is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 12, 26-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Keukenproblemen

Over de keuze aan onderwerpen uit de internationale politiek behoef ik mij, geachte lezer, niet te beklagen. Er gebeurt zo ontzaglijk veel in de wereld, dat de stof voor het grijpen ligt. Het griezelige is evenwel, dat je op Maandagavond niet zeker weet, hoe de wereld er Zaterdagmiddag, als u Tijd en Taak openslaat, uit zal zien. De ontwikkeling gaat vaak zo snel, de feiten veranderen zo grondig, dat de algemene lijn der ontwikkeling meestal slechts vaag kan worden aangegeven. Dat is een probleem, waarvoor ik bij uitzondering graag eens uw aandacht vraag.

Een van de grootste verleidingen bij het schrijven van overzichten is het gokken op uitkomsten. Dat is iets, waartegen elk rechtgeaard hoofdredacteur te allen tijde waarschuwt.

Als een dagbladschrijver daarbij de plank mis slaat als hij dus iets anders voorspeit dan wat de volgende dag gebeurt ontstaat er op de redactie wat rumoer. Maar of dat naar buiten doordringt? Tot de lezer dringt door de nieuwe sensaties, die die volgende dag weer over hem worden uitgestort, het foutieve van zo’n voorspelling meestal niet goed door. Helaas is bij een weekblad het risico veel groter. Als ik u nu (Maandag) vertel, dat Bevan hoogstwaarschijnlijk niet uit de Labour Party wordt gestoten, zit u Zaterdag misschien te gnuiven: uw dagblad vermeldt met vette koppen het tegendeel. Om nog eens wat anders bij de kop te nemen: laat ik eens uitvoerig aantonen, dat de Franse senaat de Parijse overeenkomsten zal bekrachtigen. Misschien zou u daarover bij het lezen (Zaterdagmiddag) ook al pret hebben. Zo kunnen wij doorgaan.

De meest bedrieglijke ontkenning van dit probleem dat elke journalist kent, is het zwaarwichtige betoog, doorspekt met „er zou”, „vermoedelijk”, „waarschijnlijk”, „het zou ons niet verbazen” en vult u verder maar in. Daar hebt u niet veel aan (ofschoon dergelijke zinswendingen het soms ook in huiselijke kring aardig kunnen doen). U kunt ze echter ook zelf verzinnen. Helemaal kwijt raakt u ze nooit. Zelfs in het tot in de perfectie geredigeerde Amerikaanse „Time” komen ze voor. Maar dat ligt dan minder aan de schrijver, dan wel aan deze wereld, die zo weinig zekerheden kent.

Andere middelen om aan de gesignaleerde moeilijkheden te ontkomen, worden geboden door bijv.: het bespiegelende stuk; het artikel van wijdere strekking; het principiële stuk. Deze middelen zijn overigens ook lang niet ideaal. Want je moet in dit opzicht iets werkelijk verrassends kunnen brengen om enigszins leesbaar te blijven. En dat gaat nu eenmaal niet altijd, zeker niet als zo’n artikel een noodsprong moet zijn bij gebrek aan beter.

De actualiteit is en blijft de grootste zorg. Het is de attractie waardoor het enigszins oppervlakkige journalistieke werk zijn reliëf krijgt. Ook voor die attractie worden wel eens surrogaten gebruikt. Een er van is de gefantaseerde anecdote. Ik ken iemand die daarmee jarenlang de meest dorre stof appetijtelijk heeft gemaakt. Het is moeilijk, maar je moet je beperken tot figuren, die je straffeloos allerlei spitse gezegden of merkwaardige daden toe kunt schrijven. Churchill of Drees bijv. lenen zich daar niet voor Je moet het verderop zoeken: koning Feisal, Bao Dai, Perón, Franco, monsieurPoujade,Faroek... wie zal dat ooit controleren!

. Mits handig gedaan, behoeft zo’n gefantaseerde anecdote niet veel kwaad te doen. Het gevaar echter van verdere fantasieën is niet denkbeeldig, wanneer deze weg eenmaal is ingeslagen. Daarmee wordt dan de voornaamste pijler van de behoorlijke journalistiek, ni. het objectief weergeven van juiste feiten, bedreigd. Ook dit is dus een middel dat geen navolging verdient. Als niets meer baat, komen als vanzelf de stokpaardjes. Voor iedereen zijn zij weer anders. Sommigen vinden „ons Indië”, „Ambon”, „De rooms-rode samenzwering”, „het staatssocialisme” geschikt. Anderen „het kolonialisme”, „de ontrechting van de Negers in Zuid-Afrika”, „de internationale macht der roomse kerk” (met een kleine r). Weer anderen „Adenauer” „het stuurloze Frankrijk”, „Formosa” en „de atoombom”. Gelukkig voor ons goede vaderland

schrijft vrijwel iedereen voor gelijkgezinden, zodat deze stokpaardjes altijd wel tot hun recht komen.

Stokpaardjes kunnen ook op minder directe manier in het geding komen. Dan dringen zij naar voren in slotalinea’s, die beginnen met „het ware gewenst”, „wij hopen oprecht”, „moge het inzicht rijpen” enz. Zij vormen dan de afsluiting van een min of meer speculatief artikel over onderwerpen als: „het aftreden van Churchill” (daarover zijn al kilometers druks verschenen) „de wilde haren van Foster Dulles” (die een voor een uitgetrokken worden), „de vervolmaking van Benelux” (waar altijd wat tussen komt), „de Europese integratie” (waarover driekwart van Nederland sinds jaren leest zonder het woord te begrijpen), „de komende economische crisis” (die al drie keer voorspeld is)...

Waarom val ik u lastig met deze „keukenproblemen”? Ik weet het niet. Misschien komt het, omdat ik eigenlijk voor één keer eens verstek zou willen laten gaan. Er is zoveel om over te schrijven, maar daarbij is zo weinig werkelijk nieuws onder de zon.

Maar wellicht ook ligt de oorzaak ergens anders. Mogelijk is het voorgaande mijn reactie op het komende voorjaar. De huisvrouwen denken ondanks de koude (mogelijk is het Zaterdagmiddag wel warm!) al aan schoonmaak. Wil ik ook eens een keertje wat anders, om daarna weer fris te kunnen beginnen?

Het zou ons niet verbazen, wanneer zoals anderen waarschijnlijk met ons vermoeden dat de reden, of althans een van de redenen, is. Moge het inzicht rijpen zo hopen wij oprecht dat ieder mens, ook schrijver dezes, zijn zwakheden heeft. H. VAN VEEN

Eerlijk gezegd geloof ik, dat zij die met de kleine krachten van hun leven, dag in dag uit met de jungle van Nieuw-Guinea aan ’t strijden zijn, meer tot de oplossing van de Nieuw-Guinea-kwestie bijdragen, dan wij die achter een knus huiskamerbureau erover schrijven. Daarom een klemmende vraag tot slot: Laten we oppassen dat we de zware taak van de werkers onder de tropenzon niet nodeloos bemoeilijken. A. SNAAUW

vonkjesi

Elke Zaterdagmiddag hebben we een „bespreking”. Het is een 'Vergadering van cursisten en staf, om het leven op de Vonk gedurende zo’n lange cursus onder de loupe te nemen en mogelijkheden en wenselijkheden ook eventuele veranderingen te bespreken. Woensdag of Donderdag tevoren komt er op het bord in de grote huiskamer een papier en potlood te hangen, zodat iedereen, die een punt bedenkt, dat alvast kan opschrijven. Een van de meisjes schrijft de notulen en leest die de volgende week aan het begin van de bespreking voor. Elke week geeft zich spontaan een andere notulenhoudster op. Een der twee cursusleidsters leidt de vergadering.

Over een der laatste Zaterdagmiddagbijeenkomsten zou ik u graag wat vertellen. Er was enige deining over jongens geweest. Om deze tijd van het jaar zijn er in het vissersdorp Noordwijk nogal wat werkloze jongens. Die hebben niet veel goede vrije-tijdsbestedingsmogelijkheden. Daardoor zijn ze veel op straat en ze hebben al gauw in de gaten, dat er op de Vonk weer een groep „Grietjes” is aangekomen. De jongens, die dan zo om de Vonk dwalen of in het dorp onze meisjes aanhouden, staan vaak minder goed bekend. We hebben er met de meisjes over gepraat en ze aangeraden geen notitie van deze jongens te nemen. We zijn helemaal niet tegen omgang van jongens en meisjes, maar we moeten wel tegen dit soort omgang zijn. Het punt „jongens” kwam op de bespreking. Het allergrootste deel van de cursisten begreep ons standpunt en was het er mee eens. Ze zouden geen „sjoeche” geven. Een paar echter waren het er kennelijk niet mee eens. Toen had u die strijd tegen elkaar moeten horen! „Nee, Tilly, als jij voor het raam gaat staan, als ze fluiten, raken we ze nooit kwijt!” „Ik stond toevallig bij het raam.” Een hoongelach!

„Je hebt tussen de middag ook met die lange

jongen staan praten.”

„Nou, wat zou dat? We zijn hier toch vrij?” „Natuurlijk zijn we vrij, maar we hadden afgesproken, dat we van die jongens geen notitie zouden nemen.”

Tilly moppert nog een beetje na, maar, ofschoon ze eerst wel een paar meisjes op haar hand had, nu staat ze alleen. Ze heeft het niet kunnen laten en na een paar dagen heeft de groep beslist, dat ze dan maar naar huis moest. Of zich aan de algemene afspraak houden, of weggaan. Het is weggaan geworden. Jammer, maar we geloven, dat Tilly een langere tijd onder andere leiding moet komen, dan bij ons het geval is. En tegenover de groep was dit de enige mogelijkheid.

Wat er verder ter tafel komt? Een nachtwandeling. Eerst bedachten ze om negen uur naar bed tot twaalf, dan wandelen tot drie en dan weer naar bed! Gelukkig voor de leiding die natuurlijk mee zou gaan, werd het ten slotte: om half tien vertrekken en om ongeveer half een terug! Ze hebben genoten, het was volle maan, toen ze gingen.

Dan: er is telkens goed in de was, dat niet gemerkt is. Dat is lastig voor de wasgroep. Men besluit het goed na te zien, voor het in de was gaat en als het niet gemerkt is, blijft het liggen. Een volgend punt: Kunnen de slaapkamers niet verwarmd worden, als we er tussen de middag zitten is het zo koud. Daar kunnen we kort over zijn, want verwarming der slaapkamers is te kostbaar, dus of je jas aan, of in de huiskamer gaan zitten! Nog veel meer punten zou ik kunnen noemen, het zou te ver voeren! Ik vind zo’n bespreking elke week weer een kostelijk ding! Je leert er de meisjes zo goed door kennen, je hebt zo’n prachtige kans, ze een stukje echt democratische opvoeding te geven, ze hebben ongemerkt een goede oefening in het zich uitdrukken en ze leren „in het openbaar” te spreken. De staf komt ook met opmerkingen en mededelingen. We hebben al menige vruchtbare bespreking op Zaterdagmiddag gehad! C. H. D.