is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 9, 05-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ Aan / den Heet I behoort de aarde I en haar \ volheid. Psalm 24:1 /

cn PfiiM

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR – 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 5 Maart 1955 No. 9 Redactie:

ds. J. J. Buskesjr.

ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoff Redactie-Secr.:

Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid

Telefoon 724386 p/a dr. J. G. Bomhoff Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning

J. Hulsebosch H. van Veen dr. M. V. d. Voet

ds. H. J. de Wijs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

itperjaarfS,— ; halfjaar 2,75; kwartaal f I,soplus f 0,15 incasso. Losse nrsfO,ls; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Mm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

„Godsdienstige” oorzaken van ongodsdienstigheid

Wij zijn gewoon, bij de bestudering van verschijnselen van onkerkelijkheid en ongodsdienstigheid, waarbij wij dan het oog hebben op bepaalde sociale groepen intellectuelen, arbeiders, boeren, jeugd, om vooral te zoeken naar sociale en algemeenculturele oorzaken. Wij hebben deze methode in Tijd en Taak herhaalde malen toegepast, n.m.m. terecht, en ik acht mij hier ontslagen van de plicht er de goede zin nogmaals van aan te tonen. Men kan óók nadruk leggen op „de schuld der kerken” aan het verschijnsel der ongodsdienstigheid: in arbeiderskringen van vroeger de slechte toepassing der diaconieën, bijv. ook dat had en heeft nog zin. Dr. Staverman, de onkerkelijkheid in Friesland besprekend, heeft een deel van schuld toegeschreven aan de rechtzinnigheid, die de volkskerk verliet, haar betekenis verzwakte en zo aan een ontbindingsproces meewerkte en de buitenkerkelijkheid bevorderde. Het gezichtspunt lijkt mij de moeite waard, en bracht mij tot het overwegen van de vraag, of niet verkeerd verstane godsdienstigheid ook in andere opzichten oorzaak van ongodsdienstigheid werd.

Ik denk daarbij aan een tegenstelling, die centraal is gesteld in de filosofie van Gabriel Marcel: die tussen „hebben” en „zijn”. Een mens kan allerlei „dingen hebben”: geld, huizen, boeken, kennis, macht over anderen, invloed in het op'enbare leven, enz. Natuurlijk staan deze dingen niet los van de mens-zelf, hebben zij grote invloed op zijn houding: zie naar de rijkaard die slaaf wordt van z’n geld, naar de bons, die z’n macht laat voelen en zich daarin gelukkig waant enz. Maar het zijn juist deze verschijnselen, die er de ogen voor hebben geopend, dat een mens verknoeid kah worden door wat hij „heeft”, soms nog erger dan door wat hij niet heeft zo heeft menigeen leren ontdekken, dat wat een mens is, scherp moet worden onderscheiden van wat hij heeft.

Een radicale fout nu, die herhaaldelijk

J4- , j wordt gemaakt, (en de godsdienstigen, spekerkelijken, bezondigen zich in dit opzicht) is deze: dat men het geloof hanteert als een ding dat men heeft, terwijl het in diepste zin behoort tot wat een mens is. Geloof is immers voor tallozen: een wereldbeschouwing, die men heeft – om er de gang van de geschiedenis mee te verklaren; of een maatstok, waarmee men meet om te bepalen of anderen wel zuiver genoeg zhn in de leer; aO Immers tiet menigeen de kerk: zij heeft” een leer een stil dogma’s, „ver Goi, over CMstus ov“ Maria enz. en van de zuiverheid der leer hangt de kracht van het geloof rechtstreeks af. Ik stel daartegenover: „geloof” behoort niet tot de dingen die men heeft, maar tot het leven, dat men is. Ik hoorde van Japanners, die in de oorlogsjaren door wat zij van het gedrag van christen-gevangenen zagen, door het „zijn” van deze christenen, tot innerlijke ommekeer zijn gekomen. Wij weten van tallozen in Europa, die opnieuw naar het Evangelie zijn gaan luisteren door wie Albert Schweitzer is, en als gevolg daarvan doet. In de oud-Romeinse wereld, waarin het jonge christendom zijn weg moest banen, heeft het vooral indruk gemaakt door de wijze, waarop de gelovigen met elkaar in gemeenschap leefden „zie, welk een liefde zij onder elkaar betoonden.” Nu wil ik nog graag een stapje verder gaan: het geheim van wat eenimensis, blijkt vooral uit zijn contacten met z’n medemensen. Zo immers overkomt het ons herhaaldelijk: je hebt veel van en over iemand gehoord, je vormt je een beeld van zo iemand door wat hij allemaal dóét, maar je ziét hem ineens in het contact met z’n kind of z’n vrouw binnenshuis. Het waarachtige leven, zei Martin Buber, is „ontmoeting”: het wezenlijke zijn van de éne mens raakt dat van de ander. Christelijk geloof is eveneens „ontmoeting”: het wezenlijke zijn van een mens en gewoonlijk is dat een zijn van verbijstering te midden van de ontstellende, soms heerlijke, soms verschrikkelijke machten van het leven wordt geraakt

door het zijn van Christus, het zijn van de goddelijke Liefde, die in de wereld is gekomen om ons niet ten onder te laten gaan. Daarom ontstond er, niet volgens plan of organisatieschema, maar uit kracht van de Vlam, van het Vuur dat Hij op de aarde in mensen heeft geworpen, de vreemde, verbazingwekkende, ook ergerniswekkende Broederschap. „Geloof” is niet een wereldverklaring, een filosofie, een dogmatisch stelsel, maar een geraakt zijn door het Vuur van de liefde van God. Men kan het natuurlijk ook met andere beelden zeggen: „geloof” is het vreemdeling zijn te midden van al wat te „hebben” valt, want het gehoord hebben van de Roep naar een leven van liefde, broederschap, vrede. Misschien verstaan wij langs deze weg iets van de zin van het woord van Jezus tot Nikodemus: „Voorwaar, voorwaar ik zeg u, tenzij een mens wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Nu kom ik terug op het hegln van dit artikel: verkeerd verstaan geloof, verkeerd verstane godsdienstigheid is zo dikwijls de oorzaak van ongodsdienstigheid. Men heeft ons, of: wij hebben anderen het christendom zo vaak aangepraat als iets wat we moesten „hebben” men heeft het ons niet, wij hebben het anderen niet voorgeleefd als ons waarachtig „zijn”, ons menszijn, ons door het Vuur ontstoken zijn. Het oude socialisme pakte de millioenen proletariërs in hun ellende, omdat het wél een „zijn” was. En het beklemmende van de huidige situatie is nog steeds, dat er millioenen mensen hunkeren naar een waarachtig menselijk zijn, dat broederschap en vrede insluit.

Wie eenmaal voor deze meest wezenlijke tegenstelling: geloof als „hebben” tegenover geloof als „zijn”, oog krijgt, ziet tevens iets anders, nl. dat de wezenlijke en voor God beslissende tegenstelling niet die is tussen kerkelijken en buitenkerkelijken ook niet die tussen godsdienstigen en ongodsdienstigen. Er zijn er onder kerkelijken en godsdienstigen te veel, voor wie christendom een zaak is van „hebben” er zijn er. Goddank, onder buitenkerkelijken en ongodsdienstigen, te over wier hart ontvlamd is door het Vuur, en die de Roep hebben gehoord, al weten zij hem niet te duiden. (Zie Matth. 25.) Men versta mij niet verkeerd, en trekke niet de conclusie dat de Kerk en de toehorigheid tot haar van geen betekenis zou zijn. De strijd die te onzent bijv in de Hervormde Kerk'aan de gang is, bewijst hoezeer ook daar een verstaan doorbreekt naar wat christen-sim in deze wereld van nu betekent. En de wezenlijke, godsdienstige zin van de „doorbraak” hangt rechtstreeks samen met de tegenstelling tussen godsdienst als te hebben grootheid en godsdienst als in liefde ontvlamd zijn... W. B.