is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 13, 02-04-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NA DE GOEDKEURING

Voor- en tegenstanders zullen een opgeruimd gevoel hebben, nu de Parijse verdragen door de PYanse Senaat zijn goedgekeurd. Want ook als men verontrust is over het feit, dat nu de weg geopend is voor de bewapening van West-Duitsland, zal toch moeten worden toegegeven, dat er in het komende politieke bedrijf weer meer lijn te onderkennen zal zijn. De wederzijdse standpunten liggen nu vast. In ieder geval kan nu weer worden geprobeerd tot zaken te komen.

Voor de verrassing heeft de Sowjet-Unie gezorgd. Maarschalk Boelganin heeft laten weten, dat hij in principe wel voelt voor een gesprek van de Vier. Dit feit is heel wat belangrijker dan de eerder gedane mededeling, dat de Oosteuropese landen zich (als antwoord op de Parijse verdragen) militair zullen aaneensluiten. Welk nieuws deze mededeling inhoudt, zal niemand duidelijk zijn. Sinds jaren staat het Poolse leger onder commando van een Russische generaal, sinds lange tijd wordt in Oost-Duitsland een seml-mllitaire organisatie opgebouwd, die met de fraaie term „volkspolitie” in zoverre wat te maken heeft, dat het gehele volk, de jeugd incluis, erbij betrokken is. Maar het politiële karakter ervan is in elk opzicht zoek. Zo is het ook in de andere Oosteuropese landen.

Het vermoeden bestaat dus, dat Boelganin nu inderdaad wil praten. Aangezien ook het Amerikaanse standpunt belangrijke wijzigingen heeft ondergaan (de mededeling van president Eisenhower, dat hij eveneens voor een gesprek voelt, is één der resultaten van de Amerikaanse veranderingen, waarbij de oude koers van Truman weer in ere wordt hersteld), lijkt een algehele opklaring binnen de mogelijkheden te komen.

Deze Amerikaanse koersverandering is voor de republikeinse regering uiteraard een pijnlijke zaak. Er is in het verleden te fel tegen de democratische politiek van leer getrokken om deze ommezwaai nu zonder schade te kunnen maken. In dit verband is de onverhoedse publicatie van de verslagen van de besprekingen te Jalta wel verklaarbaar. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Poster Dulles, had op dit moment een dergelijke afleiding nodig om zijn gezicht een beetje te redden.

Het feit, dat dit voorjaar of deze zomer er dus waarschijnlijk een conferentie der

Grote Vier zal plaats hebben, mogelijk met deelname van communistisch China, behoeft overigens in het geheel niet te betekenen, dat de hangende problemen nu allemaal zonder slag of stoot zullen worden opgelost. Een feit is bijv., dat de West-Duitse bewapening de vereniging van de beide Duitslanden wel zal uitsluiten. (Of zonder bewapening die vereniging wel mogelijk zou zijn geweest, behoort nu tot de academische vragen, die niet meer beantwoord behoeven te worden.)

Het ligt eerder in de lijn der ontwikkeling, dat beide partijen tijdens het komende overleg hun huidige posities nader willen consolideren. Wellicht zal tevens geprobeerd worden tot afspraken te komen in zake de wederzijdse eerbiediging van deze posities. De toestand in Europa zal daardoor in hoge mate kunnen worden gestabiliseerd.

De enige kwestie naast de Duitse, die nog regeling behoeft, is die van Oostenrijk. Ook in dit opzicht worden vorderingen gemaakt. De Sowjet-Unie heeft ook hier het initiatief genomen tot verder overleg. De troef, welke Oostenrijk vormde bij de strijd om Duitsland, is nu op slag waardeloos geworden. De enige winst voor de Sowjet-Unie bestaat in een Oostenrijk, bevrijd van elke militaire bezetting. Stellig zal zulks op weinig essentiële bezwaren stuiten.

Het feit, dat Boelganin niet met de gebruikelijke nadruk een plaats voor China in het beoogde overleg heeft opgeëist, zou erop kunnen wijzen, dat Rusland alleen stabilisatie in Europa nastreeft, maar dat het land tegelijkertijd de lopende zaken in Azië op hun beloop wil laten. Dat ligt ook wel voor de hand. China en de Sowjet-Unie kunnen nog steeds voordeel trekken uit de toestand in Azië. Het zou, van hun standpunt uit bezien, onzinnig zijn bijv. de Indo-Chinese kwestie definitief te willen regelen. De gebeurtenissen in het niet-communistische gedeelte van Indo-China wijzen op een gistingsproces ten gunste van Ho Tsji Minh. Als er gestemd zou worden, zou stellig heel Indo-China in meerderheid communistisch kiezen.

Met Formosa is het niet veel anders gesteld, terwijl de voortdurende onrust op Malakka, in Indonesië en in Siam eveneens slechts voordeel voor het commimisme kan afwerpen.

H. VAN VEEN

LEESTAFELNIEUWS

Mens en dier. Een bundel opstellen aangeboden aan mgr. prof. dr. P. L. R. Sassen. Philosophische bibliotheek, uitgave Standaardboekhandel A’dam, 1954, 246 blz., ing. ƒ 9,50.

Vrienden en leerlingen stelden dit boek samen als hulde aan prof. Sassen bü zijn zestigste verjaardag. Historische en bespiegelende opstellen wisselen elkaar af, naar het voorbeeld der onderzoekingen van de gehuldigde. Deze opzet geeft aan dit boek een heterogeen karakter, wat tot voordeel heeft dat ieder er wel iets van zijn gading in aantreft. Zo wordt de verhouding van mens en dier onderzocht, zoals die gezien wordt in de archaïsche godsdiensten, bij het boeddhisme, in het Oud-Egypte, bij de Griekse denkers van vóór Aristoteles, bij Aristoteles zelf, bij de Stoïcijnen, bij Thomas van Aquino, in de psysiognomiek van de renaissance, bij Montaigne, Pascal en Descartes. Meer bespiegelend zijn de opstellen over anthropomorphismen in onze visie op het dier, over het dier en de rechtsorde en over het dier als schaduw van existeren. Ik moet met deze samenvatting volstaan. Denkend over mens en dier zal de lezer dit boek met profijt lezen, maar evenzeer zal hij het waarderen, als een dwarsdoorsnede van de geschiedenis der filosofie, waarbij het geen toeval is, dat de 19de eeuw, eeuw van het idealisme en eeuw van het evolutionisme er bekaaid afkomt. J. G. B.

V. ven Weizsacker: De zieke mens. Een inleiding tot de medische anthropologie. Vertaald door R. de Jong—Belinfante. Uitgave L. J. Veen, A’dam, z. j. (1954?), 281 blz. ƒ14,90.

Een merkwaardig boek: de eerste helft bevat klinische demonstraties van een professor In de geneeskunde, die zijn leerlingen n.a.v. ziektegevallen college geeft, waarbij hij telkens en juist bij lichamelijke kwalen aan toont, hoe psychische en physlologlsche oorzaken samen spelen. Een advocaat dus van de psycho-somatlek. Voor een leek zijn deze, waarschijnlijk stenografisch opgenomen colleges wel Interessant, ofschoon hij ze onmogelijk beoordelen kan. Het tweede deel Is een Inleiding tot de medische anthropologie, half wijsgerig, half medisch-wetenschappelijk. Men krijgt de Indruk, dat deze geleerde zich moeizaam ontworstelt aan een mechanlsch-causaal denken en op zijn manier doorstoot tot een Inzicht, dat In de moderne existentiefilosofie veel helderder Is uiteengezet, maar dan los van strlkt-medlsche overwegingen. Het boek veronderstelt, om het profijtelijk te kunnen lezen, een behoorlijke kennis van geneeskunde en dieptepsychologie en men kan zich daarom terecht afvragen met de Inleider, prof. Van der Horst, waarom dit werk eigenlijk vertaald Is, te meer, omdat, zoals Ik reeds aangaf, het de Indruk maakt, reeds enigszins verouderd te zijn. Kortom een interessant boek over psychosomatiek. Interessant ook voor de leek die het niet helemaal begrijpen, laat staan beoordelen kan, met het risico dat hü te vlot aanvaardt, wat niet of nog niet bewezen Is. j. G. B.

BENTVELDNIEUWS

De samenwerking tussen arts en verpleegster, weekendcursus voor artsen, hoofd- en eerste verpleegsters en voor hen die in de sociale sector werkzaam zijn, op 30 April—l Mei 1955.

De veranderingen, die zich In de maatschappij voltrekken, worden vooral duidelijk In de kleine groeperingen, die de onderdelen van de maatschappij zijn. Wat de maatschappij of samenleving Is, weerspiegelt zich overal waar een groter of kleiner aantal mensen met elkaar moet leven en werken.

Misschien Is een van de meest kenmerkende facetten van die veranderingen die plaats hebben, het feit dat de hedendaagse mens het gevoel heeft gekregen, dat hq In het grote geheel maar een klein nummer Is geworden, dat weliswaar ergens z’n functie heeft, maar meer als een stukje machine dan als verantwoordelijk mens. Geldt dat ook niet voor de grote ziekenhuizen? Al het spreken juist over de menselijke verhoudingen m de vele sectoren van de maatschappij Is een teken dat ergens een gevoel van onbehagen Is. Daarbij komt dat de verschuivingen In de functies en verantwoordelijkheden met zich meebrengen, dat velen hun eigen plaats en functie In het geheel niet doorzien. De onderlinge verhoudingen zijn daardoor ook In een voortdurende dynamiek betrokken. Nieuwe verantwoordelijkheden komen en andere verdwijnen. Dat geeft begrijpelijk spanningen.

In onze grote ziekenhuizen wordt, evenals in de bedrijven, allerlei dat vroeger vanzelfsprekend was, nu niet meer als zodanig aanvaard.

Het gevoel van onzekerheid over de eigen plaats en de juiste samenwerking zal vooral in een samenleving, waar vanouds de nadruk op het helpen van de mens heeft gelegen, gevaarlijk zijn.

leder weet dat de geheel andere constellatie van de maatschappij zijn neerslag heeft op het werk van de arts en de verpleegster, zowel op de heel