is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 9, 05-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liefdesverhalen

n.a.v. Liefdesverhalen uit de Wereldliteratuur. Bijeengebracht door Clare Lennart, Jaap Komijn en Jacoba van Velde. Illustraties van Gerard Douwe. Uitgave A. W. Bruna en Zoon, Utrecht, z.j. (1953) 540 blz. Gebonden In slmlllleer ƒ 14,50.

Men ontmoet wel eens nuchtere mannen, die min of meer smalend poëzie en roman, toneel en film afwijzen, omdat het allemaal over de liefde gaat. Naar hun inzicht is dat een artikel, dat in de wereld der harde realia nauwelijks waarde heeft. Daarom lijkt hun de belangstelling die de kunst voor de liefde heeft, een aanwijzing hoezeer die kunst wereld- en levensvreemd is. Dergelijke lieden kan men gemakkelijk voorhouden, dat hun collega’s, de even harde, nuchtere zakenlieden, die zich meester hebben gemaakt van de kunst als handelsartikel, in de liefde een zeer gewild artikel zien. Het is juist de gecommercialiseerde kunst van de film, van de succes-roman, van de gramofoonplatenindustrie, die de wereldmarkt doet overstromen met „liefde”; ja zelfs de meest alledaagse nuttigheidsartikelen worden verpakt in „liefde”. Juist wie wel eens wee wordt van de zwendel, die met het woord „liefde” gedreven wordt, doet goed zich bijtijds te herinneren, hoe onvergelijkbaar belangrijk de liefde in een mensenleven is; anders gezegd: hoe arm een mens is, die niet weet wat liefde is. We nemen hier liefde in zijn meest gebruikelijke zin; zonder te vergeten dat er ook vriendschapsliefde, vaderlandsliefde, kinder- en ouderliefde, Godsliefde is, spreken we hier over de liefde tussen man en vrouw.

Ja, die liefde is inderdaad een der grootste en hachelijkste en meestvoorkomende avonturen, die een mens beleven kan. We horen er graag van vertellen, én omdat we eruit leren willen, én omdat we er onze eigen ervaringen aan kunnen toetsen, maar vooral, omdat het verhaal appelleert aan een onbestemd gevoel van heimwee en verwachting, van sympathie ook, omdat het iets zeer wezenlijks kan onthullen van ons aller menselijk lot. De leugenachtigheid van talloze films, romans en verhalen is juist daarom zo funest, omdat ze het menselijk hart vergiftigen, soms door een bedwelmende roes, tegenwoordig nog vaker door een verkillend, dodelijk cynisme. In naam van de liefde zijn talloze wreedheden en gemeenheden begaan, in naam van de liefde zijn mensen de dood ingejaagd.

Nu weet ik wel: kunst is spel en men moet niet met al te ernstige frons in het voorhoofd het spel verstoren. Het is juist aan de kunst gegeven de ernstige gang van het leven te onderbreken met een luchtige danspas. En evenzeer is waar, dat de liefde zelf, zoals beschaafde mensen die beoefenen, een verrukkelijk spel kan zijn. En toch: hoe droefgeestig zijn de meeste liefdesliedjes. Het lijkt wel of de mens eerder tot zingen komt uit heimwee naar een verloren paradijs dan dat hij tot juichen komt over een moeizaam veroverd bezit. De jubeltoon in de liefsie klinkt licht vals en schril of kondigt, in het beste geval, het aanstaand verlies aan. Het liefdesverhaal, dat eindigt in de apotheose: en ze leefden

lang en gelukkig, is in negen van de tien gevallen kitsch

Deze bundel liefdesverhalen bevestigt de bovengeschetste toestand. Met goede smaak hebben de verzamelaars een dertigtal verhalen uit de wereldliteratuur in vaak voortreffelijke vertalingen bijeengebracht. Er zijn er bij uit het begin der Renaissance (Boccaccio), maar ook zijn er van jonge Amerikaanse schrijvers uit de laatste tijd (Carson McCullers, Truman Capote). Aan alle grote literaturen zijn de verhalen ontleend (Spanje, Italië, Griekenland, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Rusland, Amerika, Zweden). Ook de Nederlandse literatuur is voldoende vertegenwoordigd. Men kan natuurlijk over de keuze twisten, maar ik geloof niet dat men op goede gronden deze keuze zou kunnen afwijzen als niet representatief; men zou alleen er nog heel wat prachtige verhalen aan toe kunnen voegen. Het boek had gemakkelijk tweemaal zo dik kunnen zijn, maar het zou geen andere totaal-indruk nagelaten hebben. Hier aarzei ik. Nogmaals ga ik de lijst der schrijvers na en let op de jaartallen en nu valt me op, dat met uitzondering van Boccaccio alle schrijvers behoren tot de grote tradities van de 19e en 20e eeuw: romantiek, realisme, naturalisme enz. Ja toch: men kan ’ L i. 4. 1 1 « . zich 00n totaal andoro kouzc voorstellen de zoetige omslag van het boek en de luchtige tekeningen kondigen die keuze zelfs aan: er is in de 17e en 18e eeuw een luchtig spel met de liefde gespeeld, dat in dit boek niet weerspiegeld wordt; ik duid het aan met enkele namen: Rococo, Ancien Régime en denk aan Prévost en Diderot, aan Defoe en Wieland; ik denk ook aan de

unieke ernst van het liefdesspel bij Rousseau en de Chateaubriand. Het is dus toch een verzameling liefdesverhalen, die niet alle variëteiten heeft opgenomen. Men zou n.a.v. dit prachtige boek een hele filosofie over de liefde tussen man en vrouw kunnen houden. Het zou misplaatst zijn, omdat de verhalen zelf bespiegeling zijn. Men kan geen verhaal vertellen zonder zijn diepste overtuigingen te verraden. De goede lezer komt zodoende onvermijdelijk in gesprek met de verteller om hem bij te vallen of tegen te spreken. Voor een oncritische lezer is zo’n boek dan ook niet ongevaarlijk. De meeslepende wijze, waarop hier in de vorm van voorbeelden over de liefde gehandeld wordt, kan hem geestelijk ontwrichten, kan hem inspireren tot een levens- en liefdesstijl, die hem tot een slecht mens stempelen. De liefdesdrift zelf jaagt als een stormwind door het menselijk leven; zij gaat voorbij aan onze moeizame onderscheidingen van goed en kwaad: zij kan een mens te pletter werpen tegen de onverzettelijke, heilige wetten Gods. In een boek als dit leest men meer ontzag dan liefde voor de liefde. En men fluistert bèdeesd de onsterfelijke regel van de dichter Leopold: „Wij doen elkander zeer...”

Ja, dit is toch wel de laatste indruk van dit boek: de liefde vertoont er zich als een geweldig, meeslepend natuurverschijnsel: een rivier die telkens buiten de oevers dringt: prachtig, maar gevaarlijk. Liefde is iets heel moois, maar hoe kan het menselijk hart eronder lijden! Liefde, er is geen gevaarlijker leugen! Want heel veel verhalen gaan over de schijngedaanten der liefde. Liefde, wat is er vluchtiger? Want heel veel verhalen gaan over de liefde die allang voorbij is.

De mooiste verhalen gaan over de vergeefse, over de onbegrepen, over de voorbije liefde. Houdt dat soms een aanwijzing in, dat men over de echte, bestendige liefde, als die bestaat, niet vertellen kan? Wijst in die richting ook niet het sobere feit, dat in al deze verhalen over man en vrouw, het kind ontbreekt? Men blijft aan ’t vragen, al lezend in dit boek. „Spot niet met Amor,” zeiden de ouden: „zijn pijlen zijn dodelijk.” J. G. BOMHOFF

Zeventienjarigen in Engeland

Onlangs schreef ik te dezer plaatse over het Wilde Westen van Den Haag en de mogelijke invloed van de bioscoop op de opgroeiende jeugd in dit stadsdeel.

In (Engeland verschenen kortgeleden twee publicaties over de jeugd van 14—17 jaar. Het zijn eigenlijk sociologische onderzoeken. Eén van Joseph Goldstein: „Government of British Trade Unions” en een van Ernest Green: „Adult Education: why this apathy?”

Beide publicaties wijzen op de apathie bij jongeren en ouderen om deel te nemen aan het verenigingsleven, ook aan dat van de vakorganisaties. Een derde publicatie, van de hand van Jephcott Pearl en getiteld: „Some young people” gaat de 'leiVensgewoonten van de hedendaagse (Engelse) jeugd in bovengenoemde periode na, en onderstreept, dat de vermoeidheidsverschijnselen der ouderen ten aanzien van het organisatieleven, reeds bij de jeugd beginnen. En dat in het land, dat tot voor kort bij uitstek het land was van de vele jeugdclubs. Dat waren en zijn auto-

nome verzamelingen, want een jeugdbeweging, zoals wij die bijv. uit Duitsland kennen, heeft Engeland eigenlijk nooit gehad. De Engelse levenshouding, zozeer gericht op het punt van de sport, heeft in feite nimmer het bevrijdende protest tegen de verburgerlijking van de maatschappij doen horen. Maar thans is men toch op een zeker dood punt aangekomen. De dusgenaamde jongensclub (boys clubs), eenmaal gesticht door bepaalde weldoeners en om de minder bevoorrechten te dienen, hebben hun tijd gehad sedert de maatschappelijke en economische omstandigheden van velen verbeterd zijn. De godsdienstige jongerenverbanden hebben hun eigen problemen en het merendeel van de „neutrale” organisaties bevindt zich in een moeilijke positie. Zij kunnen de godsdienstige bindingen niet negeren zonder de eigen ethische idealen ontrouw te worden. Zij kunnen evenmin een religieus doel nastreven, zonder het grootste deel van hun leden te verliezen, De grote sociale revolutie, die in Engegeland heeft plaatsgevonden, vindt haar