voelen.

Dit gevoel en deze plaats wil de SDW geven aan die partijleden, die telkens opnieuw verontrust zijn, aan die vroegere leden van de SDAP, die het niet kunnen opbrengen om tot de PvdA toe te treden, aan diegenen die onze rijen hebben verlaten of die nog aarzelen om zich bij ons aan te sluiten, omdat zij niet meer of nog niet overtuigd zijn van de waarachtigheid van het socialisme der PvdA. Daartoe hebben zich in deze SDW heterogene elementen verenigd: marxisten, principiële anti-militaristen en aanhangers van „De Derde Weg”. Het heeft hun weinig moeite gekost, een gezamenlijke beginselverklaring op te stellen. Wat deze drie groepen gemeen hebben is hun „linkse” instelling t.o.v. de heersende richting in de Partij. Mij dunkt dat de discussie zich eerst en vooral moet bezighouden met de vraag of deze linkse oriëntering al of niet gewenst, al of niet een aanwinst betekent voor de Partij en daardoor dan ook voor de ontwikkeling van het democratische socialisme in Nederland.

De Partij heeft duidelijk blijk gegeven, niet de behoefte te gevoelen aan een Bevan-groep, noch aan een groepering die zich homogeen verklaart met het standpunt der SPD t.o.v. Duitslands herbewapening. De grote partijpers heeft zich al in dezelfde zin uitgesproken. De SDW zal haar bestaansrecht dus moeten bewijzen, en erop voorbereid mpeten zijn dat zij van partijbestuur en pers eerder tegen- dan medewerking zal hebben te verwachten. Te weten waaraan men toe is, betekent altijd een voordeel. Wij zijn er ons van bewust, in een moeilijke positie te verkeren, aangezien de Partij die ons als een stiefkind behandelt de enige is, waar binnen we aan het Nederlandse partij leven kunnen deelnemen. Zo lang we niet denken aan de oprichting van een nieuwe partij en de gedachte aan scheurmakerij ligt ons ver is er geen andere mogelijkheid voor ons, dan ondanks deze weinig hartelijke ontvangst toch binnen de Partij te strijden voor erkenning van onze stelling, dat onze beginselen geen andere zijn dan die van het partijprogram. Want nog altijd zien wij de PvdA als de enige organisatie die in Nederland de invoering van het democratische socialisme zal kunnen voorbereiden.

P. J. MEERTENS