is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 14, 09-04-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verantwoordelijkheid in de loonpolitiek

In 1948 heeft het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) een zgn. Urgentieprogram gepubliceerd. Het CNV, diep overtuigd van de noodzaak van een vernieuwing der samenleving, belijdt dat deze vernieuwing alleen mogelijk is door toepassing van de eis van het Evangelie van Jezus Christus. Daarom beschouwt het Verbond het als de allereerste roeping van de overheid, van de werkgevers en van de arbeiders, te luisteren naar hetgeen in de Heilige Schrift ten aanzien van het sociale en economische leven wordt geleerd en zich daarnaar te richten. Aldus de aanhef van dit program. In enkele punten wordt dan verder aangegeven wat dit voor de ondernemer, de arbeider en de overheid wil zeggen.

Voor de arbeider wil dit zeggen, dat hij de arbeid als zijn goddelijk beroep moet beschouwen, hij zich medeverantwoordelijk moet weten, e.d. en ten slotte dat hij lonen van de hand moet wijzen, welke als tegen de gemeenschap gerichte lonen moeten worden aangemerkt.

Hoewel men hieronder ook zwarte lonen kan verstaan, zullen wij het de CNV-ers niet kwalijk nemen, dat zij zwarte lonen accepteren daar waar collega’s uit de andere bonden dit ook doen. In ieder geval kan men het CNV niet aansprakelijk stellen voor wat een lid in strijd met genoemd program doet. Zelfs willen wij niet het CNV er voor verantwoordelijk stellen, dat de loonpolitiek wordt doorkruist van onregelmatigheden, want daarvoor is in de eerste plaats de overheid verantwoordelijk. Wel menen wij dat genoemd program, vooral in de omschrijving van de taak der overheid, een ondersteuning is van de geleide loonpolitiek en een aanvaarding van de invloed en-verantwoordelijkheid van de overheid inhoudt.

Inmiddels zijn de tijden iets veranderd en de confessionele vakbeweging, in het bijzonder het CNV, heeft enige malen betoogd, dat er een meer vrijere loonpolitiek moet komen. Het laatst verschenen rapport van de SER komt aan de wens van deze vakbeweging gedeeltelijk tegemoet. De economische toestand heeft zich inmiddels dermate toegespitst, dat loonbeheersing meer dan ooit geboden is. Te hoge lonen houdt niet alleen het gevaar in voor prijsstijgingen op de binnenlandse markt, maar tevens komt de exportpositie van ons land in het gedrang.

Het was daarom verheugend, althans voor wie het goed meent met het arbeidersbelang, dat in „De Gids”, orgaan van het CNV, van 12 Maart 1955, een artikel verscheen van drs. C. P. Hazenbosch, waarin werd aangetoond, dat de grootst mogelijke waakzaamheid geboden is met betrekking tot de ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Zijn conclusie is, dat met het oog op de zwaksten onder ons de verdediging en verbetering van het welstandspeil der werknemers bij voorkeur dient te geschieden aan de kant van de prijzen en niet aan de kant van de lonen. Liever dan loonsverhoging ziet hij daling der prijzen en het voorkomen van verdere prijsstijgingen! Hij zegt daarom de minister van Economische Zaken alle steun toe. En bij die steun heeft hij op het oog in de eerste plaats de werknemersvakbeweging, die de

nodige terughoudendheid zal hebben te betrachten bij het tot stand brengen van loonsverhogingen.

Men kan derhalve de theoretici van het CNV geen verwijt maken van gebrek aan inzicht in de huidige situatie en evenmin van gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel.

De practijk is helaas niet daarmee in overeenstemming. Wij denken in dit verband speciaal aan de loonactie welke de laatste maanden onder het overheidspersoneel is gevoerd.

Misschien wat onwennig door het verbreken van de samenwerking der vakcentralen en wellicht uit vrees met het oog op de propaganda diende de christelijke bond van overheidspersoneel vorig jaar direct na de algemene loonronde van 6 procent, loonvoorstellen bij de regering in, nog voor de regering de gelegenheid had te overwegen of de onderhandelingen konden worden geopend en eveneens vóór de andere organisaties de gelegenheid hadden zich op de situatie te bezinnen.

De christelijke voorstellen werden niet alleen vroegtijdig ingediend, maar de inhoud dezer voorstellen was zodanig, dat verwezenlijking ongeveer op 15 procent loonsverhoging van het overheidspersoneel zou neerkomen. De EVC-organisaties, die aan het overleg met de regering niet deelnemen, maar in het openbaar een actie voerden voor 10 procent, zuilen zich na kennisname van het voorstei der christelijken wel beschaamd hebben gevoeld. Kort na de indiening der voorstellen door de bij het CNV aangesloten organisaties, diende de katholieke centrale van overheidspersoneel voorstellen bij de regering in welke neerkwamen op loonsverhogingen van 15 tot 18 procent.

De regering heeft deze voorstellen als onaanvaardbaar van de hand gewezen, derhalve kon er niet over gediscussieerd worden. Wij laten nu maar even terzijde wat de zgn. neutrale, ook wel genoemd categorale, centrale en de centrale van hogere ambtenaren hebben gedaan. Hun voorstellen waren evenmin voor de regering aanvaardbaar, maar men kan met deze centralen, die niet over loondeskundigen beschikken, nog te doen hebben, omdat zij niet beter wisten en omdat hun organisaties niet bij een vakcentrale zijn aangesloten en derhalve geen verantwoordelijkheid dragen voor de huidige loonpolitiek.

De confessionelen konden evenwel weten dat hun voorstellen niet aanvaardbaar waren, maar niettemin hielden zij daaraan vast en zijn zij ook uiteindelijk na langdurig en veelvuldig overleg met de regering niet tot overeenstemming gekomen.

Dat zij beslist ongelijk hadden heeft minister Beel in de vergadering van de Eerste Kamer op 23 Maart ’55 duidelijk aangetoond. De minister heeft niet alleen aangetoond, dat de lonen in de overheidssector uitgaan boven de lonerrin het vrije bedrijf, maar tevens dat de ontwikkeling van het loonpeil zodanig is, dat de lonen economisch niet langer verantwoord zijn. De overheid moet wel het goede voorbeeld geven wat de beloning betreft, maar zij kan niet door overbieding een concurrentiepositie tegenover het vrije bedrijf in gaan

nemen. Dit zou unfair zijn tegenover werkgevers en werknemers in het vrije bedrijf, die aan de door de regering goedgekeurde lonen zijn gebonden, het zou ook tot gevolg hebben dat er een theoretisch nimmer eindigende strijd ten nadele van de nationale economie zou ontstaan. Dit laatste acht minister Beel ook ten nadele van de sociale positie van alle werkers.

Met één der 5 centralen is de regering ten slotte tot overeenstemming gekomen en het kabinet vraagt zich af of niet reeds te ver is gegaan. De verhoging der lonen en salarissen van het overheidspersoneel waaromtrent overeenstemming is bereikt met de grootste centrale van overheidspersoneel, is dermate, dat het kabinet blijkbaar vreest dat de gevolgen ten aanzien van het loonen prijspeil niet uit zullen blijven. Maar deze verhoging is volgens de confessionele centralen veel te gering, om welke reden zij de verantwoordelijkheid daarvoor niet wensen te aanvaarden. Prof. Beel heeft zich daarover verwonderd, want deze centralen hebben de loonregelingen van 1948 en 1953 wel aanvaard en sindsdien is in verhouding tot de prijsstijgingen een belangrijke verbetering aangebracht.

Men vraagt zich derhalve af wat de confessionelen met dit optreden in de vorm van onredelijke eisen en het niet aanvaarden van verantwoordelijkheid voor hebben.

Het wordt bedenkelijk als men weet, dat reeds tijdens het overleg en volkomen in strijd met de opgelegde geheimhouding door de confessionelen publicaties zijn gedaan omtrent de door hen ingediende voorstellen. Dit is niet alleen onverantwoordelijk, omdat het de basis van het overlegvoeren ondermijnt de confessionelen slaan zich nota bene altijd op de borst, dat zij tegen klassenstrijd en voor overlegvoeren zijn maar het wekt ook op onverantwoordelijke wijze verwachtingen bij de belanghebbenden. Onverantwoordelijk noemen wij het wekken van deze verwachtingen, omdat men kon weten dat de voorstellen niet voor verwezenlijking vatbaar waren. Minister Beel heeft deze publicaties dan ook scherp gecritiseerd. Met verbazing en teleurstelling, voor zover de schrijvers van artikelen de grenzen der redelijkheid in ernstige mate overschreden, heeft de minister kennis genomen van bedoelde publicaties. De bewindsman merkte voorts op, dat de schrijvers zich daarbij niet konden opwerken tot een niveau, deze zaak waardig, ja zelfs zich onjuistheden veroorloofden.

Maar de confessionelen waren eenmaal bezig een bepaalde weg te bewandelen, hun leden toonden zich teleurgesteld, omdat de gewekte verwachtingen op geen stukken na werkelijkheid waren geworden en vroegen begrijpelijk om verdergaande actie. Het niet aanvaarden van de regeringsvoorstellen versterkte de indruk bij de betrokkenen, dat er verder actie zou worden gevoerd. Het kamerdebat waaruit wij hierboven iets hebben geciteerd, werd een mislukking voor de organisaties, die zich met het uiteindelijk regeringsvoorstei niet hadden verenigd. De begroting van Binnenlandse Zaken werd zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd met alleen de communisten tegen. Dat was op 23 Maart. De katholieke bond van overheidspersoneel hield op 30 Maart een speciaal congres te Amsterdam. Daar werd op de meest demagogische wijze de oorzaak van de mislukte onderhandelingen aan de socialisten en de geleide loonpolitiek geweten. Er werd met cijfers gegoocheld, waaruit zou moeten blijken dat de laagstbezoldigde bij de gemeente te Amsterdam minder zou verdienen, dan iemand die steun ontvangt en derhalve tot de armlastigen behoort. De congresrede en bedoelde