is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 9, 05-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Leids congres

Van een verslag van het tweejaarlijks congres van de PvdA te Leiden, gehouden van 22 tot 25 Februari, achten wij ons ontslagen. Wij nemen aan, dat de lezers van ons blad geen kranten lezen, die dit congres achteloos voorbijgingen. Bovendien; de radio bracht het congres bij ons in de huiskamer.

Daarom volgen hier alleen maar een paar opmerkingen. Ten eerste: welk aandeel heeft dit congres aan de besluitvorming in de PvdA? Wij zijn rasdemocraten en er is, om de partijdemocratie goed te doen functionneren, een prachtig reglement. Daardoor kan ieder aan zijn trek komen.

Maar wannéér 1000 afge(vaardigden samenzijn, dan is er geen sprake meer van besluitvorming. Als de jaarverslagen aan de orde zijn en de rij van sprekers en spreeksters stelt zich op, 43 in getal ditmaal, dan kan er niet meer dan zes minuten af voor elk.

Als er redevoeringen gehouden worden en, aan het slot, resoluties worden voorgesteld, dan drommen opnieuw vele sprekers naar het gestoelte der welsprekendheid. Zij krijgen drie minuten elk.

Met voelt wel: dat is geen beraad. Dat is hoogstens een demonstratief gebaar.

Dit congres toonde opnieuw aan, dat de tijd van de knusse en ruzieënde SDB (de Hoogezand-motie op het Groninger congres in 1893, die het parlementarisme uit de oude socialistische beweging bande, werd met 47 tegen 40 stemmen aangenomen) vér achter ons ligt. Maar ook de tijd, dat P. J. Schmidt en J. W. Albarda op het SDAP-congres in Haarlem, 1932, fel tegenover elkaar stonden. Het schijnt mij toe, dat de democratie in de verenigingen van deze omvang zijn betekenis heeft vanwege de openbaarheid. Deze en niet het beraad vormt de democratische betekenis van zulke congressen.

Wij hebben daar geen bezwaar tegen. Wij constateren alleen.

Ten tweede: de eensgezindheid was haast huiveringwekkend. Eensgezind juichte men terecht Willems toe. Eensgezind juichte het congres de nieuwe voorzitter, Evert Vermeer, toe. Eensgezind was het congres, toen Drees bejubeld werd. Opvallend eensgezind was het congres bij de herkiezing van het partijbestuur. Alle resoluties, voorstellen, verslagen werden eensgezind aanvaard, af gevoerd, overgeheveld naar partijbestuur, fractie of partijraad.

Is dat alleen maar een teken van kracht? Zo oppervlakkig gezien: ja. Vijandige kranten hebben gif gepuurd uit het feit dat er bij de bespreking van het fractiebeleid critische tonen werden gehoord over beleidskwesties. Het is voor wie dit congres bijwoonde, onbegrijpelijk, dat men deze opmerkingen als controverse in de partij aanwees. Als men niets anders om spanningen in de partij aan te wijzen heeft, nu, dan kan men wel thuisblijven.

Toch ligt er in deze eensgezindheid iets onwezenlijks. Ds. Daalder van de afdeling Akkerwoude deed in zijn schamele zes minuten een poging om de oorzaak van het onbehagen over deze situatie aan te wijzen. Hij vroeg aandacht voor de vragen op

de achtergrond. Hij had gelijk. Een partij, én sociologisch én geestelijk, zo bont samengesteld, moet de vragen, die achter de oplossingen liggen aan de orde stellen. Niet om ze op te lossen. Wél om ze te zien en bewust te verdisconteren. Zo alleen functioneert een doorbraakpartij. Zo alleen wordt de Partij van de Arbeid geloofwaar- in haar eensgezindheid én in haar weleens-niet-eensgezind-zijn.

Ten derde: de betekenis van het besluit van de Katholieke Werkgemeenschap om practisch en bloc in de partij te blijven, is van vele zijden reeds aangegeven. Menselijk ontroerend, godsdienstig diep, politiek sterk was de verklaring van Joan Willems. Maar laten wij nu niet vergeten, dat het mandement tóch blijft functionneren, óók binnen de PvdA. Er zal, omdat men de r.k. leden -wil behouden, in feite straling van het gezag der r.k. clerus op de partij uitgaan. Vele kwesties dreigen

slechts fluisterend te worden aangesneden. Te denken valt bijv. aan de vragen over bevolkingspolitiek. Alle discussie over geboorteregeling (óók een politieke kwestie) prikkelt rooms-katholieken hevig. Wij zwijgen maar liever. Verder is door het mandement de eis van eigen r.k. maatschappelijke organisaties gesteld. Dat verlamt degenen in de PvdA, die willen vechten voor nationale oplossingen op het gebied van het maatschappelijk en cultureel werk. Wanneer verder gezinsproblemen aan de orde worden gesteld, dan drukt het r.k. gezichtspunt (dat dan gaarne christelijk wordt genoemd), op de besluitvorming.

Dit is alleen te overwinnen, wanneer binnen de jpartij een geestelijke discussie gevoerd kan worden. De r.k. leden willen dat zeker. Bij hén ligt de moeilijkheid niet. Deze ligt veeleer bij de anderen, die een ook voor de r.k. bevolkingsgroep in het algemeen beschikbare politiek willen voeren.

Deze opmerkingen doen niets af aan onze vreugde, dat Willems en de zijnen blijven. Wij zullen door de moeilijkheden, die het lidmaatschap van r.k. in de PvdA voor anderen (reformatorische christenen en humanisten beide) met zich meebrengt, héén moeten. Wie hier alleen maar politiek wijs wil zijn, kon wel eens de geestelijke vragen tot schade van allen onbeantwoord moeten laten. L. H. R.

Een poëtische film

Wanneer men „Het grote avontuur”, de eerste hoofdfilm van de beroemde Zweedse documentarist Arne Sucksdorff, bespreekt, ontkomt men eenvoudig niet aan een vergelijking met de documentaires van Walt Disney. In het werk van beide cineasten speelt de natuur de hoofdrol, waarvan de uitingen met eindeloos geduld worden bespied en vastgelegd. Maar reeds in de keuze van het stuk planten- en dierenleven dat onder de lens wordt genomen, blijkt het verschil tussen beiden: Disney kiest óf iets spectaculairs (het verborgen leven van de woestijn met zijn griezelige fauna) óf iets dat hem de gelegenheid geeft zijn figuren (robben, beren) op zijn bekende, briljante tekenfilm-manier te bespelen, terwijl Sucksdorff, veel bescheidener en onopzettelijker, het dicht bij huis zoekt: zijn film laat ons het leven zien op en vooral om een Zweedse boerderij in de bossen. Hij neemt een lange aanloop voor hij ons confronteert met de twee jongetjes, die nog dicht genoeg bij het verloren paradijs zijn om in de onbevangenheid van het planten- en dierenleven niet te detoneren. Wij volgen

de moeder-vos op haar hongertochten naar voedsel voor haar zes jongen, rooftochten uit nood, die haar duur te staan komen, want de mens vernietigt haar en vijf van haar kinderen met lood en lont. We zien de uiltjes, ondoorgrondelijk opkijkend naar gierende straaljagers, de lynx met zijn ronde kattenkop, vijand van alle dieren in het bos; de hartstochtelijk balderende korhanen, een tafereel van adembenemende oerdrift; en de kringen in het water, die door de glanzende, soepele visotters worden gemaakt. Het is door zo’n visotter, dat de beide jongetjes meer op de voorgrond komen. Zij redden er een uit handen van de mensen en behoeden het geheim van zijn bestaan angstvallig tegen de nieuwsgierigheid der volwassenen. Hij vormt voor hen de schakel met de natuur, met het paradijs, dat onherroepelijk verloren dreigt te gaan. Zelfs wanneer hij hen door zijn onverzadigbare vraatzucht voor bijna onoplosbare problemen stelt, blijven zij hem hardnekkig trouw. Het is het dier, dat hen in de steek laat, wanneer in de lente de drang naar vrijheid te machtig wordt. Het lijkt heel eventjes een tragedie te worden, maar de lucht is vol vogelgeluiden, de kraanvogels keren terug, de bloemen beginnen te bloeien ... wie kan dan bedroefd blijven?

Het is Sucksdorff gelukt ons in dit dieren- en kinderleven volledig te betrekken. Hij heeft daarvoor geen spectaculaire vondsten, geen onweerstaanbaar esprit, geen gewaagde experimenten nodig: door zijn eerlijkheid, zijn onbevangenheid, zijn vakmanschap en zijn liefde voor het onderwerp weet hij ons van begin tot het einde te boeien. „Het grote avontuur” is een lyrische film, vol zachtheid en wreedheid, vol dierengeluiden en bosgeuren, waarin het poëtische commentaar (voortreffelijk gesproken door Wim Povel) een onmisbare rol vervult. Zonder Disney’s vaak meesterlijke „Living Desert” ook maar iets te kort te doen, moeten we toch zeggen dat Arne Sucksdorffs werk ons liever is. Omdat hier, zoals overal, de liefde de meeste is. W. WIELEK—BERG