is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 9, 05-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neerslag in het feit, dat het niet de economische, sociale en morele vragen zijn, die deze jonge arbeiders allereerst bezighouden, maar de vragen van techniek en wetenschap. Economisch is hun positie wel verzekerd: vijf dagen per week, voldoende tijd en geld voor ontspanning en andere dingen. Toch zijn de samenstellers van deze onderzoeken niet van mening, dat deze generatie zich kenmerkt door een groter materialisme, door een grotere luiheid of traagheid, zoals dikwijls door de oudere generatie wordt beweerd. Zij stellen vast, dat de algemene verbetering van positie en levensomstandigheden, geen culturele vooruitgang heeft gebracht. Hoofdzaak van dit alles is, zo meent men, de omstandigheid, dat deze jeugd eenvoudig met haar vele vrije tijd geen raad weet. En dus brengt zij die door op de straat, in de bioscoop en in de dansgelegenheden.

Een onderzoek namelijk bij 900 van deze jongeren in Londen en Nottingham en in enkele dorpen wees uit, dat deze jeugd niet leest. Van de 159 jongens en meisjes in een Londense arbeiderswijk waren er slechts 24 ingeschreven bij een openbare uitieenbibliotheek. In Nottingham 25 van de 129. De meesten lezen wel het avondblad en een „plaatjeskrant”, en voorts bestaat het voornaamste geestelijk voedsel uit sportbladen, film- en vrouwenbladen, „co- maar niet uit wat men in een goed boek kan lezen. In de meeste woningen, die door de enquêteurs werden bezocht en waar deze jeugd leefde, was zelfs geen enkel boek aanwezig en gewoonlijk kon er (daarom?) ook in de hele buurt geen gekocht worden. Maar, zo constateerde men: hier volgt de jeugd slechts het voorbeeld van een uitgeholde oudere generatie. Vele jongens en meisjes vonden boeken voorts maar een vervelende herinnering aan de school en onverenigbaar met hun „stand” als loontrekkenden. Soms scheen het, dat hier een overgang kon worden geconstateerd van het lezen naar het horen radio, televisie, maar het best en het meest konden toch inlichtingen verkregen worden over het bioscoopbezoek. Zo bleek, dat 117 jongens en meisjes uit een voorstad van Nottingham 216 keer (in totaal) per week naar de film gingen. Van dit getal gingen er 41 zelfs drie keer in de week naar de bioscoop.

En overigens speelt het „courting” een grote rol in deze levens. Dat is een moeilijk te vertalen woord, maar laat ons zeggen: het flirten en het, aan de rand der (on)- schuldigheid, afreageren van sexuele intenties.

Natuurlijk, aldus de opmerkingen in deze geschriften, speelt zich de godsdienstige onverschilligheid der ouderen af in de levenshouding der jongeren. Er Is vrijwel geen, ook niet de meest elementaire kennis van de geloofsinhoud van het christendom. Wat de kerkelijke jeugdorganisaties doen of bereiken en welke ervaringen zij opdoen met de jeugd, tussen de protestantse en rooms-katholieke is hierin geen verschil: de kerkelijke jeugdgroepen hebben geen groter bindend vermogen dan de niet-kerkelijke. Zo behoorde van de 900 ondervraagden slechts een derde deel tot een of andere organisatie. De jongens maken dan nog een gunstige uitzondering: de helft was ergens lid van, terwijl dit voor de meisjes gold in een verhouding van 1:4. De bezwaren? Men wil niet samenzijn met jeugd van 14—21 jaar als men zelf 15 of 16 is. De meisjes vinden, dat de organisaties, waarvan zij lid zouden kunnen zijn, te weinig of in hét geheel geen rekening houden met hun specifieke interessen. Bovendien zijn de uiterlijke omstandigheden (club-

lokalen etc.) weinig geschikt om een moderne jeugd te trekken.

De vraag, die zich bij het lezen van deze dingen voordoet, richt onze blik weer naar de Haagse Boekhorststraat. Uit deze publicaties blijkt in zekere zin een bewust afstand nemen van de jeugdorganisaties door de Engelse jongeren. Indien hier van nihilisme sprake is, is het een bewust, een hoger soort nihilisme. Ik ben ervan overtuigd, dat deze bewustheid bij het merendeel der Boekhorst-jeugd niet eens aanwezig is. Deze geeft zich nergens rekenschap van en men kan haar dan ook bezwaarlijk nihilistisch noemen in de gebruikelijke zin. Met bewust nihilisme is een gesprek nog mogelijk. Met het volkomen ~niets” kan dit zelfs niet meer.

Overigens, in het geraken tot deze situatie spelen natuurlijk zowel in Enge-

land als in Nederland, voor een deel althans, dezelfde factoren mede. Alleen, de uitwerking daarvan bij ons en met name in Den Haag, is reeds in een verder stadium.

Tot slot: ik noem Den Haag. Daar woon ik nu tien jaar en ik zie er iets van. De vele jaren, dat ik in Amsterdam woonde en mijn werk vond onder Amsterdamse jongeren en, kerkelijk, midden in de Jordaan, hebben mij ervan overtuigd, dat de dusgenaamde massajeugd in Amsterdam toch zeer bepaald anders is dan die in Den Haag. In Amsterdam heeft ook dit soort nihilisme een eigen karakter, en... karakter. En op „de eilanden” weer anders dan in de Jordaan. Maar in Den Haag is het bodemloos, historieloos en toekomstloos zonder meer. Dat is het benauwende van de situatie. N. G. J. VAN SCHOUWENBURG

DE BONDSDAG HEEFT BESLIST

Zonder veel moeite zijn de Parijse accoorden door de Westduitse Bondsdag goedgekeurd. De stemmenverhouding was 314 tegen 157. Wat Bonn betreft, kan West-Duitsland dus tot de Westeuropese Unie en de NAVO toetreden. Bovendien hebben de Duitsers hun goedkeuring gehecht aan een voortgezet verblijf van buitenlandse troepen in hun land, en uiteraard aan de opheffing van het bezettingsstatuut. Zelfs de felste voorstanders van de Westduitse herbewapening zulien echter enig onbehagen blijven voeien. Ondanks de fraaie stemuitslag is de regering van kanselier Adenauer nl. lichtelijk gehavend uit de strijd te voorschijn gekomen. In de eerste plaats moet er onbehagen zijn over het feit, dat toch nog altijd vele millioenen Westduitsers tegen de plannen zijn. Dit verzet telt zwaar als wij erkennen willen, dat de keuze over al dan niet bewapenen (en al dan niet soldaat worden) een veel beslissender is dan bijv. die tussen hoge of minder hoge belastingen. Deze oppositie is voorts belangrijk, omdat zij vooral schijnt te steunen op de jeugd, die niets meer voor de wapenrok voeit. Men stelle zich overigens van dit anti-militarisme niet al te veel voor. Het „Nie wieder Krieg” is van oudere datum dan 1945, evenals de desondanks plaats vindende bewapening. De Duitsers zijn en blijven vreemde romantici, die gaarne zich zelf het hoofd op hol brengen.

Belangrijker dan het voorgaande echter is het in de boezem van de regering ontstane geschil over het Saargebied. Adenauer heeft te Parijs toegestemd in de zelfstandigheid van het Saariand (met een sterke economische binding tussen de Saar en Frankrijk) tot aan het sluiten van het vredesverdrag. Stellig heeft hij het niet van harte gedaan, maar de overwegingen die voor hem doorslaggevend zijn geweest, nl. de Franse oppositie een harer belangrijkste wapens uit de hand te slaan, zijn voor de Liberale Partij deelgenoot in Adenauers regering van mindere waarde. Adenauers verdediging was zwak. Dit kon niet uitblijven, tenzij hij de moed had durven opbrengen zonder verdoezeling van feiten de ware situatie te schetsen; nl. dat Frankrijk zijn positie in het Saargebied

heeft kunnen consolideren, en dat de Fransen het blijkens de voortdurende sympathie van het merendeel der Saarlanders —de laatste jaren redelijk goed hebben gedaan. Dat derhaive de terugkeer van het Baarland binnen het „Reich” zeer dubieus is, tenzij de omstandigheden grondig veranderen. Adenauer echter heeft op schijnwaarheden gegokt, zoals de mededeling nooit de accoorden te hebben gesioten als de Saarkwestie definitief zou zijn geregeld in de huidige zin. De kanseiier heeft zich hierbij zeer tactioos tegen de opponerende iiberaie fractievoorzitter Becker gedragen. Heeft misschien zijn slechte geweten hem parten gespeeld? Er zijn meer voorbeelden van zijn rauwe, lompe reactie ais hij zwak staat. Het meesterschap in de discussie, waarvan Adenauer dikwijls blijk geeft, schijnt geheel te verdwijnen als hij zich niet meer door sterke argumenten gesteund weet. Mede hierdoor is het resultaat, dat vrijwel alle liberalen tegen het Saarstatuut hebben gestemd, en dat er maar één liberale minister, nl. de vice-kanselier Blücher, Adenauer trouw is gebieven. Een houding die zijn partij hem zo kwalijk neemt, dat hij wellicht moet aftreden. Hij heeft In ieder geval zijn ontslag aangeboden.

Een regeringscrisis zal er wel niet het gevolg van zijn. De rechtse partijen hebben elkander nu eenmaal nodig om in het zadel te blijven, zeker bij de nog volgende militaire wetgeving, die tweederde meerderheid vergt. Maar er is een nieuwe barst ontstaan die het coalitie-lichaam zal blijven ontsieren.

Intussen is het Saargebied een waardevol symbool. Het geschil laat zien hoe weinig Europees Duitsers (en ook Fransen) denken, ondanks alle Europese franje, waarmee zij zich sinds jaar en dag tooien. Wij moeten Adenauer nageven, dat hij de Saarkwestie ten slotte niet boven de andere zaken heeft laten praevaleren. Maar het feit blijft bestaan, dat er van vriendschappelijkheid tussen beide landen nog lang geen sprake is. Nu maar af wachten: zullen de partners alsnog naar elkaar toegroeien, of zal blijken dat zulk een proces vooraf had moeten gaan aan de ver gaande militaire samenwerking? H. VAN VEEN